Audio-apparatuur

In English style:

Creek Destiny cd-speler en versterker

 

© Aart van der Wal, maart 2009

 

Een van de belangrijkste criteria bij de beoordeling van de prestaties van audio-apparatuur is het oplossende vermogen, de resolutie (of definitie). Als dit op orde is, is al heel veel op orde, met inbegrip van de natuurgetrouwe weergave van de instrumentale timbres. Om in deze context een uitspraak van Karajan te citeren: de rest is min of meer gaslicht. Het is de resolutie waarmee de ontwerper en fabrikant zijn brevet van technisch (on)vermogen afgeeft.

Wie veel moeite wil doen om datgene dat gehoormatig wordt waargenomen tevens meettechnisch te verklaren, stuit al rap op een groot aantal ongewisse factoren waaraan geen enkele zekerheid valt te ontlenen. De klankkwaliteit als fenomeen laat zich nu eenmaal niet zomaar meten, hoewel echt op het gehoor opvallende gebreken of oneffenheden meestal wèl meettechnisch kunnen worden verklaard. Toch is het geen wet van Meden en Perzen: een versterker kan scherp, agressief klinken terwijl de meetgegevens nu juist iets heel anders doen vermoeden. Terwijl het omgekeerde evenmin onbekend is: slechts matige meetresultaten, maar wel een fantastisch geluid.

Maar tja, wat is klankkwaliteit? Jaren geleden las ik eens in een Engels tijdschrift een rake opmerking: "True bass is never forgotten". Wie eenmaal een écht goede basweergave heeft gehoord, weet voor de rest van zijn leven het onderscheid tussen goed, matig of slechts moeiteloos te maken. Maar hoe dat ook zij, zelfs de grootste scepticus kan zich er wel het een en ander bij voorstellen.

Als het op klankkwaliteit aankomt, kan zowel de opname- als de weergaveindustrie gezamenlijk optrekken, want beide partijen zou er alles aan gelegen moeten zijn om een optimale definitie binnen de gehele opname- en weergaveketen te bereiken. Dat komt dan, kort samengevat, uitsluitend neer op de maximale optimalisatie van de bestaande technische middelen, aangevuld met de voortdurende zoektocht naar (nog) betere componenten, dit alles gesteund door de bereidheid om nieuwe inzichten te verwerven. Klankkwaliteit staat of valt met het al genoemde oplossende vermogen. Sterker nog, naarmate de akoestische component in de opname- en weergaveketen binnen zijn eigen natuurlijke grenzen deelgenoot is van het proces zal de muziek vanuit het perspectief van de klankkwaliteit er duidelijk hoorbaar bij winnen. Dat deze materie enerzijds complex is en anderzijds veel gevoelige snaren raakt (klik hier) mag zo zijn, maar uiteindelijk gaat het er toch om dat al die fijnzinnige texturen die in de partituur hun plaats hebben gekregen, zo goed mogelijk onder huiselijke omstandigheden kan worden weergegeven.

Als klankschoonheid een van de vele verschijningsvormen van de abstractie is, is zij wel iets om vol en breed van te houden, of haar zelfs te adoreren. We hoeven dankzij buitengewoon fijnzinnig gebouwde gehoor met de 'vertaling' van de aldus opgevangen trillingen door onze hersenen immers niet met minder genoegen te nemen, waarbij uiteraard aan het individu zelf is om uit te maken wat hij of zij voor schoonheid uiteindelijk over heeft. Zowel in termen van geld als van emotionele betrokkenheid. Het gaat dus niet om een rigide model dat dan maar voor iedereen moet gelden, maar om een uniforme receptor waaraan ieder mens zijn geheel eigen invulling kan gegeven. Waarheden als koeien bestaan, maar de ene koe is niet gelijk aan de andere.

De illusie

We weten allemaal dat het onwenselijk en onmogelijk is om het geluidsvolume van een symfonieorkest op realistisch niveau de woonkamer in te persen. Maar zelfs het aantal decibellen dat een concertvleugel in vol ornaat produceert zou ons al op de vlucht doen slaan. De opnametechnici lossen dat 'probleem' keurig voor ons op door de creatie van de illusie die, als het goed is gedaan, het beste vertegenwoordigt dat voor de huiselijke situatie geschikt is. Goed gedoseerde en muzikaal verantwoord toegepaste schaalverkleining doet de muziek geen enkel geweld aan, integendeel. Met schaalvergroting wordt alleen maar het tegendeel bereikt. Het is de ware kunst van de opnametechniek om de werkelijkheid met de illusie te vermengen, De luidsprekers worden dus niet alleen aangestuurd door de versterker, maar evenzeer door de illusie. Hoe beter de opname- en weergaveapparatuur, des te indrukwekkender zal die illusie uitpakken.

