Audio-apparatuur

6 luidsprekers getest:

KEF, DALI, TAF, BNS, CELESTION en HEPTA

 

© 1994 Ruud Janssen en Aart van der Wal

 

Wij waren deze keer te gast in de akoestisch op maat gesneden studio (50 m2) van Audioart in Utrecht, ontwerper en fabrikant van o.a. de bekende Van Medevoort-versterkers, converters en accessoires. Waarvan we voor deze tests naar hartelust gebruik konden maken en dat werkte wel zo gemakkelijk en efficiënt. Na afloop waren we over het verloop dermate positief dat het ons een goed idee lijkt om in de naaste toekomst ook luidsprekertests te houden in andere akoestisch daarvoor geschikte ruimten.

Voor deze luidsprekertest maakten we gebruik van de Van Medevoort CA222 voor- en PA222 eindversterker en de DA222 digitaal/analoog-converter in combinatie met het loopwerk van de Sony 557 cd-speler. Met de door ons uitgekozen 'software' (u vindt daarvan een summiere opgave aan het einde van dit artikel) kunnen luidsprekers vrij snel op hun kwaliteiten én gebreken worden beoordeeld, waarbij we in geval van twijfel ook nog de beschikking hadden over test-cd's (met o.a. glijdende tonen om resonanties op te sporen en frequentie- en ruissignalen die voor de aanvullende beoordeling van de muzikale prestaties van belang kunnen zijn).

Gemeten werd er niets, maar geluisterd des te meer. Bi-wiring en bi-amping bleven buiten schot: we sloten alle luidsprekers recht-voor-z'n-raap op de uitgangen van de eindversterker aan (links en rechts + en -). Alle exemplaren werden op een vaste positie en zonder spikes of andere hulpmiddelen, op 1 meter van de wand en wèg van de hoeken geplaatst. De afstand tussen de speakers en tot de luisterplaats bedroeg 2,30 m.

De luidsprekerparen werden na elkaar met redelijke tussenpozen beluisterd, waarbij het sjouwwerk niet werd geschuwd om in ieder geval te voorkomen dat de laatste luidspreker(s) de beste en de eerste de minste indruk achter zou(den) laten. Soms werd de confrontatie in directe vergelijking herhaald om specifieke eigenschappen van de diverse exemplaren nader aan de tand te voelen. Om het leesgemak te bevorderen werden de individuele notities van de beide recensenten in deze recensie samengevoegd.

DALI 450

De Denen pakken behoorlijk uit: zonder enige twijfel zet de Dali 450 een fraai en evenwichtig klankbeeld neer. Ook bij wisselend volume en onafhankelijk van de frequentie blijft het stereobeeld stabiel en overtuigend. Soms wordt de indruk gevestigd dat de musici zich zelfs ook achter de luidspreker bevinden. De hoogweergave is sprankelend maar niet zonder geringe accenten, het middengebied is rustig, zelfs aan de saaie kant, maar gelukkig vrij van pieken.

We noteerden: 'een rondborstig en vriendelijk karakter, ook in het overgangsgebied van het midden/hoog'. Dat laatste viel iets meer op omdat het fijn getekende hoog weinig verbloemt en behoorlijk ver doorloopt. Von Otter lijkt echter vanachter een voile te zingen, het a-capellakoor in Tallis en de violen in Händel, Pachelbel en Mozart hebben een metalig randje, terwijl de strijkers tegelijkertijd enige matheid niet kan worden ontzegd. Perrahia lijkt in het slotdeel van Beethovens op. 2/1 met de klep halfopen te spelen en missen de impulsen de wèl in de opname aanwezige felle attaque.

Dit patroon herhaalde zich in de weergave van het klavecimbel; ook hier de indruk van de klep halfopen in Bachs Allemande. In de onverbiddelijk schetterende coda van het openingsdeel van Bruckner VII worden de violen onmiskenbaar onderbelicht. In het laag scoort de Dali het beste van alle deelnemers: het is niet alleen behoorlijk strak, maar het heeft meer body en loopt ook wat verder door. In de diepere regionen wappert het niet en wordt het beeld niet rommelig.

