Audio-apparatuur

Oorstrelend:

Sennheiser HD 650 (dynamische) hoofdtelefoon

 

© Aart van der Wal, december 2008

 

 

Hoofdtelefoons zijn er te kust en te keur, in alle soorten en maten en in alle denkbare prijsklassen. Wat daarbij vooral opvalt is dat er maar weinig echt goede zijn, al is de ene muziekliefhebber natuurlijk sneller tevreden dan de ander. Het hangt er vooral vanaf voor welk doel hij wordt gebruikt. Wie af en toe in de late avonduurtjes van muziek wil genieten zonder de huisgenoten te storen, kan met een eenvoudiger, goedkoper merk of model best uit de voeten. Wie echter hogere aspiraties heeft, komt bijna automatisch bij de duurdere typen uit. De Sennheiser HD 650 is met name voor de laatste categorie bedoeld.

Hi-Fi is een streven

De producer met zijn opnamentaf zal nooit streven naar een opname die de werkelijkheid weerspiegelt. Wat er op het podium gebeurt, is van een andere orde dan wat er uiteindelijk bij u thuis uit de luidsprekers komt. Natuurlijk begrijpt iedereen dat het geluidsvolume van een symfonieorkest voor de huiskamer vele maten te groot is. Niet alleen zouden er geen zeventig tot honderd musici in passen, maar bovenal zou de herrie oorverdovend, niet te verdragen zijn. Maar zelfs een heuse concertvleugel zou al veel te veel van het goede zijn. Een eenzame zangstem, of een gitaar, dat kan misschien nog net, maar dat is het dan toch wel.

Het kan dus niet anders: het geluidsniveau dient naar kameromstandigheden te worden aangepast, hetgeen impliceert dat de in werkelijkheid beschikbare dynamische bandbreedte (het gebied tussen het luidste, dus fff, het maximale fortissimo, en pppp, het zachtste) daarop moet worden aangepast. In de tijd van die goeie ouwe lp was het stoorniveau (band- en plaatruis, overige groefgeluiden) zelfs dusdanig hoog dat zachte passages behoorlijk opgekrikt moesten worden om daar boven te blijven. En dan zijn er toch nog mensen die menen dat de dynamiek van de lp het wint van die van de cd! Sterker nog, dat de lp natuurgetrouwer muziekweergave biedt dan de cd!

De opnametechnici kiezen dus niet voor een getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid, maar voor een illusie die deze werkelijkheid zo goed mogelijk benadert. Eenmaal gekozen, ligt het perspectief vast en kan nadien niet meer worden gewijzigd. Zo verschijnt het, na nog het noodzakelijke editing-proces te hebben ondergaan, uiteindelijk op de cd die u in de winkel koopt.

Hi-Fi (natuurgetrouwheid) is niets anders dan die zo goed mogelijk gecreëerde illusie, zowel aan de opname- als aan de weergavekant. Dat het in wervingscampagnes vaak anders wordt voorgesteld, doet aan het feit op zich niets af.

Pop versus klassiek

Wat zijn de belangrijkste criteria voor die illusie? In de popsector is men het zicht daarop al lang geleden kwijtgeraakt. De meeste popmuzikanten kunnen eenvoudigweg niet zonder hun uitgebreide arsenaal van elektronische trucs en foefjes, ze presteren zoals ze presteren met behulp van allerlei gimmicks die, doordat ze zo snel en zo massaal zijn ingeburgerd, onverbrekelijk verbonden zijn met de hedendaagse scene. Een Fender gitaar die 80% vervorming produceert is niet defect, maar speciaal zo gemaakt. De vervorming maakt onderdeel uit van het poptheater. Sterker nog, veel jongeren denken gewoon dat er iets kapot is als ze géén vervorming horen!

Om die reden zijn in de popmuziek de grenzen tussen studio- en podiumklank sterk vervaagd. De enorme batterij elektronica die op en achter het podium wordt ingezet, wordt namelijk ook in de studio gebruikt. De vervorming die vanaf het podium de zaal wordt ingeslingerd, wordt uiteindelijk ook de huiskamer ingeslingerd. Als het anders was, zouden de popconsumenten zich waarschijnlijk of bekocht voelen, of de desbetreffende artiest of groep niet meer serieus nemen. Het verschil tussen de 'klankperformance' in de zaal en thuis bestaat niet of nauwelijks, met dank aan de elektronische versterking, het gebruik van equalizers en andere randapparatuur. De specifieke, akoestische eigenschappen van de zaal vallen daarbij vrijwel in het niet.