Het zal daarmee gelijk duidelijk zijn dat voor dit in deze vorm gegoten 'surrealisme' geen alternatieven voorhanden zijn, in stereo- noch in surround-formaat. De geluidsdruk dient onder alle omstandigheden niet alleen comfortabel te zijn, maar tevens individueel afgeregeld moeten kunnen worden. Als het als te luid wordt ervaren, kan de volumeregelaar te hulp schieten, zonder dat tot op een redelijk geluidsniveau details in de weergave verloren gaan. Terwijl té luid weergegeven muziek juist aan detaillering verliest, met als bijkomend effect dat de dynamische gradaties verdwijnen. De creatie van de illusie is een vak op zich, maar de weergave ervan vereist wel degelijk een goed gevoel voor proportie.

De familie Doorsnee

De audiobladen doen anders geloven, maar wat de gemiddelde versterker betreft is er in de afgelopen veertig jaar niet zo heel veel veranderd. In fundamenteel opzicht zelfs niets. Wie een Sansui- of Kenwood-versterker uit de jaren zestig naast die van een eigentijdse generatiegenoot zet, zal niet of nauwelijks verschil horen, wat door de metingen overigens wordt bevestigd. Een Accuphase uit de jaren zestig klinkt net zo mooi als een van dit jaar. Hooguit is over de gehele linie sprake geweest van prijserosie, doordat als gevolg van de massaproductie van onderdelen (vrijwel geen producent van tuners, versterkers, cd-spelers enz. maakt zelf nog de elektronische onderdelen in een eigen fabriek, terwijl de inwendige constructies meer en meer op elkaar zijn gaan lijken) de kosten sterk konden worden verlaagd. Bovendien nam het aantal merken en dus de concurrentie behoorlijk toe, niet in de laatste plaats door de gemakkelijke verwerving van zowel onderdelen als compleet gemonteerde pcb's. Wie een versterker of cd-speler wil laten bouwen vindt in o.a. Taiwan en China een Gouden Gids vol met bedrijven die daarin zijn gespecialiseerd. Ze hanteren zonder uitzondering het 'u vraagt en wij draaien' principe, met doorgaans uitstekende, betrouwbare producten als resultaat.

Zoals in iedere markt heeft ook in de audio-industrie een aantal merken zich van de nogal grauwe middelmoot weten te onderscheiden, waaronder gevestigde namen als Accuphase, Musical Fidelity en Meridian. Die kan men bij wijze van spreken blind aanschaffen. Accuphase is trouwens een van die weinige merken die al vanaf de jaren zestig het meest consequent is geweest in de toepassing van zeer hoogwaardige elektronische componenten in dát gedeelte van het audiocircuit dat er in de praktijk, d.w.z. gehoormatig, echt toe doet, in plaats van te veel te investeren in die delen van het traject die daarin niet of nauwelijks een rol van betekenis spelen. Maar ook dit prestigieuze merk is in de val getrapt van de (veel te) grote vermogens die ten koste moesten gaan van de zuivere audiokwaliteit. Maar goed, wie een Accuphase-versterker koopt van maximaal zo'n 2 x 150 watt aan 8 ohm hoeft zich de rest van zijn leven geen zorgen meer te maken (al zal er om de tien, vijftien jaar wel een aantal onderdelen moeten worden vervangen). Bovendien mag de gelukkige bezitter ervan uitgaan dat nóg beter niet tot de reële mogelijkheden behoort.

De gemiddelde cd-speler heeft wel een belangwekkende ontwikkeling doorgemaakt, zonder dat er een meerprijs tegenover stond. Wat de chiptechnologie betreft is die zelfs stormachtig te noemen, maar het zwakke punt was en blijft toch de 'elektronisering' van het analoge aandeel. Daar waar per saldo nog de meeste winst was te behalen, lieten veel fabrikanten het gewoon massaal afweten. Waar nog bij komt dat fors werd bezuinigd op het mechanische deel, van de cd-lade tot en met het aandrijfmechanisme. Daarin wemelde het van de weekmakers in plaats van staal of gedegen aluminium. Dat is in de loop van de afgelopen tien jaar alleen nog maar toegenomen. De liefhebber die meer (beter) wil, moet mogelijk eerst zijn bankafschrift bestuderen, maar zal zich vervolgens nog een behoorlijke zoektocht moeten getroosten.

