Audio-apparatuur

Sphinx Myth 3 en 5

geïntegreerde versterkers

 

© 1997 Aart van der Wal

 

Toen Ruud Janssen en ik vorig jaar 15 luidsprekers in een megatest aan de tand voelden (zie het decembernummer) hadden we daarvoor o.a. de beschikking over de Sphinx Project 2 Mk II voorversterker en twee Project 12 mono-eindblokken. Dat was een terechte keus. Niet alleen bleken ze weer een onverdachte bron voor kwaliteitsweergave te zijn, maar het viel ons ook op hoe gemakkelijk deze combinatie de sterk uiteenlopende luidsprekerkarakters wist aan te sturen. In dit opzicht ging het althans van een leien dakje.

In theorie dient een goed ontworpen luidspreker met iedere goede versterker overweg te kunnen en omgekeerd, maar de praktijk wijst helaas nogal eens anders uit. Kritische noten van muziekliefhebbers en recensenten over de kwaliteit van de weergave worden naar mijn smaak te vaak, te gemakkelijk en volstrekt ongemotiveerd door fabrikanten en importeurs in de kiem gesmoord. Als het niet de akoestiek is, dan is het wel de gekozen luidspreker die niet bij de versterker past, of omgekeerd. Zo bezien zijn er genoeg spelbrekers te verzinnen, maar de oorzaak is natuurlijk nóóit een onmachtig ontwerp of een technisch gebrek. Het resultaat van dit schimmenspel is in ieder geval naast eindeloze discussies een klankbeeld dat niet voldoet, waarbij de muziekliefhebber ondanks zijn ettelijke duizenden guldens die erin zijn gestoken min of meer in de muzikale kou blijft staan.

Sphinx in Nederland en daarbuiten

Sinds begin vorig jaar worden de audioproducten van Sphinx bij Audioscript in Soest gefabriceerd. De succesvolle importeur van o.a. B&W, AKG en Thorens heeft het merk letterlijk onder zijn hoede genomen en het lijkt mij dat deze ingrijpende gebeurtenis de deelnemende partijen geen windeieren legt. Sphinx-ontwerper Edwin van der Kleij kon zich weer gaan toeleggen op zijn voornaamste 'hobby', onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe apparatuur, terwijl de productie en marketing (B&W is niet voor niets een van de succesvolste luidsprekermerken op de Nederlandse markt!) bij de ouwe-rot-in-het-vak Audioscript in vertrouwde handen zijn. Deze combinatie bleek reeds in enige maanden zo succesvol dat Sphinx inmiddels wereldwijde bekendheid geniet. De synergie (2+2=5) bleef zelfs in Japan niet onopgemerkt: de Sphinx Project Eight voorversterker werd door het Japanse tijdschrift Stereo Sound uitgeroepen tot Voorversterker van het Jaar '95-'96. Voorwaar geen geringe prestatie voor een Nederlands product!

Myth-serie

De Myth 3 en 5 borduren voort op de internationaal hoog aangeschreven Project-serie. Grotere productie-aantallen en iets bescheidener opgezette elektronica brengt de Myth-serie gemakkelijker onder het bereik van de liefhebbers die minder diep in de beurs kunnen of willen tasten, maar toch duurzaamheid en zeer goede prestaties voorop stellen. De Myth bewijst in de dagelijkse praktijk dat de elektronische en mechanische concessies t.o.v. de (veel) duurder Project-serie geen enkele hoorbare invloed hebben op de muzikale prestaties en de te verwachten levensduur. Aangevuld met een bijpassende tuner en cd-speler is sprake van een begerenswaardige combinatie die in en uitwendig veraf staat van de gemiddelde zwarte-dozentorens uit het Verre-Oosten. Het mag trouwens ook weleens gezegd worden: menige, op sommige gebieden akelig chauvinistische Nederlander herkent kwaliteit pas als het uit het buitenland komt?! Niet alleen Gré Brouwenstijn, Aafje Heynis, rna Spoorenberg en Elly Ameling kunnen erover meepraten... Ook op audiogebied timmeren diverse vaderlandse ontwerpers en fabrikanten niet alleen in eigen land, maar ook internationaal met succes aan de weg. Denk u bij voorbeeld maar eens aan illustere namen als Van Medevoort, Duson en Van den Hul. En natuurlijk ook aan de club 'who invents for you'. Sphinx hoort daar nadrukkelijk óók bij, met als bonus de spreekwoordelijk hoge kwaliteit van de nazorg die Audioscript al járen tot een van de meest gerenommeerde importeurs maakt.

