Audio-apparatuur

Analoge volhouder in het digitale domein:

Dual CS 505-4 draaitafel met Denon DL-160 element

 

© Aart van der Wal, januari 1997

 

Mijn eerste, met mijn zakgeld opgespaarde platenspeler was de Dual 1010 en ik herinner me nog als de dag van gisteren dat ik ergens in de eerste jaren van ‘60 samen met de heer De Ranitz van importeur Rema van het ronkende tussenwiel probeerde af te komen. Naast de beperkingen van de arm (die er toen in combinatie met een heus Dual kristal-element eigenlijk weinig toe deden) was het toch vooral dat onbestemde gerommel dat het vierde deel van Beethovens Pastorale (een vervolgens grijs gedraaide Supraphon-opname) nóg onheilspellender maakte. Terugkijkende op die tijd die bol stond van audio-hobbyisme en mij en zovele anderen langs de snoepjes van Thorens, Lenco, ADC Pritchard, Ortofon, Shure, ADC, Stanton en ettelijke andere voerde, verzucht ik weleens: nostalgie, dat was ééns maar komt nóóit meer! Dual ging ook met haar tijd mee en dus maken ze al jaren in een modern jasje gestoken, betrouwbare draaitafels zónder tussenwiel en met schitterende armen. De Dual CS 505-4 maakt, ondanks enige detailkritiek, daarop geen uitzondering.


Er is nog steeds grote belangstelling voor draaitafels, armen en elementen. Dat blijkt althans uit de lezerspost en telefoontjes die ik over dit onderwerp krijg. Waarbij het verbazingwekkend is dat lezers ook op andere continenten de pen of de telefoon grijpen als het om hùn lp-collectie gaat. Zo kreeg ik reacties uit Amerika, Spanje, Portugal, Griekenland, Frankrijk, Hongarije, Engeland, België en natuurlijk Nederland. Twee willekeurige voorbeelden. Een lezeres met een behoorlijke lp-collectie, woonachtig op een minuscuul eilandje ter hoogte van Florida, was al máánden op zoek naar een ‘behoorlijke draaitafel’. Ik kon haar aan een distributeur helpen. Een lezer in de Portugese Algarve slaagde er maar niet in om een handelaar te vinden die hem een fatsoenlijke draaitafel kon leveren. Of ik uitkomst kon bieden? Dat kon ik gelukkig en hopelijk is hij inmiddels zéér gelukkig met de nieuwe spullen!

Ware eenvoud

Wie denkt dat het voor het ultieme lp-genot noodzakelijk is om een peperdure draaitafel annex Centurion-tank in huis te halen heeft het mis. Het is evenmin nodig om een klein vermogen neer te tellen voor een goede arm, de vele futuristische ontwerpen op dit gebied ten spijt. In de jaren ‘60 en ‘70 konden we voor een bedrag van nog dik onder de tweeduizend gulden een werkelijk superieure combinatie kopen (bijv. een Thorens TD 125 met Ortofon arm en een Shure V-15 topvlieger), maar tegenwoordig tel je blijkbaar pas mee als er een combinatie van rond twaalf mille (inclusief inflatie én prijserosie) staat te pronken. Er zijn draaitafels die ettelijke malen méér kosten dan een cd-speler uit de topklasse. Ik vind dat buiten alle proporties. Evenals bij zovele andere audioproducten hebben sprookjes blijkbaar een grotere aantrekkingskracht dan de realiteit. Het buitenplateau hoeft dus niet van Toscaans marmer te zijn en een plint die is vervaardigd uit een houtsoort die alleen nog aan de westkant van Oost-Timor voorkomt, hoeft ook niet per se. Het installeren van al dit fraais vraagt soms bovendien minstens H.T.S.-nveau of een importeur/handelaar die er echt verstand van heeft. Ik gun iedereen zijn plezier, maar je haalt er geen noot méér of béter Mahler mee in huis. Terwijl de aan de lp inherente beperkingen natuurlijk onverminderd overeind blijven.