Een nieuwe wereld

Wie zijn gehoor door de disco, de iPod of meer van datzelfde nog niet suf heeft laten beuken, kan zijn oren serieus te luisteren leggen bij audio-apparatuur die is ontworpen met pure klankschoonheid als voornaamste uitgangspunt. De kans is groot dat dan een geheel nieuwe wereld zal opengaan die al het eerder verworvene en routineuze naar de achtergrond doet verschuiven. Tegelijk is dit het krachtigst denkbare signaal voor optimale muziekbeleving thuis, al blijft de akoestiek van de huiskamer daarbij een nogal grillige factor die zich soms pas na veel passen, meten en desnoods verbouwen laat bedwingen. In ieder geval is dit voor iedere rechtgeaarde liefhebber van mooie muziek de ultieme gelegenheid om van het met koffiedik aangesmeerde klankbeeld waarmee hij al zoveel jaren vertrouwd is, af te stappen en misschien wel voor het eerst te ervaren waarom zoveel opnametechnici met fantastische producten zoveel eer mee hebben ingelegd. Tegen een miezerig setje, met de luidsprekertjes niet eens in fase, is geen enkel kruid gewassen.

Het is slechts een zijstap, maar ik denk zelfs dat betere audiospullen de eigentijdse serieuze muziek eerder of overtuigender bij ons thuis kan brengen. Hoe doorzichtiger het klankbeeld, des te gemakkelijker zullen we de complexe structuren in de moderne partituren (gaan) herkennen en waarderen, terwijl de 'klassieken' er eveneens wel bij varen: de hoge resolutie biedt immers een veel beter zicht op de hoofd- en nevenstemmen, maakt het polyfonische discours op slag helder of legt de textuur in de middenstemmen van het strijkkwintet moeiteloos bloot. Die nieuwe wereld is dus niet alleen 'maar' een kwestie van een veel mooiere klank en natuurlijker timbre, maar niet minder van meer inzicht in de aard en het wezen van de muziek zelf.

Verder geen onvertogen woord over degenen die muziek het liefst gebruiken om naar hun apparatuur te luisteren. Dat zijn de audioliefhebbers die toch vooral het naadje van de kous willen weten van al dat moois dat onder de motorkap verborgen ligt. Daarentegen wil de onversneden muziekliefhebber misschien zelfs wel aannemen dat zijn D/A-converter is opgebouwd uit uitgeharde, driedubbel gebakken wentelteefjes zonder terugkoppeling.

24 bit...en dan?

Het voortdurende gegoochel met het aantal bits doet wekt de suggestie dat méér bits altijd een bétere geluidskwaliteit oplevert. Een D/A-converter van 24 bit is immers per definitie beter dan een van 20 bit. Helaas, de waarheid ligt niet eens ergens in het midden. Het hogere aantal bits krijgt pas meerwaarde als het analoge traject in die cd-speler zeer zorgvuldig is ontworpen én geconstrueerd. Daar mankeert het nu juist veelal aan. Het klinkt in de verkooppraatjes natuurlijk wel zo plezierig ("Een échte 24-bitter, meneer"), maar het is dan natuurlijk niet meer dan een redelijk lege huls. Dus veel liever een goed ontworpen 20-bitter dan een matig ontworpen 24-bitter. Sterker nog, een 16-bitter kan (veel) mooier klinken dan een 24-bitter.

Hoezeer die 'wereld' uit zijn voegen is gegroeid bewijzen wel de talloze wervende advertenties, waarin wordt geclaimd dat vrijwel alle cd-spelers van goede signatuur behoorlijk kunnen worden opgewaardeerd met behulp van 'upgrades'. Hoeveel paarden worden er in dit perpetuum mobile niet achter wagens gespannen!

