Audio-apparatuur

Méér dan lage lusten:

REL Q100 actieve subwoofer

 

© Aart van der Wal, juni 1997

 

Het diep(st)e laag is geen absolute voorwaarde om maximaal van muziek te kunnen genieten. Het is veel belangrijker dat de klankbalans, de verhoudingen tussen hoog, midden en laag, goed zijn en de weergave van onze favoriete muziek geen vermoeidheidsverschijnselen oproept. Dat gezegd hebbende is het natuurlijk wel héérlijk als de lage lusten kunnen worden botgevierd! En eerlijk is eerlijk: in het gebied waar de Turkse trom en het diepe orgelpedaal heer en meester zijn, staat de luisteraar heus de nodige verrukkingen te wachten! Dolby Surround doet daar dan nog eens een extra schepje bovenop. Maar er is meer!

Wat is een subwoofer eigenlijk? hoewel het begrip in de loop der jaren aardig is ingeburgerd, blijkt het in de praktijk toch niet mee te vallen om een eenduidige definitie voor dit fenomeen te geven. En zeker al niet omdat een deel van het frequentiegebied waarin de subwoofer actief is, eerder wordt gevoeld dan gehoord. Hearing is believing wordt dan meer feeling is believing. Grosso modo kan worden gezegd dat een goede subwoofer dáár zijn troeven uitspeelt waar de ‘gewone’ luidspreker min of meer ophoudt: het gebied vanaf zo’n 40 tot 50 Hz, de diepte in naar zo’n 20 Hz. In meer muzikale termen: de subwoofer duikt ongeveer een octaaf onder de ‘gewone’ luidspreker. Met de nadruk op ongeveer, omdat er natuurlijk grote verschillen tussen luidsprekers zijn en de ene luidspreker het frequentiegebied anders ‘behandelt’ dan de andere. Niet iedere luidspreker biedt 45 Hz bij -3 dB!

Een of twee subwoofers?

Laaginformatie tot pakweg 150 Hz is niet specifiek richtinggevoelig en dat verklaart ook de plaatsing van een subwoofer onder bijv. een sofa. Of hij fungeert als theetafeltje in een willekeurige hoek van de kamer. Waar die woofer ook wordt geplaatst, de luisteraar zal tóch de indruk hebben dat het laag uit de (beide) stereo-luidsprekers komt. Het localiseren van de laagbron is meer een kwestie van de harmonischen. Het ideaal lijkt natuurlijk om over twee subwoofers te beschikken die laaginformatie in stereo krijgen aangeboden, een ieder geplaatst onder of bij de ‘hoofd’luidsprekers. Het is mogelijk om die stereo-laaginformatie naar de drager (cd/dvd, enz.) weg te schrijven en tot ca. 20 Hz stereo te beluisteren. In de praktijk blijkt echter dat alles onder ca. 65 Hz mono is. Dat is voor het fasegedrag sowieso een zegen, terwijl er aan de opnamekant bij stereo-weergave in het sub-laag nog allerlei factoren zouden bijkomen: bekabeling, (a)symmetrie, bandbreedte en s/r-waarden.
De subwoofer kan dus prima worden aangestuurd met een puur mono-signaal. De stereo-informatie boven de ‘mono-band’ komt uiteraard uit de beide hoofdluidsprekers.