In het klassieke-muziekdomein is daarvan geen sprake: de uitvoering kent doorgaans (voor de muziek van Stockhausen maak ik graag een uitzondering...) geen elektronische manipulatie, men hoort de muziek 'naturel', rechtstreeks en niet gemanipuleerd uit de klankbekers en vioolkasten. Zo bereikt zij - met inachtneming van de akoestische eigenschappen van de zaal - onze oren, punt uit. Dat is in de studio evenwel niet haalbaar. Daar dienen compromissen te worden gesloten die het domein van de volkomen natuurlijke muziekweergave op het podium als het ware verplaatsen naar het thuispodium, waar de weergave alleen maar langs elektronische weg tot stand kan komen. Om dus de gedachte nog even te bepalen: pop = van zaalelektronica naar studio-elektronica; klassiek = van natuurlijk klankbeeld en zaal/studio-ambiance naar elektronisch gestuurd klankbeeld thuis.

Timbre

Het is altijd weer hilarisch om te lezen dat luidspreker- en versterkerfabrikanten (en daarmee blijkbaar eveneens hun afnemers!) het zo verschrikkelijk belangrijk vinden dat hun spullen tot 50 kHz doorlopen. In tijdschriften wordt er steeds weer opnieuw op gewezen dat in het frequentiegebied boven 20 kHz "veel muzikale informatie is te vinden die van invloed is op de onderliggende frequenties." Het is een schoolvoorbeeld van ondeugdelijke argumentatie die zichzelf in stand kan houden door het alsmaar te blijven roepen. Het onderstaande schema kan echter verhelderend werken:

In de jaren zeventig verscheen dit handige overzicht van het bereik van diverse muziekinstrumenten als onderdeel van de Nederlandstalige handleiding voor de Quad 33-303 versterkercombinatie.

Het overzicht maakt perfect duidelijk dat er boven 15 kHz in muzikaal opzicht werkelijk niets meer te beleven valt. Daar is het alleen nog maar (mogelijk) interessant voor honden, katten en vleermuizen. Wie apparatuur in huis wil halen die vér boven de gehoorgrens reikt (rond de 20 kHz — maar dat geldt slechts voor een beperkte groep homo sapiens), vergroot alleen maar de kans op hoogfrequent-ellende.

Hoe staat het dan met het timbre, de klankkleur? Een fluit klinkt anders dan een fagot, een klarinet anders dan een hoorn. De boventonen, die samen met de grondtoon worden gevormd, bepalen het timbre, de klankkleur van het instrument. Het is dat timbre dat in de muziekopname én voor uw gehoor de belangrijkste rol speelt. En daarmee dus ook in weergaveapparatuur (cd-speler, tuner, platenspeler, versterker, luidspreker, hoofdtelefoon, enzovoorts). Indien met het timbre wordt gesjoemeld, wordt met de muziek zelf gesjoemeld. De muziekbeleving staat of valt ermee.

Van individueel timbre naar samenklank

Het individuele, eigenlijk unieke timbre van ieder instrument verandert natuurlijk niet als het zich mengt met een of meerdere andere instrumenten, maar de klankindrukken van die samensmelting zoals de toehoorder die ervaart, veranderen wel degelijk. Als een hobo zich met de klarinet mengt, blijft het individuele klankkarakter van het instrument behouden, maar ontstaat er tegelijkertijd een volkomen andere (samen)klank. Bij stemmen is het al niet anders. Een goed voorbeeld daarvan vinden we in het Stabat Mater van Rossini, in het duet 'Quis est homo' voor twee sopranen, in bijvoorbeeld de DG-opname uit het begin van de jaren tachtig, met Katia Ricciarelli en Lucia Valentini Terrani (het Philharmonia Orchestra stond onder leiding van Carlo Maria Giulini). Beide stemmen klinken individueel, maar produceren tezamen een volkomen 'nieuwe' samenklank.