Wel moeten we ons goed realiseren dat het digitale domein volkomen op zichzelf staat en uit dien hoofde complementair is aan het analoge domein. We horen immers niet digitaal, net zo min als dat luidsprekers digitaal geluid kunnen voortbrengen en microfoons digitaal trillingen kunnen waarnemen. Digital sound bestáát dus niet. De technologische voordelen van de digitalisering bewegen zich in het vlak tussen de analoge opname en weergave. Al datgene dat echter aan het analoge traject wordt toegevoegd en daarbij zijn eigen, hoorbare barrières (vervorming) meebrengt, doet rechtstreeks afbreuk aan de (analoge!) muziek. De digitale techniek mag noch iets wegnemen van of toevoegen aan het oorspronkelijke, analoge signaal zoals dat door de microfoons werd opgevangen vervolgens versterkt. Inmiddels is de digitale techniek wel zover gevorderd dat - gegeven een zeer zorgvuldig gekozen opzet met de allerbeste componenten in de opname- én weergaveketen - geen hoorbaar verschil meer valt waar te nemen tussen puur analoog geluid vóór en na de verwerking en bewerking in het digitale domein. Het is geen vanzelfsprekende zaak, zoals het evenmin wáár is dat 'digitaal' altijd beter is. Ik zou eerder zeggen: in tegendeel, mits...

Creek Destiny cd-speler

De Engelse ontwerper en muziekliefhebber Mike Creek startte in 1982 in het Engelse Hemel Hampsteadt, niet ver van het vliegveld Luton, het bedrijf Creek Audio Limited dat naar eigen zeggen met deze Destiny (een merkwaardige naam, die eigenlijk weinig goeds voorspelt!) zijn mooiste cd-speler heeft ontwikkeld. Over de lange rij producten die daaraan vooraf is gegaan tast ik min of meer in het duister, maar buiten kijf staat dat deze nieuwe telg de brede aandacht meer dan waard is.

Na het opstellen, aansluiten en inschakelen van de cd-speler is de eerste praktische kennismaking de open/close-toets en de cd-lade die zich dan opent. Die stelt in dit geval teleur, want het is een lichtgewicht van kunststof die bij een dergelijke kostbare speler eigenlijk niet past. Waar zijn ze trouwens gebleven, die stevige, zwaar uigevoerde metalen lades die zo robuust waren dat ze indruk wekten meer dan een generatie mee te kunnen? En waarom is er nog geen fabrikant op het voor de hand liggende idee gekomen om de clamp die de cd s vastklemt op het aandrijfmechanisme, zo groot uit te voeren dat die de cd over een veel groter oppervlak vast in zijn greep houdt? Dat zou zowel de laseraftasting als de foutcorrectie aanmerkelijk helpen. Prettig is wel dat Creek niet heeft bezuinigd op de stevige metalen kast en de robuuste bedieningstoetsen. Dat de hoofdtelefoonuitgang ontbreekt vind ik niet chic, maar is alleen vervelend als de speler uitsluitend stand-alone wordt gebruikt.

De bijgeleverde afstandbediening is eveneens van kunststof, maar is daardoor licht van gewicht en ligt bovendien goed in de hand, wat het gebruiksgemak uiteraard verhoogt. Een bijkomend voordeel is dat daarmee tevens andere Creek-apparatuur kan worden bediend (afwisselend aux1 en aux 2, cd, tuner, av en tape). Wat je wel bij meer cd-spelers van Engelse origine ziet is dat het indrukken van een cijfertoets niet voldoende is om de aandrijving in beweging te brengen: de play-toets hoort er uitdrukkelijk bij, wat in zo'n geval een extra handeling betekent.

Wat lieten de labmetingen zien? Niet veel, want aan cd-spelers valt nauwelijks iets te meten waarmee je iets kunt. In ieder geval klopte de door de fabrikant verstrekte technische doopceel (klik hier) of waren de cijfers zelfs nog iets beter. De harmonische vervorming op 1 kHz en op maximaal niveau (0 dB dBFS) lag op 0,0005% (spec: < 0,0008%), de signaal-ruisverhouding slingerde tussen 99 en 101 dB (spec: >-97 dB). De uitgangsspanning bij 1 kHz, 0 dB bedroeg maar liefst 2,2 V (links) en 2,3 V (rechts) (spec: 2 V), wat mij weer deed verzuchten: waarom? Bij een gevoeligheid van 100 mV aan de ingang (standaard op de meeste versterkers) mogen we blij wezen dat de slag van de volumeregelaar bij kamervullend volume de 'kwart voor negen' stand nog haalt. Misschien voor de audio-adviseurs in de winkel een aantrekkelijke optie ("zoals u ziet gaat dit apparaat gaat héél hard, kijkt u maar eens wat u nog aan vermogen nog overhoudt" - wat er helemaal niets mee te maken heeft), maar voor dagelijks gebruik is het vervelend dat de volumeregelaar dan zo schrikkerig moet worden bediend. De frequentiekarakteristiek is binnen de gehele audioband vrijwel recht als een lineaal (wat overigens de goedkope spelers net zo goed presteren en op zich geen uitsluitsel oplevert over over klankkwaliteit en timbres).