Eisen

De goede draaitafel is een stille dienaar die zonder trillingen en met de correcte en constante snelheid van 33, 45 of 78 t. per minuut zijn rondjes draait. Niets meer, niets minder. Dat wiel is járen geleden al uitgevonden, maar sommige fabrikanten doen net alsof dat pas gisteren (en natuurlijk in hún fabriek) was. Laat u zich dus niet van de wijs brengen! Denk ook niet dat een Super-de-Luxe arm die is voorzien van talloze snufjes a priori béter is dan een eenvoudig uitgevoerd exemplaar. Uit ervaring weet ik weet ik dat dit niet zo is. Als u voor een draaitafel zonder arm meer moet betalen dan pakweg tweeduizend gulden mag u wat mij betreft best eens de stormbal gaan hijsen. Met een beperkt budget zijn heus prima draaitafels te koop, zoals deze Dual CS 505-4. U kunt uw zuurverdiende geld beter besteden aan nuttiger zaken (nu her en der spotgoedkoop te krijgen lp’s bijvoorbeeld...)

Meedraaiende platenborstel

Nat afspelen (buis + vloeistof) stelt hogere eisen aan de aandrijfmotor. Er is meer trekkracht nodig en ook zal de servo-sturing van goede kwaliteit moeten zijn om de snelheid constant te houden. De vloeistof wordt immers gaandeweg verbruikt en dus neemt het opleggewicht af. Instelbare fijnafregeling van het toerental kan in sommige gevallen een voordeel zijn: sowieso voor diegenen die over een absoluut gehoor beschikken, maar ook als u bijv. met de lp wilt meemusiceren. Het is ook iets comfortabeler om niet alleen aangewezen te zijn op de door de fabrikant ingestelde, onveranderbare snelheid. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die verdere fijnafregeling noodzakelijk maken en het is gewoon prettig als die aanwezig is. Essentieel is echter de servo-sturing die elektronisch iedere snelheidsvariatie onmiddellijk corrigeert. Een draaitafel die daarmee niet is uitgerust deugt mijns inziens niet. Geen enkele motor is bij wisselende belasting een constante factor en moet elektronische bijregeling in een fractie van een seconde mogelijk zijn. Want niet alleen lichtnetfluctaties, maar zelfs zwaar gemoduleerde lp-groeven en het voortploegende element hebben reeds invloed op de omwentelingssnelheid! Ook hier zitten trouwens weer adders onder het gras: ik heb draaitafels onder handen gehad die van servo-sturing waren voorzien, maar waarbij het medicijn veel erger bleek dan de kwaal. De servo-elektronica zorgde er althans voor dat de omwentelingssnelheid juist nóóit constant was.

Snaaraandrijving

Direct aangedreven draaitafels (Direct Drive) zijn geruime tijd in de mode geweest, maar de meeste fabrikanten grijpen toch terug op de conventionele snaaraandrijving. Wat logisch is, want er mogen dan minder hoge eisen aan de aandrijving worden gesteld. De motor hoeft niet vlakbij de draaitafelspindel te worden gemonteerd en krijgt brominductie minder kans. De rubbersnaar die het plateau met de motor verbindt vormt bovendien een natuurlijke barrière voor de door de aandrijving veroorzaakte resonanties en bijgeluiden. Dat kan, naarmate de tijd verstrijkt, trouwens een factor van belang worden, omdat het onstuitbare slijtageproces ook aan een in beginsel perfecte aandrijving knaagt. Hoe minder daarvan naar het plateau en dus de lp en het element kan doorspijpelen, des te beter het is. Er kleven aan snaaraandrijving weliswaar enige nadelen, maar die zijn overzienbaar: het starten verloopt traag en soms schuddebuikend en na verloop van tijd zal de snaar moeten worden vervangen. Dat laatste is een kwestie van een paar gulden en in een handomdraai gebeurd.

Arm

Die o zo simpele, losse ADC Pritchard arm (ik meen dat die van balsahout was gemaakt) bewees dertig jaar geleden al dat ook op dit gebied eenvoud de mens alleen maar siert. A beautiful thing of rubbish ging dan ook zeker niet voor déze arm op. Die Pritchard arm stond als een tijdloze rots in de branding en was de ideale partner voor de top van de lichtgewicht-elementen uit die tijd. Een van dè problemen was en is de arm/element-combinatie: als die twee niet goed bij elkaar passen klopt de muzikale optelsom niet meer. Menige muziekliefhebber ging af op het technische en muzikale oordeel van de recensent, omdat de door arm- en element-fabrikanten individueel aangereikte specificaties strikt genomen onvoldoende draagkracht hadden om op grond daarvan tot een verantwoorde aanschaf over te gaan. De prestaties van een element hangen immers ten nauwste samen met o.a. een gebruikte arm en omgekeerd, de dynamische afspeelcondities en de werktemperatuur. Wat voor een luidspreker geldt, doet ook voor elementen en armen, ja eigenlijk voor de gehele draaitafelcombinatie opgeld: ieder op zich beoordeeld kunnen de kwaliteiten en mogelijkheden groot zijn, maar als de sterren van zo’n combinatie nét even verkeerd staan, gaat het tóch prompt mis.