De gedachte als zou een door een willekeurig orkest gespeeld akkoord hetzij in een live-concert hetzij in een studio-opname altijd hetzelfde klinken (dezelfde klankkleur voortbrengen), strookt niet met de werkelijkheid. Om me tot opnamen te beperken: de twee Es-groot akkoorden waarmee Beethovens Eroica opent, klinken bij het London Symphony Orchestra met Bernard Haitink (LSO Live) heel anders dan bij het Concertgebouworkest onder dezelfde dirigent (Philips), of het Philharmonia Orchestra met Otto Klemperer (EMI). Ergo, zelfs die twee akkoorden kunnen gevarieerd klinken (Rotterdams Philharmonisch met Yannick Sézet-Séguin op het RPhO-label). Voor het melodische discours geldt hetzelfde: zowel de horizontaal als de verticaal verschuivende instrumentale (en vocale) timbres maken hier alle verschil uit.

Het klinkt om meerdere redenen verschillend: daar is eerst de orkestcultuur, dan de opnameruimte (die overigens met die cultuur samenhangt!), en ten slotte de opnameketen vanaf microfoon via kabels (heel veel kabels!) naar de mengtafel en de opslag op band of harde schijf, om dan uiteindelijk dubbel gebakken bij u thuis te arriveren.

Timbres kunnen op meerdere manieren worden herkend. Zo kunnen ze als iets volkomen eigens, iets unieks aan de musicus of de vocalist 'kleven'. Voorbeelden: David Oistrach, Jascha Heifetz, Mstslav Rostropovitsj, Jacqueline du Pré, Maria Callas, Elisabeth Schwarzkopf, Dietrich Fischer-Dieskau, Nicolai Ghiaurov, Luciano Pavarotti en Plácido Domingo. Wat de instrumentalisten betreft geldt dat een bespeler van een melodieinstrument als de viool en de cello gewoonlijk sneller wordt herkend dan zijn collega op een toetsinstrument (zoals de piano).

De timbres in de 'klassieke' opname

Een van de belangrijkste doelstellingen van de opnametechniek is de natuurlijke weergave van de timbres, onverschillig of het een soloviool (bijvoorbeeld in een partita van Bach of Paganini's caprices), een solocello (in de cellosuites van Bach of Britten), vioolduo's (Bartók), een piano- of strijktrio, of een voltallig symfonieorkest betreft. Een gewetensvolle opnamentaf zal er zeker naar streven om in het Dubbelconcert van Bach de onderscheiden klank van de beide soloviolen zo natuurgetrouw te vangen, dat er twee verschillend klinkende violen uit de luidsprekers komen. Het is daarbij dan te hopen dat in het nabewerkingsproces (de zogenaamde post-productie) de tijdens de opname toegepaste veelsporentechniek (multitrack recording) niet zodanig wordt 'misbruikt' dat die timbres een ongewenste verandering ondergaan. Het oorspronkelijke klankbeeld (de timbres) zoals dat tijdens de opname uit de luidsprekers in de controlekamer klinkt, kan later door het samenvoegen van tracks deels weer verloren gaan. Het perspectief van de opname wordt dan (ingrijpend) gewijzigd, en dát komt dan wel terecht op de uiteindelijke productieband (die voor de cd-productie wordt gebruikt).

Dat ondanks (stok)oude technieken de instrumentale en vocale timbres toch goed bewaard zijn gebleven, blijkt wel uit de vele - toen nog analoge - opnamen uit de jaren vijftig en zestig, die als heruitgaven, maar nu in het cd-domein, op de markt zijn en worden gebracht. Aan dat opfrissingsproces zitten weliswaar allerlei haken en ogen, variërende van de technische staat van de oorspronkelijk voor die opname gebruikte recorder(s) tot en met de digitale remastering, maar als al die oude spullen er nog zijn en het technisch allemaal goed is gedaan, herleven die timbres van een halve eeuw geleden weer monter en fris in onze huiskamers. Daarbij zal het menigeen zijn opvallen dat mono-weergave net zo fascinerend kan zijn als stereo-weergave.