De treurmars van Grégoir is goed opgenomen en wordt ook als zodanig weergegeven. Het zachte orgelpedaal in Respighi is, zij het verzwakt, direct herkenbaar als het er is. In het Adagio van Beethovens op. 2/3 worden de zware basnoten droog en stevig weergegeven, maar blijven goed in balans met de discant. De Dali is zonder meer geschikt voor het grote symfonische repertoire: in de hevigste uitbarstingen (Respighi en Bruckner) wordt het nooit ketelmuziek en komt het geluid goed los van de kast.

Het algehele klankkarakter werd ondanks de gememoreerde beperkingen toch als prettig ervaren. Je zou kunnen zeggen dat in dit geval het totaal aanzienlijk meer is dan de som der delen. De klankbalans is goed, stemmen en instrumenten worden overtuigend afgebeeld en het stereobeeld blijft onder alle omstandigheden stabiel. Dit is geen luidspreker die gauw tot luistermoeheid zal leiden en met solo-repertoire en kamermuziek evengoed overweg kan als met het grote symfonische werk.

TAF PILOTIS

Leuk bedacht: het Franse pilotis is ietwat vrij vertaald een heipaaltje en het uiterlijk van de in de TAF-traditie uit polycreet opgetrokken, slanke zuil heeft er veel van weg. Deze luidspreker komt voor wat betreft de kwaliteit van midden en hoog heel dicht in de buurt van de KEF Q70 (die het qua oplossend vermogen en helderheid in dit zo belangrijke gebied toch nog wint) en scoort in het overgangsgebied van midden naar laag zelfs nog iets beter.

Fris, open en prettig(!) pittig zijn de belangrijkste kwalificaties. Dat was geen echte verrassing, want in de Pilotis zijn dezelfde eenheden toegepast als in de succesvolle Synergie. Het laag is vrij van 'rommel', maar met het langste pijpje wat aan de dunne kant. Wij kregen het beste resultaat met het middelste formaat en dan klinken de contrabassen zelfs strak en homogeen. Je merkt echter nauwelijks iets van het orgelpedaal in Respighi en vrágen de treurige, diepe orgelklanken van Grégoir om wat meer nadruk in het laag. In Tallis werden de onvermijdelijke s-klanken weliswaar een fractie benadrukt, maar het effect ervan bleef nog ruim binnen de marge van de appreciatie.

Het klavecimbel heeft in de Philips-opname grote allure en dat laat de Pilotis ook oprecht horen. De kleuring in het kritische middengebied is minimaal: Von Otters stralende mezzo mag het zonder laagje vernis stellen en de pittige pianoklank in Beethovens op. 2/1 blijft moeiteloos overeind. Alle boventonen van het zo karakteristieke orgelregister worden saillant weergegeven. Dalen we in toon bij de Pilotis dan zakt zo rond de 50 Hz de weergave tamelijk snel weg.

Uit een 16 cm conus haal je natuurlijk niet het diepe laag dat de flink wat grotere conussen kunnen rondpompen. Met het 'gemis' wordt echter subtiel omgesprongen: het laag dat er is, klinkt prachtig. Felle uitbarstingen in het symfonisch repertoire leiden niet tot hoorbare congestie, al weten we natuurlijk allemaal dat je uit zo'n zuiltje met bescheiden gedimensioneerde weergevers sowieso geen redelijk levensechte Bruckner VII kunt toveren.

Uit alles blijkt echter dat veel zorg is besteed aan de klankbalans en alle in het oor springende oneffenheden keurig zijn weggewerkt of onderdrukt, wat op zich veel belangrijker is. De rigide polycreet-behuizing en de blijkbaar geraffineerde demping lijken weer even effectief om ongewenste kleuring tegen te gaan. Bij de hevigste uitbarstingen zijn kasttrillingen nauwelijks voelbaar. Wij vinden de Pilotis dus zéér geschikt voor kamermuziek en kleinere orkestbezetting en niet in de laatste plaats dankzij het stabiele stereobeeld waarin je de musici als het ware kunt uittekenen. Voor stevige orgelklanken, het hevigste Mahler-geweld en de laatste stuiptrekkingen van Wozzeck ligt de Pilotis dus minder voor de hand. Het is geen alleseter, maar eerder een muzikale fijnproever die zelf gedoseerd genoten moet worden en zo heeft TAF - zoals blijkt uit de meegeleverde documentatie - het ook bedoeld.