Terug naar Dual

De eveneens met een snaar aangedreven CS-505-4 is de goedkoopste speler in Duals Audophile Concept serie (de CS-750 en CS Golden-II zijn beduidend hoger geprijsd). De afwerking van het geheel is goed, maar niet luxueus. De transparante stofkap wordt los bijgeleverd en wordt moeiteloos in de daarvoor op de plint van zwarte kunststof aangebrachte uitsparingen gestoken. Het uit een aluminiumlegering vervaardigde, losse buitenplateau weegt zonder mat slechts 820 gram en dat had ik graag anders gezien. De servo-sturing werkt uitstekend, maar een zwaar(der)plateau van ca. 2 kg of meer verhoogt de soliditeit van het geheel aanzienlijk, met als extra voordeel de hogere massatraagheid. Dual is al lang geleden op de lichtgewicht-toer gegaan en dankzij een uitgekiende aandrijving werkt het ook in dit geval weer prima, maar toch... Een zwaarder buitenplateau is natuurlijk kostenverhogend: er is een zwaardere motor nodig, de draaispindel, de afvering van dat plateau en de draagkracht van het binnenplateau moeten navenant zijn, enz. Het 30 cm buitenplateau ondersteunt de lp over het gehele oppervlak en wordt met een bevestigingsschijfje eenvoudig op het binnenplateau vergrendeld. De uit stof vervaardigde plateaumat is dun, maar dempt goed. Er valt niets op aan te merken. Dikke matten zijn voor sommige hoge elementen ook niet altijd een zegen omdat de positie van de arm en het element t.o.v. het plaatoppervlak dan niet echt horizontaal te krijgen is.
Liefhebbers van 78 t. platen komen niet aan hun trekken: er zijn slechts twee toerentallen (33,33 en 45) beschikbaar, maar er is wèl een fijnregeling met een regelbereik van ongeveer een halve toon (6%). Met de bijgeleverde stroboscoop-schijf kan het toerental eenvoudig worden gecontroleerd. De (mechanische) omschakeling naar het gewenste toerental werkt nauwkeurig en zonder haperingen. De metalen strip die in het inwendige voor de omschakeling zorgt ziet er weliswaar fragiel uit, maar hij gaat misschien wel vijftig jaar mee. Zodra de uitloopgroef is bereikt, wordt de arm automatisch opgelicht en het apparaat uitgeschakeld. De speler wordt met twee cinch-stekers en een aardklem op de (voor)versterker aangesloten.

Vaste arm

Dual heeft ook op het gebied van pu-armen met zeer lage massa en ultralichte lagering een uitstekende reputatie en maakt dat ook nu weer waar. Met mijn eigen elementen (waaronder enige zéér compliante) levert de arm optimale prestaties, wat zoveel wil zeggen dat de arm zelfs enige kruidje-roer-mij-niet exemplaren niets in de weg legde. De resonantiefrequentie lag bij een zeer compliant Stanton-element bij 7,5 Hz. Lichte lagering en goede demping zijn essentiële voorwaarden en de spooreigenschappen van alle gebruikte elementen bleken geen haar beter of slechter dan in de door mij al meer dan twintig jaar gebruikte Stax UA-9CF arm. Ik begrijp alleen niet helemaal waarom de importeur de Denon DL-160 in deze arm monteerde. Ik vermoed dat de wat stuggere naaldophanging en de spoelmassa afbreuk doen aan het aftasten van sterke plaathobbels met een korte slag. De resonantiefrequentie lag in eerste instantie ook beduidend hoger:19 Hz. Die ligt dan veel te dicht bij de laagste regionen van de audioband. Maar na geleidelijke opwarming van de naaldophanging daalde de resonantiefrequentie naar 15 Hz. De spoorprestaties van het element waren in de Stax UA-9CF iets beter: de resonantie was in ‘koude en opgewarmde toestand’ 14 Hz en kon het element bij 300 Hz, 89 mu met een naaldkracht van 2 gram toe. Het zij zo!
De elementhouder van carbonvezel is met een wartelschroef aan de arm bevestigd en kan gemakkelijk worden afgenomen om plaats te bieden aan een element met een gewicht tussen 2,5 en 8 gram. Dit is typisch weer zo’n arm met een zeer lage massa voor lichtgewicht-elementen. Naaldkracht en dwarsdrukcompensatie (voor elliptische én sferische naalden) worden met een markeringsradertje wrijvingsloos ingesteld. De met viscose gedempte lift werkt nauwkeurig en zonder haperingen. Prettig is dat de lifthefboom ver genoeg van het element is gemonteerd om het onbedoeld aanstoten van het element te voorkomen. Er is een voorziening die voorkomt dat de naald per ongeluk op de plaat valt. De lichte werking brengt ook niet het hele plateau aan het zwabberen. Het werkt allemaal prima.