Van elektrische naar akoestische energie

Het is de luidspreker die, aan het einde van de keten, de elektrische energie omzet in akoestische energie, ofwel ons deelgenoot maakt van wat de microfoons aan het begin van de keten hebben opgevangen en tijdens het verdere verloop werd vastgelegd. Al die verschillende componenten binnen de totale keten bepalen uiteindelijk hoe de muziek onze oren bereikt. In dit complexe domein bestaan geen perfectie. Als er al een ideaal kan zijn, dan is het niet meetbaar (meten is hier geen weten), maar zou het er - eenvoudig gezegd, en dan ook nog theoretisch - op neer moeten komen dat het signaal dat aan de opnamemicrofoon wordt aangeboden exact hetzelfde is als het signaal dat bij u thuis de luidspreker verlaat om zich vervolgens als akoestische energie als het ware in uw luisterruimte voort te planten. Het is echter niet één signaal, maar een groot aantal signalen, er is een groot aantal microfoons, er is een bijna onoverzienbare hoeveelheid kabels, enzovoorts. Hoe meer componenten in de keten optreden, des te groter het risico dat de originele bron wordt 'omgebogen', maar dit alles tezamen vraagt om een ander artikel. Het enige dat voor dit moment relevant is, is dat iedere opnametechnicus zijn opname 'opbouwt' met als enige uitgangspunt (géén referentiepunt!) de luidsprekerweergave bij de consument thuis. Hoe het bij die consument thuis klinkt, valt buiten zijn beheersbare domein. Eigenlijk wil hij het ook niet weten, wat net zo min als er een gemiddeld gezin, een gemiddelde doorzonkamer of een gemiddeld gehoor bestaat, bestaat er een opname die daarmee naar behoren rekening kan houden. Het enige dat ik een opnametechnicus ooit eens hierover heb horen zeggen was: "Ik wil dat mijn opnamen aan de keukentafel of uit een transitorradiootje ook goed klinken."

Een bekende producer vertelde me eens: "Ik heb altijd een ideaalbeeld voor ogen, dat ik in de opname probeer te realiseren. Dat beeld is afhankelijk van het onder handen zijnde muziekwerk, de bezetting en de akoestiek. Dan hoop ik maar dat tijdens het beluisteren van de takes zo weinig mogelijk orkestleden binnendruppelen, want die hebben er strijk en zet een eigen mening over, die ze ook nog vaak proberen door te drukken. De soms oeverloze discussies daarover mag ik dan vervolgens als tijdverlies afboeken. Sommige dirigenten kunnen evenmin het verschil tussen werkelijkheid en fictie snel overbruggen. Op het podium horen ze zichzelf en anderen nu eenmaal heel anders, met dát beeld in hun oren komen ze hier binnenstappen. Vervolgens horen ze plotsklaps iets geheel anders. Dát willen ze dan aangepast zien, en dat vertik ik."

Maar goed, de opnamekarakteristiek, het perspectief van de opname, is gericht op de muziekweergave via luidsprekers. Die aanloop had ik nodig voor de...

Hoofdtelefoon

Het slechte nieuws is dat de hoofdtelefoon, hoe goed die ook is, de conventionele luidspreker niet kan vervangen. Bij de hoofdtelefoon zitten we immers gelijk in een geheel ander perspectief, linker- en rechterkanaal zijn fysiek van elkaar gescheiden. Een signaal dat alleen in het linkerkanaal wordt aangeboden, is in het rechteroor niet hoorbaar. Bij luidsprekerweergave hoort u dat signaal in beide oren, want de speaker maakt deel uit van de akoestische omgeving. Het geluid in het linkerkanaal verspreidt zich net zo makkelijk door de kamer als uit het rechterkanaal, of uit beide kanalen. Wie aan een oor (vrijwel) doof is, heeft aan een hoofdtelefoon dus niets, terwijl met een of twee of meer luidsprekers nog voldoende compensatie voorhanden is.

Het komt minder vaak voor dat we met onze twee oren identiek kunnen horen. Qua perceptie is er vaak verschil, wat bij hoofdtelefoonweergave vrij snel opvalt, bijvoorbeeld bij het beluisteren van een opname van een symfonie met de eerste violen in het linker- en de tweede violen in het rechterkanaal.

Mono-opnamen klinken via de hooftelefoon altijd onplezierig, alsof het geluid zich door het sleutelgat moet wringen. Stereo-opnamen daarentegen moeten het van looptijdverschillen hebben (hoewel het steeds vaker voorkomt dat eerder sprake is van sterkteverschillen, wat iets heel anders is), die bij hoofdtelefoonweergave geen enkel probleem opleveren. Sommigen hebben er last van dat het geluid zich 'ergens midden in het hoofd' lijkt te nestelen, maar zelf ik vind dat geen noemenswaardig bezwaar. Anderen storen zich aan het veel sterkere links-rechtspatroon, wat ik deels wel kan onderschrijven.