Aan de achterzijde vinden we de netstekeraansluiting met zekering en de aan/uit-schakelaar (bij meer Engelse versterkers een favoriete plek, o.a. bij Meridian), maar uitermate onhandig bij plaatsing in een kast of stereomeubel). Naast de analoge l/r-uitgang (de beide bussen missen de standaard l/r-aanduiding wit/rood) zijn er twee digitale uitgangen (1x coax en 1x optisch), alsmede een dubbel uitgevoerde aansluiting voor een aparte multi-room interface.

Zoals vrijwel alle audiofabrikanten levert Creek op zijn website een uitgebreide verhandeling over al dat moois dat zich onder de afdekkap verbergt (klik hier). Ik doe daar geen tittel of jota vanaf, maar was toch met name in het hoorbare resultaat geïnteresseerd, want dát is immers dat ons, muziekminnaars, primair bezighoudt.

Kort en krachtig: dit is een speler, die hoog scoort op het punt dat ik heel belangrijk vind: het oplossende vermogen. Ik koos eerst uit vier opnamen die me nogal na aan het hart liggen: vier van Haydns pianotrio's door het Florestan Trio op Hyperion (klik hier voor de recensie), Sofia Goebaidoelina's Johannes-Passion onder Helmuth Rilling op Hänssler (klik hier), Händel-aria's door Joyce DiDonato op Virgin Classics (klik hier) en Mozart-symfonieën met het Concertgebouworkest onder Josef Krips (Philips) (niet op de site besproken). Het klinkt allemaal zeer los, de akoestiek komt helemaal mee (afgezien van de vraag of die wel of niet is gemanipuleerd - klik hier), met als resultaat een volkomen overtuigende, puur muzikale afbeelding. Het is het spreekwoordelijk gemak waarmee de speler complexe klankstructuren - mits goed opgenomen - tot leven weet te wekken. De resolutie werkt ook zegenrijk uit voor de instrumentale timbres. Strijkers hebben zijdeglans, altviolen behouden hun natuurlijke timbre, celli klinken warm, maar zonder 'bulten', contrabassen bieden een stevig, droog fundament (jnderdaad: "true bass is never forgotten"). De houtblazers mengen mooi pregnant, de pauken bezitten een harde kern. Fenomenaal zijn zowel de klankexplosies (ze lopen nergens dicht) als de sublieme impulsweergave die het slagwerk fel realistisch afbeeldt. Koor en solisten staan prachtig gedoseerd in de ruimte. Ik was er al met al behoorlijk van onder de indruk, terwijl ik toch verwend ben met een aantal zeer goede spelers, waaronder ook enige met losse loopwerken en dito D/A-converters. Wie nog beter wil zal mogelijk toch eerst de kredietcrisis moeten uitzitten! Maar zelfs dan zal - met de beste componenten binnen de keten - het hoorbare verschil niet meer dan marginaal uitpakken. De Meridian 566-24 bit, een losse D/A-converter van topklasse, biedt fractioneel nog wat meer 'lucht' rond de instrumenten en is een iets meer definitie in de stereoafbeelding, maar dergelijke verschillen komen alleen aan het licht in combinatie met een absoluut neutrale voor- en eindversterker.