Muzikaal laag

Tussen ca. 20 en 40 Hz is er zowel muzikale als akoestische informatie te vinden. De digitale dragers zijn in dit opzicht in het voordeel, omdat het analoge cassettedeck met gescheiden opname- en weergavekop op zijn best niet lager komt dan 35 Hz, terwijl de goeie ouwe lp in die contreien meer vervorming dan laag ten beste geeft (nog afgezien van de effecten van armresonanties in relatie tot het gebruikte pu-element). Wat vinden we zo tussen die 20 en 40 Hz? Ik neem primair de piano als voorbeeld, omdat dit instrument bij de meeste liefhebbers een min of meer centrale plaats inneemt en omdat de meeste componisten uit de negentiende eeuw zich met de piano intensief hebben beziggehouden. Om te beginnen de uitlopers van het contra-octaaf plus het subcontra-octaaf van de piano (of beter, de vleugel). Om de gedachte bepalen: het subcontra-octaaf bevindt zich 2,5 octaaf onder de centrale (‘sleutel’) c van de piano. Een ‘gemiddelde’ luidspreker (ook alweer zo’n lastig begrip!) geeft het begin van het contra-octaaf al niet meer onverzwakt weer. Terwijl dit octaaf zeker in de pianomuziek uit de negentiende eeuw een belangrijke rol vervult. Beethovens Hammerklavier-sonate mag als schoolvoorbeeld dienen, maar ook bijv. Franz Liszt wist dienaangaande van wanten! Ook de contrabas en de contrafagot spreken in dit octaaf trouwens nog een duchtig woordje mee. Het orgel is zelfs in de láágste regionen van het subcontra-octaaf nog actief. Al is dat dan een kwestie van voelen (in het middenrif!). Ook de grote of Turkse trom kan in de lage regionen zeer imposant zijn. Wie daaraan nog mocht twijfelen moet straks Prokofjevs opera De speler onder Gergiev maar eens aanschaffen. In dit werk trekt de componist ook met dit instrument onverschrokken van leer en ik kan alvast verklappen dat dit werk fabuleus is vastgelegd!
In het lage gebied bevindt zich uiteraard ook akoestische informatie. De subwoofer kan die tot leven wekken en daarmee het realisme van de muziekweergave verhogen. Dat is overigens niet altijd een zegen, want menige opname wordt ontsierd door allerlei bijgeluiden die het muzikale verloop in meerdere of mindere mate kunnen verstoren. Niet in iedere studio wordt met subwoofers o.i.d. gewerkt en dus heeft menige opnametechnicus niet eens in de gaten dat storende bijgeluiden in het lage frequentiegebied in de opname a.h.w. zijn meegebakken! Men denke aan onderaards gerommel van trein of metro, verkeersruis, enz. Maar een feit is dat de eerste seconden vóór de inzet van Bruckner IV - mits goed opgenomen - dankzij de subwoofer een openbáring kunnen zijn, en de strijkerstremoli zich vervolgens a.h.w. uit de akoestiek losmaken en de hoorns een diep sonoor klanktapijt daaroverheen spreiden. Met of zonder subwoofer maakt dat een wéreld van verschil.

Mozart zonder subwoofer?

In het laag graaft Mozarts Linzer natuurlijk niet zo diep als Verdi’s Requiem. Maar het zou een misvatting zijn om te veronderstellen dat Mozart dus best zónder kan. De subwoofer zorgt namelijk ook voor uitbreiding van het instrumentale kleurenpallet in het laag. Baspizzicati krijgen meer impact, meer gewicht en de dynamische grenzen van de opname worden schijnbaar verder opgerekt zonder dat additionele vervorming wordt geïntroduceerd. Het klankbeeld wordt in zijn geheel ontegenzeglijk rijker en geschakeerder, met de volumeregelaar in dezelfde of de gebruikelijke stand. Een verder niet te versmaden voordeel is dat het stereo-beeld met subwoofer beduidend opknapt. De plaatsing van de instrumenten (óók bijv. fluit, Engelse hoorn en hobo!) is beter gedefinieerd en er ontstaat meer ruimte rondom de instrumenten. Dat heeft alles te maken met een verscherping van de akoestische afbeelding. Ik heb mijn bezoek dezelfde stereo-opname (Het Sanctus uit Bachs Mis in b onder Koopman) voorgezet met en zonder ingeschakelde subwoofer en het oordeel was unaniem: de authentieke instrumenten kwam met subwoofer losser in de ruimte te staan, met het koor levensechter t.o.v. het orkest gepositioneerd, terwijl de solisten niet op een kluitje stonden, maar met een meer natuurlijke, ruimtelijke separatie. Het is dus niet zo dat een subwoofer bij uitstek geschikt is voor iemand die bezeten is van de grote trom of alleen maar orgel-cd’s draait. Sterker nog: mensen die in het minst in dat diepe laag waren geïnteresseerd bleken gefascineerd door de direct hoorbare verbetering van het klankbeeld als geheel.