Maar de hoofdtelefoon biedt altijd uitkomst waar de luidspreker verstek moet laten gaan. Lekker onderuitgezakt luisteren in de late uren, als de overige huisgenoten het bed hebben opgezocht, kan alleen maar met de hoofdtelefoon. Of van muziek genieten als de ander naar de tv wil kijken (voor een dergelijke duo-overeenkomst heeft u wel een absoluut gesloten systeem nodig, want anders hoort u nog steeds die tv en hoort de kijkende partner nog steeds de muziek uit uw hoofdtelefoon).

Er is echter nóg een belangrijke functie voor dat handzame kleinood weggelegd: als loep op de opname, of zo u wilt op de muziek. Er is geen luidspreker ter wereld die zóveel details prijsgeeft als een (heel goede) hoofdtelefoon. Bovendien biedt die het voordeel dat van akoestische beïnvloeding geen enkele sprake is: wanden, plafond en muren doen eenvoudigweg niet mee. Zelf gebruik ik vrijwel dagelijks naast de luidsprekers de hoofdtelefoon, want daarmee kan ik geen detail over het hoofd zien. Kortom, het gaat er uiteindelijk om waarvoor u de hoofdtelefoon wilt gebruiken.

De luidspreker tóch op achterstand...

In termen van pure klankkwaliteit, de nauwkeurige weergave van timbres, verslaat menige hoofdtelefoon met het grootste gemak luidsprekers die het tienvoudige kosten. Zo merkwaardig is dat trouwens niet. Het membraan kan met veel minder massa toe, de elektronica vraagt minder dan een half vingerhoedje en akoestische hindernissen zijn geheel en al afwezig. Een béétje een variant op 'you see what you get'.

Dat neemt niet weg dat het aanbod van middelmatige tot gewoon slecht presterende luidsprekers voor vaak exorbitante prijzen nog steeds veel te groot is. Kwaliteitsweergave is niet per se gerelateerd aan een hoog prijsniveau, zo leert de geschiedenis en mijn ervaring. Zoals er evenmin superieure geluidsweergave in huis wordt gehaald met manillatrossen ad € 1.200,= per strekkende meter. Dat is ook een illusie, maar een geheel andere dan die waar ik het al eerder over had. De verbetering die men meent waar te nemen, is evenredig aan de prijs die voor die 'verbetering' moest worden betaald.

Sennheiser HD 650

Wat biedt die Sennheiser HD 650 dan wel wat veel andere hoofdtelefoons niet bieden? Eerst maar een stukje voorgeschiedenis.

Sennheiser stond en staat nog steeds aan zowel het begin als aan het eind van de audioketen. Het bedrijf maakt namelijk zowel microfoons als hoofdtelefoons. Er is dus aan beide zijden veel ervaring opgedaan, hoewel dat niet per se wil zeggen dat dit automatisch een voorsprong oplevert jegens andere bedrijven die zich in een specifiek segment hebben gespecialiseerd.

 
  Sennheiser HD 414

Voor Sennheiser is de ontwikkeling van de hoofdtelefoon tot het huidige hoge niveau een zeer lange weg geweest, deels ook met enig vallen en weer opstaan. Het begon pas goed met de ontwikkeling en introductie van de HD 414, ergens in de jaren zestig. Die HD 414 was, toevallig of niet, mijn eerste hoofdtelefoon. Niet in de zwart-gele uitmonstering zoals hiernaast afgebeeld, maar geheel gehuld in een lelijk ziekenhuisgrijs.

Ik herinner me nog vaag dat zelfs Herbert von Karajan ermee stond afgebeeld. Ik heb mijn exemplaar allang niet meer, maar wel herinner ik me nog dat ik er veel plezier aan heb beleefd, al kon de geluidskwaliteit het bij lange na niet opnemen tegen mijn AR-3a luidsprekers.

Inmiddels zijn we bijna een halve eeuw en een groot aantal modellen en typen verder, waaronder een behoorlijk aantal dat ik nog in gebruik heb gehad. De laatste twintig jaar heb ik me beperkt tot de Stax-Lambda Pro, de (oude) Beyer DT 990, de Sony MDR-CD3000 (die alleen nog tweedehands te koop is) en de AKG K-1000 (die evenmin nog wordt gemaakt).