De buitenkant

Hèt visitekaartje van Sphinx is het fraaie, exclusieve voorpaneel van zwartglanzend acryl met de niet opdringerige rode leds die met tip-toetsbediening worden geactiveerd. De aan de bovenzijde van de kast aangebrachte koelribben zorgen voor effectieve afvoer van de warmte. Het uiterlijk van de Myth 3 en 5 is identiek, met de hoofdtelefoonuitgang middenlinks en de motorgestuurde volumeregelaar rechts, met daartussen de tiptoetsen en ledindicatie voor de ingangen en mute. Aan de achterzijde bevinden zich de vergulde cinch-ingangen voor cd, line 1, line 2, tuner en tape. Het zware netsnoer is los bijgepakt , de zekeringhouder (3,15 A traag) is naast de netingang aangebracht en aan de buitenzijde bereikbaar. Er zijn twee uitgangen: een voor tape en een voor een paar luidsprekers. Met de eveneens aan de achterzijde gemonteerde netspanningsschakelaar wordt het apparaat in of uitgeschakeld. Gebruikelijk is om de versterker aangeschakeld te laten: na gebruik wordt eenvoudig overgeschakeld naar de standby-modus. Het stroomverbruik is dan minimaal, terwijl de Myth voor gebruik niet opgewarmd hoeft te worden. Ook de achterkant laat zien dat aan de afwerking grote zorg is besteed: alle verbindingen zijn stevig en de degelijkheid straalt er vanaf.

Techniek

De bandbreedte is groot, hoewel niet extreem: 10 Hz-103 kHz. Ruim binnen de audioband (20Hz-30kHz) is de afwijking in de karakteristiek nergens groter dan 0,7 dB, met een exemplarische faselineariteit. De vervorming is vrijwel onmeetbaar en wordt ook bij de grote vermogensstromen goed onder controle gehouden. Iets onder maximaal vermogen blijft de THD-meter bij 0,009% schommelen. De Myth 3 kan een uitgangsspanning/stroom leveren van 20 V10 A, de Myth 5 doet er nog een dubbel schepje bovenop: 23 V/20 A. Dat blijkt ook uit het nominale vermogen: de 3 levert 2 x 60 W aan 8 Ohm, de 5 levert dan 2 x 80 W. De meetuitkomsten laten, afgezien van het beschikbare vermogen, bij beide apparaten geen wezenlijke verschillen zien. U heeft in deze kolommen vaak genoeg kunnen lezen dat vermogensverschillen niets over de kwaliteit zeggen en in deze regionen 20 W meer of minder niet van wezenlijk belang zijn. Wel is het zo dat de Myth 5 bij zeer lage impedanties (2 Ohm) aanzienlijk verder springt dan de kleinere broer: bij gelijkblijvende vervorming komt de 5 dan moeiteloos aan 2 x 160 W, terwijl bij de 3 de koek bij 2 x 75 W schoon op is. Je zou ook kunnen zeggen dat de Myth 5 er speciaal voor bedoeld is om 'lastige', laagohmige luidsprekers aan te sturen. Daarvan zijn er meer in de handel dan mij lief is.
Liefhebbers van elektrostaten zullen met de Myth 3 zonder meer uitstekend uit de voeten kunnen. Het beschikbare vermogen is daarvoor meer dan toereikend en de stabiliteit is onvoorwaardelijk. Forse capacitieve belastingen leverden geen hoogfrequent-ellende op. Dat geldt ook voor de Myth 5, maar die lijkt mij bij uitstek geschikt voor luidsprekers met een zeer laag rendement die ook nog lastig aan te sturen zijn.
De ingangsgevoeligheid voor alle ingangen is 125 mV, maar daar klaag ik niet meer over. Het helpt toch niet! Een klankregeling ontbreekt en dat is passend in de belevingswereld van High-End.

