Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Emanuel Overbeeke, maart 2024

 

Jacek Blaszkiewicz: Fanfare for a City – Music and the Urban Imagination in Haussmann's Paris

University of California Press (2024)
ISBN 9780520393479
250 blz., gebonden, geïllustreerd, met muziekvoorbeelden


Wie met een nostalgische ondertoon klaagt over de eenvormigheid van de eigentijdse modernistische architectuur, kent het negentiende-eeuwse Parijs niet. Wie nu door het Parijse centrum loopt, wordt getroffen door de vrijwel uniforme bouwstijl, zeker in die straten waar automobilisten denken dat ze ongestoord harder kunnen rijden dan onze maximumsnelheid. De tijdgebonden saaiheid en grootsheid van deze buurt was een reactie op een stad waar in kleine, moeilijk bereikbare steegjes en straatjes opstanden konden worden beraamd en oproerkraaiers zich gemakkelijk schuil konden houden. Onder het mom van modernisering ter wille van bereikbaarheid en hygiëne ontstonden de brede straten vol classicistische huizen en wegen waarin ordening troef was en waarin het gezag veel eenvoudiger van vroeger rebellie in de kiem kon smoren. Deze planologie was weliswaar een idee van Napoleon III (keizer van 1852 tot 1871) die zoals meestal bij dictators via een machtsgreep aan de macht kwam en vervolgens andere machtsgrijpers niet wilde dulden, maar de Parijse bouwstijl van het midden van de negentiende eeuw is nu onverbrekelijk verbonden met de naam van Georges-Eugène ‘Baron' Haussmann die diverse architecten onder zijn hoede had. Voordat ik Blaszkiewicz' boek las, nam ik aan dat dit een louter planologische en architectonische activiteit was. Blaszkiewicz maakt echter duidelijk dat deze stedenbouwkundige verandering ook grote gevolgen had voor het Parijse muziekleven. De schrijver is daarmee niet de eerste, maar zijn publicatie is wel op dit terrein de meest uitvoerige.

Blaszkiewicz is over de muziek zelf meestal vrij summier maar behoorlijk uitvoerig over de contextuele veranderingen die hieraan ten grondslag lagen. Gelukkig bevat het boek diverse muziekvoorbeelden, die zeer welkom zijn omdat de meeste ervan afkomstig zijn van toen redelijk bekende componisten die nu vaak volstrekt vergeten zijn (de uitzondering in dit gezelschap is Hector Berlioz). De nieuwe stadsopzet had uiteenlopende gevolgen die ook uiteenlopende soorten muziek genereerden. Om ze zeer kort en bondig langs te lopen.

De grootse opzet van straten, pleinen en wijken maakte allereerst groots opgezette festiviteiten mogelijk waarop muziek kon klinken die het moet hebben van dik aangezet pathos, imponeerdrang door volume en massaliteit, effecten voor de open lucht en simpele muzikale structuren die zich eenvoudig lenen voor uitvergroting. Berlioz was een meester in dit genre en droeg zijn steentje meer dan bij.

Een tweede gevolg op termijn was de muziek speciaal gemaakt voor de vele restaurants gelegen aan de brede straten. Veel van deze eetgelegenheden hadden binnenkamers kleine podia waar maatschappelijk getinte liederen (soms protestliederen) konden gedijen en waar niet al te complexe muziek ter vermaak een podium kreeg. Deze muziek had ook de functie van een uitlaatklep. Protest mocht van de autoriteiten, zolang het protest maar beperkt bleef tot de lokaliteit. Rebellie buiten de deur werd hardhandig onderdrukt. Mede in deze contreien ontstond wat later het typische Franse chanson zou worden.

Een derde gevolg van de opgelegde vernieuwing was de nostalgie naar Le vieux Paris, ook al was dat oude een toonbeeld van armoede, een broedplaats van ziekten en een overdosis aan veel te kleine huizen voor veel te veel grote gezinnen. Deze nostalgie uitte zich in de muziek in de groeiende liefde voor populaire liedjes met een achttiende-eeuws karakter.

Het aantrekkelijke van het boek is dat het breed beeld geeft van het toenmalige Franse muziekleven en verder kijkt dan de muziek die de high society in deze tijd tot zich nam, zoals opera's en werken voor de salon. Positief is ook de ruime aandacht voor muziek die destijds in beeld was omdat ze een culturele, om niet te zeggen sociale functie had voor een groot gehoor. Dat veel van die muziek nu onbekend is, doet niets af aan het feit dat ze toen voor velen van grote betekenis was. Dit laatste is in zekere zin ook de achilleshiel van het boek. Het gaat meer over de context dan over de muziek. Dat is begrijpelijk omdat Blaszkiewicz muziek beschrijft die volstrekt verbonden is met de situatie en die, als ik hem goed begrijp, niet werd gemaakt met het oog op eeuwigheidswaarde. Het boek is, geheel in de geest van Richard Taruskin die jarenlang de editor was van de serie waarin dit boek verscheen, meer muziekGESCHIEDENIS dan MUZIEKgeschiedenis, vandaar ook dat Berlioz, waarschijnlijk omdat hij nu veel bekender is dan alle andere componisten in het boek, niet meer aandacht krijgt dan de tallozen die het toen beter deden dan nu. Het stuk van Berlioz dat het meest met deze context te maken heeft Hymne à la France is dan ook een van zijn minst bekende werken. Die anderen deden het in hun tijd beter dan Berlioz. In zekere zin werpt het boek ook een nieuw licht op Berlioz omdat het niet zijn kunst maar zijn context centraal stelt. Misschien was deze informatie over hem reeds bekend bij de grootste Berlioz-specialisten, maar tot nu toe werd die informatie gepresenteerd in het licht van zijn biografie en werd zijn muziek begrepen in het licht van de stilistische ontwikkeling van de Franse muziek. Enerzijds wordt de muziek door deze benadering niet alleen tijdgebonden maar ook gedateerd. Men verwacht dit misschien bij een boek in de geest van Taruskin. Anderzijds zag Taruskin gelukkig ook lang geleden, al was het in een zijstraat, de beperking van deze benadering. In een recensie van de brieven van Debussy (historisch gezien in zijn tijd al net zo'n outsider als Berlioz dat was) schreef hij: ‘Reading the intimate, if taciturn confessions of music's first modernist has deepened in me the uneasy sense that since Stravinsky's death [in 1971] we have been living in an age dominated by Glazoenovs and Leoncavallos – precisely what minus Debussy, Debussy's age would have been: precisely what, minus a few unpredictable and exceptional figures, all ages are.' Blaszkiewicz schrijft over de Franse Leoncavallos en Glazoenovs ten tijde van Napoleon III. Dat hun werk alles te maken heeft met de context van hun tijd, bindt deze componisten met hun geestverwanten van tegenwoordig. Door dit boek begrijp ik hun werk beter, maar mijn hart blijft bij Berlioz en diens geestverwanten uit andere tijden. Muziek is gelukkig meer dan geschiedenis, al is het vervelende dat geschiedenis veel beter is te beschrijven dan dit meerdere. Daar kon zelfs Taruskin niets aan veranderen. Blaszkiewicz wil het niet veranderen en kiest voor de veilige methode van de wetenschappelijke toetsbaarheid. Als zodanig is het een goed boek.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links