 
  Handig voor visueel gehandicapten: goed voelbare merktekens voor links en rechts

Met uitzondering van de Lambda betreft het dynamische hoofdtelefoons, die wat het ontwerpprincipe op het punt van de resolutie (oplossend vermogen) ten opzichte van het elektrostatische type al gelijk op achterstand worden gezet. De elektrostaat kent van nature immers vrijwel geen massa en kan om die reden een bijna achteloos los klankbeeld neerzetten. Het dynamische membraan bezit altijd meer massa, hoe ingenieus het materiaal en de toepassing ervan ook mogen zijn.

Zo bezien ligt het voor de hand om altijd voor een elektrostaat te kiezen, maar zo eenvoudig ligt het helaas niet. De elektrostaat heeft namelijk drie niet te verwaarlozen: de bijbehorende 'aanjager', de kwetsbaarheid en de matige laagweergave. Het elektrostatische principe is relatief gemakkelijk toepasbaar voor de midden- en hoge frequenties, maar laat in het laag bepaalde wensen onvervuld. Dat geldt weliswaar meer voor luidsprekers dan voor hoofdtelefoons (die veel minder akoestische energie hoeven te leveren), maar toch moet ik de eerste elektrostatische hoofdtelefoon nog tegenkomen waarvan de laagweergave mij echt overtuigt. Stax en Jecklin Float is het in ieder geval nooit gelukt, hoewel ik de laatste Stax-modellen nog niet heb gehoord.

Die 'aanjager' is een sterk kostenverhogende factor. Geen enkele elektrostaat kan zonder het hoge voltage dat nodig is om de platen onder spanning te zetten. Dat dure kastje (of versterker) moet er dus bijgekocht worden. Dan is er tot slot de kwetsbaarheid, die in de afgelopen twintig jaar zeker een keer of zes een behoorlijke stoorzender is geweest. Door de hoge overslagspanning kan de midden/hoogweergave na verloop van tijd zomaar spontaan wegvallen. Dan zit je met een defecte driver die - paarsgewijs - vervangen moet worden Momenteel zit ik zelfs met twee Lambda's waarvan een driver defect is. Dat betekent een kostenplaatje dat er niet om liegt.

Het is dus verstandig om naast de prijs/kwaliteitsverhouding eveneens de noodzakelijke nazorgkosten in het scenario te betrekken. Verder heeft het weinig zin om hoofdtelefoons in de vergelijking te betrekken die niet meer worden gemaakt. De Beyer DT 990 is inmiddels door een nieuw type vervangen, terwijl de Sony en de AKG niet meer worden gemaakt.

De Sennheiser HD 650 is een fantástische hoofdtelefoon, die zeer hoog scoort op de drie meest wezenlijke aspecten van muziekweergave: timbres, impulsweergave en de afwezigheid van (hoorbare) vervorming. De natuurlijke klankkleuren (heel belangrijk in klassieke muziek) en de moeiteloze verwerking van grote impulsen (piano, slagwerk) en al stevig uithalende sopranen plaatsen de HD 650 zonder meer in de topklasse.

De vioolklank is altijd een buitengewoon kritisch aspect van goede geluidsweergave, maar voor stemmen (met inbegrip van bijvoorbeeld a-capellazang) geldt dat net zo goed. Enige concrete voorbeelden. Eerst het timbre, waarvoor u t niet beter terecht kunt dan bij Mendelssohns ouverture Een midzomernachtsdroom (Herreweghe op Harmonia Mundi) of het Adagio uit Beethovens Vierde symfonie (Karajan op DG, uitgave 1963). Daar zit, samengevat, álles in op het gebied van orkestrale kleur(werking). Voor stevige impulsen is er Martha Argerichs superieure opname van Liszts Pianosonate (DG).

Dan is er een sopraan die uw weergavespullen bij wijze van spreken alle hoeken van de kamer kan laten zien: Gundula Janowitz in Mozart-aria's, begeleid door de Wiener Symphoniker o.l.v. Wilfried Boetcher (heruitgebracht in DG's The Originals serie). Vooral track 1 is voor veel luidsprekers én hoofdtelefoons een ware martelgang. Hoe natuurlijk stemmen worden weergegeven kunt u zelf nog eens verifiëren aan de hand van Victoria's Officium op het Glossa-label.

Niet minder indrukwekkend is de laagweergave, van orgelpedaal tot pizzicato-bas. Stevig, maar ook 'hart und trocken', zoals onze oosterburen het zo treffend typeren. Of misschien wel nog treffender, nu op z'n Engels: True bass is never forgotten. Want dat is misschien nog wel de beste samenvatting voor wat betreft het laag: nooit overheersend, maar als het er moet zijn, is het er ook.