Neutrale schakel

Een versterker heeft slechts één taak: versterken. Niets meer, niets minder. Deze eenvoudige 'opdracht' is anno 1997 nog steeds niet gemakkelijk te realiseren. Vrijwel iedere versterkerfabrikant brengt zijn eigen spitsvondigheden en non-plus-ultra-oplossingen in stelling om dit nobele doel te bereiken. De gedachte dat dit vooral een kwestie van prijs zou zijn is een misvatting: er zijn (peper)dure versterkers die verre van neutraal zijn en er zijn relatief goedkope die aardig dicht in de buurt ervan komen. Zo bezien is het een wet van Meden en Perzen: het is of goed, of het deugt niet, er zit niets tussenin. Als de versterker geen onverdachte bron is, wordt het nóg lastiger om de aangesloten apparatuur op de eigen mérites te beoordelen en zal de 'vervuiling' sowieso toeslaan. Nu zou je denken dat de cijfertjes boekdelen spreken, maar dat is helaas niet het geval. Zowel in versterkers als daarbuiten (interactie met andere apparatuur) kunnen allerlei factoren invloed hebben op het uiteindelijke klankbeeld, terwijl in meettechnische zin alle signalen op groen staan. Er werden en worden nog versterkers ontworpen die vrijwel perfect 'meten', maar muzikaal min of meer ernstig tekortschieten. Het omgekeerde is gelukkig niet het geval: slechte meetprestaties zijn niet altijd, maar meestal wel in de muzikale prestaties (waar het toch om gaat!) terug te vinden. Matige overspraakgetallen, hoge(re) vervormingscijfers, een lage ruisdrempel, onbalans, e.d. hóren we ook werkelijk, al kunnen er maskerende effecten zijn die ons in eerste instantie op het verkeerde spoor kunnen zetten. Een stevige portie harmonische vervorming kan een 'warmer' geluid opleveren en er zijn hele volksstammen die daarvoor vallen. Magere kanaalscheiding, een beperkt frequentiebereik en nog ander ongerief kunnen menigeen de verzuchting doen slaken 'dat analoog mooier klinkt dan digitaal' (de lp is dan een prima voorbeeld om die stelling 'te bewijzen'). Een matig presterende buizenversterker wordt de hemel ingeprezen en verliest het op punten van zijn veel beter presterende solid state-collega. Dat heeft allemaal niets met neutrale weergave te maken, maar met wat we mooi of lelijk vinden. Bij de Myth 3 en 5 kan wat mij betreft de discussie gelijk worden kortgesloten: ik vind ze evenals de Project 2/12 neutraal en niet van hun stuk te brengen en dat lijkt mij toch voor iedere versterker het grootste compliment.

Afstandsbediening

Dat is nu het aardige van Sphinx: met de bijgeleverde a.b. kan dankzij een 'leervoorziening' ook apparatuur van andere merken worden bediend. Er zijn ook andere fabrikanten die hebben ingezien dat vijf of meer a.b.-en op tafel teveel van het slechte zijn, maar het wordt tijd dat juist dit leger goedwillenden eens aanzienlijk groeit. De a.b. van Sphinx is van stevige kwaliteit, ligt goed in de hand en laat zich snel bedienen. Na veelvuldig gebruik wordt de belettering niet flets en talloze malen stuiteren leverde geen enkel nadelig effect op.

Conclusie

Bouw en afwerking zijn een klasse apart, het beschikbare vermogen is ruim voldoende voor iedere huiskamer en bij gebruik van luidsprekers met een matig tot laag rendement. De Myth 3 en 5 presteren gehoormatig identiek. De 5 heeft een actieve voorversterker onder de kap en is met een dubbel zo zware voeding uitgerust. De 3 moet het doen met een passieve pre-amp en een kleinere voeding, maar is zonder enige restrictie volkomen opgewassen tegen zeer veeleisende muziekweergave. De voorzieningen zijn Spartaans: er is geen klankregeling, geen balansregeling en evenmin een mono-schakelaar een instelbaar subsonisch filter. Het aantal ingangen mag doorsnee worden genoemd: met 5 is het bekeken en dat kan voor zéér uitgebreide installaties net niet voldoende zijn. We hebben het dan wèl over een stereotoren die tot aan het plafond reikt. Vinyl-enthousiasten zullen de importeur diep in de ogen moeten kijken: een ingang voor pick-up schittert door afwezigheid. Voor de een omissie, voor de ander niet van belang. Nu kan er altijd een aparte pick-up ingangstrap aan worden gekoppeld, maar de los verkrijgbare typen en modulen vind ik vrij prijzig en is het eleganter als de versterker daarmee standaard is uitgerust. En dan nog bij voorkeur omschakelbaar, al naar gelang het gebruikte element. Het wordt echter meer en meer gewoonte om de pick-up trap weg te laten en ik zie dat met enig leedwezen aan.
Een belangrijk punt is ook de voortreffelijke nazorg van Audioscript en het feit dat de fabrikant als het ware om de hoek zit. Handig als later eens wat gemodificeerd moet worden, maar ook als er een defect optreedt.

Sphinx Myth 3: f. 2000
Sphinx Myth 5: f. 3000


Beluisterd met Meridian 508/20 en van Medevoort CD222 cd-spelers, Quad ESL-63 en AR 303a luidsprekers, Stax-Lambda en Sony CD3000 hoofdtelefoons.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links