Tot slot koos ik nog een aantal opnamen uit de 'oude doos', te weten Haydn-symfonieën onder Klemperer (klik hier), pianoconcerten van Beethoven met Barenboim/Klemperer (klik hier) en de mono-opname van de Beethoven-symfonieën (in dit geval nr. 4 en 6) met het Philharmonia Orchestra onder Karajan (klik hier). Ook dan weet de Creek Destiny te overtuigen, met weer dat typische losse klankbeeld en volkomen natuurlijke instrumentale kleuren, dat al met al zo kenmerkend is voor echte kwaliteitsweergave. Het blijft een open vraag of de remastering dusdanig goed is geslaagd dat de oorspronkelijke bandopname in zijn volle glorie op de cd is verdoekt, maar het is evengoed gissen naar het waarheidsgehalte van de pianotoon van Glenn Gould op basis van Sony's Super (de Super de Super) (20) Bit Mapping of Wilhelm Backhaus' Brahms met Decca's zogenaamde 96 kHz 24 bit Super (de Super de Super) Digital Transfer. Je moet er in geloven, zal ik maar zeggen.

Hoe staat het met de diepte van het klankbeeld? Dat is een aspect dat steevast enorm wordt overdreven. Het wil er bij mij niet in dat daarop zo vaak wordt gehamerd. Wie in de zaal zit, ziet wel diepte maar hoort die niet. Geen mens op bijvoorbeeeld rij 10 die in staat is enige diepte te onderscheiden tussen bijvoorbeeld de altviolisten en de houtblazers. Wie dat wel meent te (kunnen) horen houdt zichzelf en anderen gewoon voor de gek.

In het opnamedomein is van diepte al helemaal geen sprake: in de multitrack-omgeving is het gebruik van twintig microfoons of (veel) meer eerder regel dan uitzondering (klik hier). Tijdens de opname worden de signalen van al die microfoons in monogroepen geregistreerd en in de post-productiefase (nabewerking) verder onder handen genomen. Tot slot wordt er dan nog een portie galm overheen wordt gezet. Hoezo diepte? En dan tóch hanteren als een kwaliteitsmaatstaf bij de beoordeling van weergaveapparatuur? Veel belangrijker is echter de vaststelling dat de Destiny in ieder geval zo'n cd-speler die het verschil aantoont tussen een goed opgenomen cd en zijn mp3 equivalent, zelfs in de 320 kb/ps transfer.

Ik heb er nog een aantal cd-spelers bijgehaald uit de familie Doorsnee. Al voordat er ook maar een noot geklonken heeft, is er al een beduidend verschil: bij de Destiny is de ruimte volop aanwezig, je hoort bij wijze van spreken al dat de muziek haar 'adem' inhoudt en als de eerste noten klinken worden we getrakteerd op dat heerlijk losse in de weergave. Het was dan ook geen verrassing dat het (zeer) zachte begin van Mahler I (Berliner Philharmoniker/Haitink op Philips) niet in de eigen ruis verdronk en dat de al rap tot een vage notenbrij uit elkaar vallende openingsmaten uit Ravels Pianoconcert in D (Zimmerman/Boulez op DG) haarscherp werden afgebeeld. Zo moet het zijn, al hangt er dan een prijskaartje aan.

Het uit- en inwendige is zonder meer berekend op een lange levensduur, al koester ik enige twijfel omtrent die cd-lade. Het apparaat wordt tijdens intensief gebruik nauwelijks warm: ventilatiezorgen zijn er niet, al adviseert de fabrikant wel minimaal 5 cm vrije ruimte aan de achterzijde (voor de netkabel en pluggen heeft u die sowieso nodig).

De wat hectischer muziekadepten onder ons zullen misschien de toegang tot de tracks ietwat traag vinden, maar het geduld wordt in ieder geval wel beloond! De Engelstalige handleiding bevat alle gewenste informatie, maar ik reken erop de importeur er een keurige Nederlandse vertaling bij zal leveren.

Creek Destiny versterker

Hieraan viel gelukkig wat meer te meten! Het uitgangsvermogen is hoger dan door Creek gespecificeerd (klik hier): met de beide kanalen uitgestuurd links 104 watt en rechts zelfs 111 watt aan 8 ohm (spec: > 100 watt); bij 4 ohm is dat respectievelijk 273 en 282 (spec: > 250), de waarden gemeten net beneden clipping point. Aan 2 ohm heb ik maar niet gemeten, maar volgens Creek moet dat minstens 380 watt per kanaal zijn (bij 1 ohm is het vermogen beperkt tot ca. 250 watt met het oog op de keurig intredende beveiliging). Over de harmonische vervorming hoeft evenmin te worden geklaagd: binnen de gehele audioband (20 Hz-20 kHz) en gemeten bij 90 watt is die nergens hoger dan 0,015% (spec: < 0,02%). IHF-A gewogen is het getal uiteraard nog beter: 0,006%. Bij afnemend vermogen neemt de meetbare vervorming vermogen eveneens keurig af (soms zie je het tegenovergestelde). Maar dan nog bestaat die alleen uit tweede harmonischen (pas ver boven 20 kHz komen derde harmonischen in beeld).