Brom, rumble en zweving

De ingebouwde trafo is goed afgeschermd: ook als het element vlakbij het label komt, is van brom geen sprake. Rumble is hoorbaar afwezig: met mijn CBS meetplaat schommelden de waarden tussen -45 en -50 dB. Dat zijn geen topklassewaarden, maar niemand die er last van kan hebben. De 3,5 kHz zwevingstest pakte in eerste instantie minder goed uit, maar bleek later toch rond de 0,042% te liggen. Piano en klarinet bleven strak, maar tóch had ik het gevoel dat het béter moest kunnen. Ik miste een beetje de soliditeit in de toon van de onlangs geteste Thorens TD-146 Mk. VI. Met een zware platenpuck van Thorens was die soliditeit er ineens wèl en dat doet vermoeden dat een zwaarder plateau een betere oplossing was geweest. Ik vind de aandrijving met de 16-polige synchroon-motor echter van een te laag soortelijk gewicht voor dergelijke zware opzetstukken (met platenborstel e.d.).

Denon DL-160 element

Een mc-element van 4,8 gram met elliptische naald dat een goede geluidskwaliteit biedt, maar niet zo verfijnd als de betere Stantons, Shures of de Denon DL-304. U bent echter vrij om ieder gewenst element te kiezen (de fabrikant levert overigens standaard de Dual ULM 68E die ik niet onder handen heb gehad). Strijkers (Academy of St. Martin-in-the-fields met strijkerssymfonieën van Mendelssohn op Argo) klonken beschaafd, maar detaillering en stereobeeld blijven in combinatie met deze Dual-arm iets achter. Erna Spoorenberg in Mozart (Argo) klinkt wat vlakker dan met bijv. een Stanton 981 in dezelfde arm. De IM-test gaf uitstekende waarden en de optimale naaldkracht werd bij 89 mu bepaald op 2,2 gram. Het is ook geen element met hoge compliantie: 10x10-6 cm/dyne. Het frequentiebereik is volgens de specificatie 20 Hz~50 kHz, maar zo’n opgave is niet van praktisch nut. Ten eerste omdat de afwijking er niet bij wordt vermeld en ten tweede omdat menige lp uit de jaren zestig en zeventig op geen stukken na 20 kHz haalt, de spannende verhalen daarover ten spijt. De hoge uitgangsspanning voor een moving coil (1,6 mV) maakt het gebruik van een aanpassingstrafo overbodig. De afsluitimpedantie is 47 kOhm en daarmee is het element overal inzetbaar. De naald kan men niet zelf vervangen: het element moet daarvoor naar de importeur worden gezonden. Een handleiding in de Nederlandse taal ontbrak.

Conclusie

De Dual CS 505-4 behoort tot de betere draaitafels, is goed, zij het niet luxueus afgewerkt en levert goede prestaties. Het buitenplateau is met 820 gram aan de lichte kant en dat had ik toch graag anders gezien. De vast gemonteerde arm behoort tot de beste die er te koop zijn en is vooral bedoeld voor elementen met lage massa en hoge compliantie. Het door de importeur meegeleverde Denon DL-160 vind ik daarom minder geschikt voor de Dual-arm, maar u kunt natuurlijk zelf de elementkeuze bepalen. De vertaalde handleiding vind ik niet de meest duidelijke in zijn soort en het kan niet door de beugel dat de technische specificatie schittert door afwezigheid.


________________________________
Dual CS 505-4 draaitafel incl. Dual U(ltra)L(ow)M(ass) 68 E element: f800
Denon DL-160 mc-element: f300

Importeur Dual: Rema Electronics, Amsterdam (020-6114959)
Importeur Denon: Penhold, Amsterdam (020-6114957)

Beluisterd met
NAD 306 en Musical Fidelity A2 versterkers, Stax Lambda hoofdtelefoon, Quad ESL-63 luidsprekers.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links