Ter geruststelling: de HD 650 doorstaat het allemaal achteloos, maar niet alleen dat: u wordt - ondanks de beperkingen van dit medium - méégezogen in de muziek. Maar helaas, uw omgeving misschien ook, want het is een open systeem, waardoor de muziek niet alleen tot u beperkt blijft. Uiteraard op een véél lager niveau (meer fluisterend), maar dat kan voor de ander best nog wel storend zijn. Iets om rekening mee te houden.

Waarop aan te sluiten?

Naast de standaardplug is er de miniplug voor aansluiting op de iPod of soortgelijke apparatuur. Maar dan trapt de olifant op de muis, want de HD 650 is een topweergever die gewoon te goed is voor een verbintenis met zo'n kleine doosje met daarin veel samengedrongen plastic. Bovendien is het uitgangsvermogen van dergelijke gadgets vaak niet toereikend om op stevig volume überhaupt enige kwaliteit te bieden.

De HD 650 is dus vooral bestemd voor aansluiting op de (voor)versterker of randapparatuur met aansluiting voor hoofdtelefoon. Maar zelfs dan is daarmee het non plus ultra nog niet bereikt. Het verbaast me allang niet meer dat het binnenwerk van versterkers steeds meer hetzelfde soort en type onderdelen laat zien. Wereldwijd worden ze grootschalig ingekocht en ingebouwd, waarna ze al even grootschalig worden aangekocht. Maar het klankbeeld is helaas verre van grootschalig, eerder doorsnee, van het soort dat even snel went als dat de appreciatie van het betere tot beste vervaagt.

Heel eigenwijs heb ik de HD 650 aan de tand gevoeld met een voorversterker van Accuphase, die net zo veel kost als een uit de kluiten gewassen tweedehands motorfiets met slechts 10.00 km op de teller en pas twee jaar oud. Die voorversterker staat trouwens, zoals alle voorversterkers (laat u niet foppen!), in klasse A. Daarmee heb ik de kwaliteiten van deze Sennheiser zo goed mogelijk beoordeeld, zowel met behulp van eigen opnamebanden als lp's, cd's en dvd's. Daarnaast heb ik de HD 650 intensief gebruikt voor mijn muziekrecensies van oktober. Met heel veel plezier!

Technische doopceel

Voor wat het waard is, hieronder de technische gegevens van de fabrikant:

Frequentiebereik 16-30.000 Hz (-3 dB)
  10-39.500 Hz (-10 dB)
Akoestisch principe Dynamisch, open
Nominale impedantie 300 ohm
Max. geluidsdruk bij 1 kHz 103 dB
Ingangsvermogen 500 mW
Vervorming <0,05%
Aandrukkracht ca. 2,5 N
Koppelmethode Circumaural (rondom de oren)
Gewicht zonder kabel 260 g
Aansluitstekker Ø 6.3 mm stereo jackplug
Adapter Ø 6.3 —> 3.5 mm stereo jackplug
Aansluitsnoer OFC 3 m
   
Adviesprijs € 399,=
Garantieperiode 2 jaar na aankoopbewijs excl. accessoires
Importeur Sennheiser Nederland bv, Almere
Tel. 036 535 84 99 | info@sennnheiser.nl

 
  Zachte oorkussens
   

Slotconclusie

U haalt met de Sennheiser HD 650 een geweldige 'alleseter' in huis, die jarenlang luisterplezier garandeert. De 'zit' is prima, al is de beugel in het begin wat aan de strakke kant, waardoor de beide schelpen stevig tegen de oren worden gedrukt. Echter, het zachte materiaal vergoedt veel.

De hoofdtelefoon wordt geleverd in een sjieke, handige opbergdoos, met gebruiksaanwijzing en verloopkabel/plug. Zowel de aansluitkabel als de oorkussens kunnen eenvoudig worden vervangen.

Laat u zich door de alom heersende kredietcrisis en het daarmee verband houdende doemdenken er niet van weerhouden om ondanks de pittige aanschafsprijs er zelf eens kritisch naar te luisteren. Neem dan uw favoriete cd's mee en laat u dan gewoon onderdompelen in een klankenzee die misschien zelfs wel nieuwe perspectieven voor u opent!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links