REL

Deze introductie leek me nodig om u in te kunnen wijden in de eigenschappen en prestaties van de REL (naar de bedenker, Richard E. Lord) Q100 actieve subwoofer. Of zoals REL ‘m zelf noemt: Sub-Bass System. Het Britse Rel Acoustics Ltd. was een van de eerste die met kwalitatief zeer goede subwoofers op de markt kwam en inzag dat het niet primair ging om de hoeveelheid aan laag, maar om de kwaliteit ervan. Dus niet het complete signaal door de woofer, gesepareerd door enige condensatoren van een paar kwartjes, met als resultaat een splitsing tussen scherp en dof. Doffe weergave door de woofer en scherpe klanken door uw eens zo fraai klinkende luidsprekers. REL doet echt niets met uw bestaande signaalketen: er is geen enkele waarneembare beïnvloeding van uw hoofdluidsprekers. Fase en tijd blijven onaangetast. De opkomst van de ‘thuisbioscoop’ met de verworvenheden van Dolby surround sound bracht de ontwikkelingen in een stroomversnelling. Vooral de REL Strata werd een kassucces van de eerste orde.

Aansluiten

Aan de achterzijde van dit behoorlijk uit de kluiten gewassen systeem (hxbxd 42x40x43,5 cm, volume 50 liter, gewicht 19 kg.) vinden we een 10 kOhm low level lijningang met phono-aansluiting voor de verbinding met bijv. de lijnuitgang van een (voor)versterker of Dolby surround processor, wel of niet opgenomen in de tapelus (dat hangt mede van de aansluitmogelijkheden van uw versterker af). Dan is er een high level 100 kOhm Neutrik- aansluiting voor 3-pensconnector. Niet een 4-pens omdat dan van correcte aarding van de signaalroute tussen de subwoofer en uw versterker geen sprake meer is en de hele zaak op tilt kan slaan. De Neutrik-verbinding is speciaal bedoeld voor de aansluiting van de subwoofer op de luidsprekeruitgangen van uw eindversterker. De reeds bestaande luidsprekerkabels worden eerst losgekoppeld en vervolgens in parallel met de Neutrik interconnect van de subwoofer verbonden, waarna vervolgens de bekabeling vanaf de versterker en van de hoofdluidsprekers weer kan worden aangesloten. De REL Q100 is dan letterlijk de deugd in het midden. Het is geen lastig klusje, maar het vereist wel zorgvuldigheid en opletten, want kortsluiting ligt bij dit soort zelfwerkzaamheid op de loer! Maak alle aansluitingen alleen met het netsnoer afgekoppeld! Sluit de subwoofer niet eerder op het lichtnet aan dan nadat u alle aansluitingen driemaal hebt gecontroleerd en u ervan hebt overtuigd dat er geen losse draadeinden zijn!! Het is echter deze methode die de beste geluidskwaliteit in de meest gebruikelijk opzet biedt en u maximaal verzekert van de goede integratie tussen uw hoofdsysteem en de REL. Bij toepassing van Dolby AC-3 apparatuur dienen voor het beste resultaat zowel de low als high level ingangen te worden benut. Waarbij het ook mogelijk is om de subwoofer te verbinden met twee subwoofer-uitgangen. Als u het helemáál mooi wilt maken kunnen twéé subwoofers worden ingezet: 1 x verbonden met de linker voor- en achter luidsprekers en 1 x met de rechter voor- en achterspeakers. De bioscoop kan dan figuurlijk gesproken beter bij u op bezoek gaan...