De aparte schakelaar voor hoog-op en af (lastig bereikbaar, want die zit aan de onderkant) is voor eventuele aanpassing van de weergave aan de akoestische omstandigheden. Door zijn grote gewicht van ruim 40 kg, slanke postuur en betrekkelijk geringe afmetingen van de voet is de luidspreker topzwaar - om niet te zeggen: gevaarlijk topzwaar! Denk hierbij aan knus rondkruipende huisgenootjes in Pampers. Maar ook zal de 'kortharige Europees' des huizes, wanneer deze nietsvermoedend binnen een metertje rond de Pilotis zonder grondplateau rondscharrelt, een verhoogd risico lopen om als basis voor notabene hóndevoer te moeten dienen. Navraag leerde dat TAF voor de Pilotis een stevig roestvrijstalen grondplateau levert.

Om ook te voorkomen dat het 'heipaaltje' in het gunstigste geval(!) met donderend geraas de kruipruimte van de premie-A woning ingaat, adviseren we dat die grondplaat inderdaad wordt aangebracht. Het gebruik van banaanstekers vormt een probleem: de luidsprekeraansluitingen onderin de luidsprekervoet zitten daarvoor te dicht bij de grond. De aansluitingen blijven echter zoals ze zijn, want voor langdurig gebruik ziet TAF namelijk niets in banaanstekers. Hoezo dwingend? Hier corrumpeert niet de macht, maar de verbinding...

BNS Ellessy-33

Luidsprekerbouwer Vandenberghe uit Loon op Zand blaast al jaren zijn partijtje duchtig mee en niet alleen op vaderlandse bodem! Het klankbeeld van de Ellessy-33 lijkt vooral op dat van de Dali 450. Een luidspreker die niet snel zal vervelen en een rustige afbeelding van de opname presenteert. Er is wat kleuring in de overgang van midden naar hoog, het middengebied lijkt enigszins teruggehouden, het laag is aan de vlakke kant en minder puntig (dat blijkt al snel uit de beginmaten van Respighi's Pijnbomen langs de Romeinse Via Appia), terwijl de impulsen in Beethovens op. 2/1 de vereiste scherpe attaque missen.

Over de pianodiscant en vooral over de twee octaven rechts van de centrale (sleutelgat) C ligt heel dun gaasje met soms een ineens opduikend neuzig effect. De goede klankbalans maakt veel goed, maar bij kritisch luisteren en vergelijken merk je toch dat de BNS niet het maximale uit de opname weet te halen. Vriendelijk, rustig, rondborstig ook, maar met een klein scheutje melk in de thee: je kijkt niet tot aan de bodem van het volle kopje.

Net als bij de Dali wordt het hoog goed opgetekend, maar valt het middengebied iets terug. De strijkers in Mozart, Pachelbel en Händel zijn aan de saaie kant. Nadat we het frontdoek hadden verwijderd (geen gemakkelijke klus, want het doek zit als een kous strak om de zuil gespannen en roept daardoor zelfs bepaalde associaties op...) was er echter ineens iets méér helderheid en transparantie te registreren. Dat doek lijkt ons dus voor verbetering vatbaar. Het stereobeeld is en blijft ook onder wisselende omstandigheden stabiel: de plaatsing van de instrumenten is goed, de musici blijven keurig op hun plaats.

Groot orkestwerk komt goed los van de kast en blijft ook bij stevige fortissimi open genoeg met een apart compliment voor de weergave van het koper in vol ornaat. Ook bij de BNS zijn de zwoegende strijkers in de coda van het openingsdeel van Bruckner VII ondervoed en krijgt de stralende stem van Von Otter niet volop kansen, wat weer wordt verklaard door het teruggehouden middengebied. Dit soort zaken valt echter alleen op bij opnamen die je goed kent en in directe vergelijking met sommige andere deelnemers.

We hoeden ons dus voor overdrijving! In het laag zien we het bekende beeld van luidsprekers in deze prijsklasse en van dit formaat: de laagste E van de contrabas (41 Hz) zal niemand ontgaan, maar daarna valt het laag vrij snel weg en blijft van het orgelpedaal in Respighi weinig substantieels over. Het klavecimbel is een van de meest kritische instrumenten voor het aantonen van kleuring en ook in dit geval miste de Allemande haar uitwerking niet: we vonden slechts de bevestiging van hetgeen we al eerder hadden opgetekend, d.w.z. geen optimale doortekening, maar wel zéér aangenaam klinkend.

Voor vol orgel en orkest gaat deze BNS bepaald niet opzij: als het op volume aankomt, staat hij zijn mannetje en wordt het klankbeeld niet groezelig of rommelig. Het geluid komt ook goed los van de kast.

Celestion 100

Een luidspreker die weinig ruimte vraagt, wat helaas ook geldt voor deze recensie, want dit gerenommeerde merk met prachtige luidsprekers in het programma is met deze in kwalitatief opzicht sterk achterblijvende 100 moeiteloos dè onverwachte hekkesluiter in dit gezelschap. Voor alle duidelijkheid: we houden daarbij rekening met het feit dat het niet gaat om een luidsprekerset die deel uit maakt van een stereotorentje afkomstig uit de eerste de beste Witgoed & Herrie op de hoek.

Voor de luidspreker inclusief standaard moet de lieve somma van zo'n 1200 gulden per stuk over de toonbank. Enkele direct opvallende details. Het laag klinkt rommelig en dun, het middengebied neigt in de sterke passages (Respighi en Bruckner) naar krampachtige tot benauwde weergave en ook het hoog heeft beslist moeite om bijvoorbeeld fatsoenlijk met de s-jes (Tallis) om te gaan. De woofer en tweeter vormen zo te horen geen eenheid. De weergave van akoestiek is zo plat als een dubbeltje.

Het stereoperspectief beperkt zich tot uiterst links en rechts met weinig er tussenin en niets in de diepte. Het geluid lijkt aan de kast te kleven en het geheel klinkt alsof de fase niet juist is. Strijkers zowel solo als in groepen klinken van hoog tot laag metalig. Het orgel (Grégoir) lijkt uit de speelgoedwinkel te komen. Geen speaker om een goed opgenomen Bechstein van een Steinway te onderscheiden. De luidspreker laat zich van zijn beste kant horen als er weinig dynamiekvolle 'muziek' op het menu staat: kamerorkesten met risicoloze frivole concertjes van het brave een-recht-een-averecht-allooi.

Als het echter aankomt op het weergeven van muziek met ruggegraat en er bijvoorbeeld een heuse Mahler- of Brucknersymfonie op los wordt gelaten, vergaat snel het plezier er naar te luisteren. De Celestion 100 is bepaald geen boekenplank-luidspreker, maar ook geen vloerstaand model en hoort dus op stands te worden geplaatst. Aan de onderzijde van de kast ontbreken echter de schroefgaten voor de nagelvaste verbinding met het statiefplateau. Dat deugt akoestisch niet en de familie doorzon (het gebeurde ons ook bijna) loopt kans de speaker er per abuis af te duwen. Een regelrechte afrader, deze Celestion. Jammer!

Hepta Four Tune

De nog betrekkelijk jonge telg van de Zaanse luidsprekerfabrikant Hepta kreeg de naam Four Tune (staat voor 'vier units' en de vier in 40 jaar Hepta; 'Tune' staat voor muziek of zo men wil, vrolijk wijsje, vertrouwde de ontwerper ons toe - we geven het maar even door). Het 90 cm hoge MDF-kastje herbergt een viertal units: twee 17 cm woofers in de kastzijkanten resideren; in het front huist direct naast een 25 mm midden-hoogeenheid die vanaf 2000 Hz zijn best doet, ook nog een 9 mm dome om het hoog boven de 10 kHz in sterkte te verdubbelen.

Direct tijdens het tot klinken komen van het eerste muziekfragment was duidelijk uit welke stal de luidspreker kwam: onmiskenbaar een Chris & Cris (Rutgers)-ontwerp. Sinds jaar en dag maakt het duo zich sterk om vriendelijk klinkende luidsprekers te maken. Doorgaans is het meest markant klinkende gebied in hun ontwerpen het laag. Dit geldt ook voor de nog niet zo lang geleden ten doop gehouden Four Tune al kregen we de indruk dat het laag bij de nieuwkomer wat meer dan een gemiddelde Hepta-luidspreker overbloest. Het is alsof de 16 voeters van Het Bätz-orgel (Grégoir) in de Grote zaal te Den Haag - van nature al voorzien van een vorstelijk fundament - er opeens een extra rij pijpen van minstens dezelfde koninklijke mensuur hebben bijgekregen.