Instellingen

Aan de achterzijde bevinden zich nog een volumeknop, een regelaar om het frequentiegebied aan te passen, een fase- en lichtnetschakelaar en de lichtnetaansluiting.
De instellingen worden gemaakt aan de hand van luistertests. Dat lijkt misschien lastig, maar dat is het echt niet. De kunst is slechts om de juiste klankbalans te vinden. Dat lukt alleen nóóit als u daarmee aan de slag gaat als de verpakking nog maar nauwelijks is opgeruimd. U trapt dan allicht in de bekende beginnersfout: té veel laag! Met behulp van de filter- en volumeregelaars stelt u de laagweergave zó in dat de muzikale balans goed is. Gebruik hiervoor een cd met een behoorlijke dosis (diep)laag. Het kernpunt daarbij is dat het overnamegebied gelijkmatig glad verloopt. Dat is dan ongeveer op het punt waar uw hoofdluidsprekers in het laag tekortschieten (globaal eigenlijk het -6 dB punt). Hoofdzaak is eigenlijk hierbij dat u voorkómt dat de subwoofer in het gebied rond bijv. 100 Hz even actief is als uw hoofdluidsprekers dat daar zijn. Er is dan uiteindelijk zovéél laag beschikbaar dat oncontroleerbaar wordt, dat u onherroepelijk zult worden opgezadeld met iets dat u beslist niet wilt: een boemerige bas van jewelste. Met de faseschakelaar kunnen de frequenties rond het overnamepunt tussen hoofdluidsprekers en subwoofer deels worden ‘uitgeschakeld’. Aan de hand van de twee standen (1 of 2) kunt u zelf bepalen welke stand het meest solide, rigide laag oplevert. In positie 1 is de fase positief (de Q100 produceert dan een ‘positieve’ golfvorm). Samenvattend is bij dit alles het belangrijkste dat de REL niet te luid wordt afgeregeld t.o.v. de hoofdluidsprekers en de afvalfrequentie niet te hoog wordt ingesteld. Als u zich meer en meer bewust wordt van de verschillen die door wijziging van de gemaakte instellingen ontstaan, bent u eigenlijk al aardig op de goede weg. Overdaad schaadt!

Veilig luisteren

De weergave van lage, meer voelbare frequenties op een behoorlijk niveau trekt niet alleen een vrij zware wissel op de versterker(s), maar ook op de luidsprekerconus. REL heeft de Q100 daarom uitgerust met een uitstekend werkend, elektronisch beveiligingscircuit dat voortdurend het uitgangsvermogen van de versterker ‘bewaakt’ en ingrijpt als dit nodig is. In tegenstelling tot vele andere dergelijke systemen zult u van die ‘bewaking’ tijdens normale muziekweergave niets merken: de beveiliging heeft geen enkele invloed op de geluidskwaliteit. Zoals voor alles geldt: mits met verstand gebruikt zal de Q100 niet tot het aanspreken van de beveiliging worden gedwongen.

Plaatsing

Het uiterlijk van de Q100 is conventioneel eenvoudig, met een los front dat u er ook af kunt laten. De gril is zo geconstrueerd dat bij weergave van zeer lage frequenties geen ratelingen kunnen optreden. Het front hoeft trouwens ook geen schoonheidsprijs te hebben, want het is nu juist de bedoeling dat dit richting muur wordt gericht. Gezien het feit dat bij klassieke muziek de bassen meestal rechts zijn gepositioneerd, kan het aanbeveling verdienen om de Q100 ook rechts te plaatsen. Het richtinggevoel mag ook in de psychologische dreven best een rol meespelen.
Plaatsing heb ik niet als echt kritisch ondervonden. Wel bleek bij plaatsing vlakbij een stevige muur de laagweergave nog dieper minder verzwakt door te lopen. Ik heb het niet afdoende kunnen controleren (metingen zijn al lastig, laat staan in de onderste octaven), maar het in de fabrieksspecificatie aangegeven -6 dB punt bij 20 Hz leek me in dit geval toch aan de bescheiden kant! De bijgeleverde spikes dienen altijd te worden gemonteerd. De kast fungeert anders niet meer als drukkamer en worden hoge fluittonen via de openingen hoorbaar.