De kwaliteit van de middentoon scoort zo te horen hoog: een groot bezwaar is echter dat de woofers en de middentoon-eenheid niet optimaal op elkaar aansluiten. Elektrisch zal het ongetwijfeld deugen maar in akoestisch zin zit het niet lekker. Hiervoor is hoogstwaarschijnlijk de plaatsing van de units verantwoordelijk. Voor het straffeloos om een hoekje plaatsen ervan is de 2000 Hz wisselfrequentie beslist aan de hoge kant. Immers lang voordat de wisselfrequentie is bereikt, gaan beide woofers van rondom geluid afstralen het geluid bundelen. Wat populair gezegd: deels komt nu het geluid om een hoekje terwijl dat eigenlijk door de in het front geplaatste middentoon/tweeter had moeten worden weergegeven.

Iets van de onrust in het geluidsbeeld wordt in het uiterste hoog nog wat versterkt door de 9 mm dome. Twee dicht bij elkaar geplaatste units leveren, als ze in hetzelfde (hoge) frequentiegebied op volle sterkte werkzaam zijn iets als de Oud-Hollandse buiken en knopen van de (MAVO-/HAVO-/VWO-)natuurkundeles op. Voorts bezit de 9 mm Audax-tweeter een z.g. akoestische lens die tot doel heeft de tweeter een meettechnisch betere spreidingskarakteristiek te geven. Het nadeel is dat zo'n lens weliswaar die spreiding verbetert maar het verloop ervan hoorbaar onrustig beïnvloedt. Ook hier geldt dat venijnige knoopjes en buikjes desorienterend roet in het eten gooien.

Omdat de midden-hoogunit zo te horen prima in staat is om het geluid met een nog heel behoorlijke spreiding tot ver voorbij de gehoorgrens weer te geven, denk ik dat het domweg verwijderen van de 9 mm dome een behoorlijk stuk rust in het uiterste hoog zal geven. Bij boventoonrijke instrumenten als strijkers, klavecimbel maar ook slagwerk en vulstemmen van orgels is het een en ander goed waarneembaar. Het simpelweg afsluiten van de tweeter-opening liet onmiddellijk het verschil horen!

KEF Q70

De Q70 is een driewegsysteem met twee poorten. Het geheel is op een stevige en stabiele plint gemonteerd. Naast de Uni-Q eenheid voor midden en hoog zijn er twee woofers voor het laag die vanaf ca. 350 Hz hun volle muzikale gewicht in de schaal gaan leggen.

De Q70 verschilt van de zeer positief ontvangen Q10 door de beide woofers en het wekte dan ook geen verbazing dat het een feest der herkenning werd. Dit is dè luidspreker voor midden/hoog, maar een kleine domper op de feestvreugde is dat de overgang van het midden/laag niet zonder kleuring is en typisch de effecten van de basreflex in een bescheiden opzet laat horen. Binnen de normale toonomvang van cello en contrabassen is het volume groter dan de strakheid, ontbreekt het droge karakter ('true bass is never forgotten') en is de klank in deze regionen wat zompig.

Misschien de bewuste keuze van de fabrikant: gegeven de prijsklasse liever voorrang gegeven aan een behoorlijk basvolume dan aan strakheid in het laag, wat blijkbaar ook effect heeft op de overgang van laag naar midden. Maar daar staat zóveel positiefs tegenover, dat wij deze Q70 van alle hier onderzochte luidsprekers toch het meest als all-rounder waardeerden. Op dat midden/hoog kan ménige luidsprekerfabrikant ronduit jaloers zijn, terwijl deze KEF ook werkelijk gróót klinkt. Dat zou je van de afmetingen niet afleiden.

Alleen TAF's Pilotis benadert de doorzichtigheid, het echt heldere karakter en de fraaie doortekening van deze KEF die zijn naam in letterlijke zin gelukkig geen eer aandoet! Maar de zuil van TAF is zoals gezegd geen alleseter. We horen Von Otter (Händel) niet achter de vitrage, maar levensecht in de kamer, het klavecimbel (Bach) staat als een huis, het orgel (Grégoir) wordt kraakhelder en zonder enige scherpte gestileerd en de natuurlijke klank van de bassethoorn in het hogere register (KV 622) is hartverwarmend. Beethovens op. 2/1 biedt haarscherp geprofileerde impulsen en een volmaakt weergegeven discant. Razendsnelle glissandi zijn noot voor noot te volgen en dit alles wordt ingebed in de best denkbare klankbalans.

Groot orkest is voor de KEF 'gefundenes fressen': enorme volumes worden moeiteloos verwerkt zonder dat het orkestrale koloriet wordt aangetast. Het sonore koper in Bruckner VII, de verzadigde strijkersklank in het Adagio, de helder articulerende strijkers in Pachelbel, het is allemaal zeer overtuigend. De Tallis Scholars (Tallis) klinken zeer homogeen met bescheiden s-klanken en de akoestiek lijkt los te komen van de speakers. We waande ons zo in de harde houten kerkbanken van Merton College Chapel te Oxford. De akoestiek - een van de schaarse opnamen waarop ze te horen is - wordt door de set KEF-en precies in het juiste verhoudingen weergegeven. Het bekende orgelpedaal (Respighi) werd ook door de Q70 verzwakt weergegeven, maar is onmiddellijk herkenbaar.

Het stereobeeld is mooi breed, heeft diepte, laat kortom niets te wensen over. Het Uni-Q principe zorgt ervoor dat je rustig kunt rondwandelen met behoud van het stereoperspectief. Eigenlijk een volmaakte dynamische luidspreker, ware het niet dat het midden/laag het niveau van midden/hoog net niet haalt. Misschien valt dat wel iets meer op, omdat de rest zo goed is. Duidelijk is evenwel dat de Q70 tot de selecte groep van de goede tot zeer goede luidsprekers mag worden gerekend en dan ook nog in een overzienbare prijsklasse. Alles afwegende: je komt geen syllabe aan muziek in het zo belangrijke gebied tussen 2 en 10 kHz tekort en de concessie aan het midden/laag is in dit licht bezien nogal marginaal.

Gezien de inhoud van de kast en vooral de diameter van de woofers is het volstrekt logisch dat er in het laagste laag wat weinig grondtonen te horen zijn. Dat lijkt dramatisch maar is in de praktijk een minder groot bezwaar. Het wordt natuurlijk wat moeilijk als de luisteraar pas uit het dak gaat van 16 voets orgelregisters (de C in het groot octaaf is goed voor een grondtoon van even boven de 30 Hz) die de kopjes in het dressoir laten rinkelen. Dan moeten wij u teleurstellen, dat fundament komt gewoon niet uit deze KEF-en en ook niet uit de andere vijf. Luidsprekers die tegemoetkomen aan een brandend verlangen om uitbundig de ondergrens van het geluidsspectrum goed(!) voor de dag te toveren, vindt u niet in deze prijsklassen. Een ander driewerf hoera geld voor de Nederlandstalige gebuiksaanwijzing; de vele nuttige tips zijn een welkome hulp om zowel het opstellen als aansluiten succesvol te laten verlopen.

Conclusie

Het is niet eenvoudig om per luidspreker enige kernpunten op te sommen en daaraan een bondige conclusie te verbinden, maar dat doet onrecht aan de individuele eigenschappen van de geteste modellen. Bovendien mag je van luidsprekers in deze prijsklassen wel iets goeds, maar geen wonderen verwachten. Geen enkele hier geteste luidspreker komt er zonder meer of mindere kleerscheuren vanaf. Alles afwegende wordt de KEF Q-70 ondanks de kleuring in het midden/laag overgangsgebied en een wat zompige laagweergave door ons als all-rounder het hoogst geklasseerd, op de voet gevolgd door de TAF Pilotis die in het kleinschaliger repertoire uitblinkt. Dan komen de Dali 450 en de BNS Ellessy-33 door hun vriendelijk karakter, maar neigende naar onderbelichting. De Hepta Four Tune is onrustig in het middengebied en in het uiterste hoog. De Celestion 100 heeft te veel gebreken om bij illustere voorgangers en tijdgenoten van dit merk te passen.

Beluisterde opnamen
Archiv-sampler 449123?2, track 11: Händel/Von Otter.
Gimell CDGIM 007, track 1: Tallis/Tallis Scholars.
Gimell CDGIM 016, track 1: Shepperd/Tallis Scholars.
Philips 416141?2, track 2: Bach/Leonardt.
L'Oiseau-Lyre 414339?2, track 3: Mozart KV 622/Pay/AAM/Hogwood. NM Classics 92031, track 5: Grégoir/Gert Oost
Sony SK64397, tracks 3 en 10: Beethoven/Perrahia.
Archiv 427118?2, track 8: Pachelbel/MAK/Goebel.
Decca 410145?2, track 4: Respighi/Montréal/Dutoit.
Philips 420805?2, track 1 en 2: Bruckner/Haitink.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links