Systeemresonantie

Een van de belangrijkste kwaliteiten van de REL Q100 is wel dat het systeem werd ontworpen om beneden de normale systeemresonantie te werken en zonder dat daarbij gebruik hoefde te worden gemaakt van elektronische hulpmiddelen. De 30 cm conus stort dus niet de gevreesde niet-lineaire vervormingsproducten over u uit. De ‘stijfheid’ van de luchtmassa achter de conus verhindert een boemende basweergave en sterke kleuringsaccenten in het (sub)contra-octaaf. U blijft verschoond van wapperend en walmend laag en u herkent ook onmiddellijk het Engelse adagium true bass is never forgotten.

Hoe klinkt het?

Het zal voor u niet verrassend zijn dat het imposant is! En passant blijkt dan ook nog dat in talloze opnamen véél meer laaginformatie zit dan u voor mogelijk had gehouden. Dat geldt voor de door Legge geproduceerde Callas- en Klemperer-opnamen evengoed als voor een onlangs verschenen Liederrecital. Voor de orgelliefhebbers: héél bijzonder waren weer de opnamen uit de Martinikerk in Groningen en de St. Nicolaaskerk in Vollenhove (Fidelio Prestant 6609 en 6604). De Q100 toverde de huiskamer bijna levensecht om in een kathedráál! Maar vergist u zich niet, een eenzaam klavecimbel (Gustav Leonhardt op Philips) behoudt al zijn fijnzinnige klankkleurschakeringen, maar wordt dan wèl fabelachtig in de ruimte afgebeeld! Nergens bekruipt je het gevoel van ‘t is teveel van het goede. Kamermuzikale proporties worden door de Q100 absoluut niet aangetast, terwijl zoiets simpels als de marsen van Sousa (Mercury) of de Marinierskapel (Markap) aan een nieuw leven kunnen beginnen!

Conclusie

De REL Q100 actieve subwoofer doet méér dan tegemoetkomen aan lage lusten. Niet alleen bijv. de grote trom, het orgel en de diepe bas winnen sterk aan realisme, maar het uitgekiende concept met de vele instelmogelijkheden verbetert bovendien het stereo-beeld, schept extra ruimte rond de instrumenten en plaatst de muzikale prestaties in een breder kader. De instrumentale kleurschakelingen komen nog beter tot hun recht, terwijl met name het symfonische repertoire meer impact demonstreert, zonder dat de volumeregelaar op een hoger niveau hoeft te worden ingesteld. Voeg daarbij het droge, transparante karakter en het gemak van de laagweergave en het zal duidelijk zijn dat de REL Q100 een aanzienlijke portie méérwaarde aan de muziekbeleving in de huiskamer toevoegt. Deze subwoofer is - ook de prijs in aanmerking nemende - natuurlijk niet het laatste woord op dit gebied. Zo levert REL ook systemen zoals de Studio II die maar liefst bijna f. 11000 kost. Of de ST-serie, waarvan de goedkoopste f. 1895 en de duurste bijna f. 6000 kost. Wat niet wegneemt dat de aantrekkelijk geprijsde REL Q100 uw muzikale horizon zéker kan verleggen! Voor de Dolby AC-3/Prologic adepten is er overigens de REL Q100E (f. 1700) met speciale schakelingen.


____________________________
REL Q100 actieve subwoofer: f. 1500 (minus psychologische gulden)
ingebouwde versterker: 100 W rms, gain control 80 dB.
frequentiebereik: 20-120 Hz, -6 dB bij 20 Hz (zie tekst)
afwerking: kastmateriaal 15 mm mdf met grittex (zwarte spetterlak)
afmetingen, kastinhoud en gewicht: bxhxd 420x400x435 mm, 50 liter, 19 kg.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links