De 'slew rate' of stijgsnelheid ligt bij deze Creek op een gespecificeerde waarde van > 50 V/µs. Daar schijnen mensen wakker van te liggen (immers hoe hoger hoe beter), maar wat mij betreft wordt dergelijk waarden voortaan gewoon maar weggelaten. Alsof een versterker zich als een straalvliegtuig zou moeten gedragen! Een ballon is allang niet meer goed genoeg...

De dempingsfactor wordt op > 235 gespecifceerd, maar van belang is dat cijfer niet. Rond de 10 (en dan alleen nog maar zinvol in de lage frequenties) is goed genoeg, maar blijkbaar vinden fabrikanten het nodig om hiermee extra te scoren. Anders is dat met de signaal/ruisverhouding, die bij de Creek niet echt bijzonder is: A-gewogen is die 82 dB (spec: > 78 dB), terwijl we een getal van rond de 100 dB regelmatig tegenkomen. Ongewogen schommelde de waarde rond de 73 dB, met de volumeregelaar (een desgewenst via de afstandbediening motorisch aan te sturen Alps 27 mm) op maximum (referentiewaarde 2,8 V). Hoe lager de eigen ruisvloer, des te beter de voordelen van een hoge resolutie tot gelding kunnen komen. Van de kanaalscheiding kan min of meer hetzelfde worden gezegd: gemeten werd 64 dB (1 kHz) (spec: > 60 dB), om bij 3 kHz iets terug te lopen: 62 dB (door Creek niet gespecificeerd). Rond het gebied van 18 kHz kwam pas 52 dB in beeld. Ik zie liever een waarde van rond de 70 dB over de gehele audioband, maar dat was hier duidelijk te veel gevraagd. De versterker is onvoorwaardelijk stabiel bij capacitieve belasting, wat heel prettig is voor degenen die er elektrostaten op willen aansluiten (wat deze doorzichtig klinkende versterker zeker verdient). De polariteit aan de luidsprekeruitgangen liet niets te wensen over, evenmin als de bronimpedantie in het lage en middengebied (0,085 ohm, keurig oplopend naar 0,09 ohm bij 20 kHz). Blok- en golfvorm lieten geen afwijkingen van enige betekenis zien.

Maar zoals gezegd, meten is bepaald geen zeker weten. Versterkers met een doopceel die klinkt als een klok, met superlage getallen, hoeven per se nog niet muzikaal te zijn; of anders gezegd, kunnen zelfs onprettig klinken. Waar dat dan precies in zit kan vaak niet worden achterhaald. Net zo min als dat meerdere fabrikanten er maar niet in slagen om met een echt goed mosfet-ontwerp uit de bus te komen: ze weten niet precies hoe die in de keten optimaal moeten worden toegepast, met een verslechterde stereoafbeelding en een minder doorzichtig klankbeeld doorzichtigheid tot gevolg.

De windingen van de 300 VA ringkerntrafo zijn voor de voor- en eindversterkingscircuits (in dubbel mono opzet) apart gewikkeld, met voor het linker- en rechterkanaal een gescheiden voeding met lage weerstand. Het beveiligingscircuit beschermt de versterker afdoende tegen vrijwel iedere vorm van mishandeling. De claim van de fabrikant wordt ook in dit opzicht waargemaakt, zoals een aantal gemene tests op dit vlak aantoonden. Sterke opwarming leidt eerst tot teruggenomen volume en uiteindelijk tot verbreking van het audiosignaal. Als de mishandeling voortduurt, schakelt het apparaat zich spontaan uit. Pas na enige minuten kan dan weer worden ingeschakeld en presteert de versterker alsof er niets aan de hand is geweest. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat u hiermee naar hartelust moet gaan experimenteren!

Het aantal (cinch) lijningangen is - naast de gebruikelijke tape-in/out - niet echt ruim: slechts vijf. In de meeste gevallen zal dit echter toereikend zijn. Wie meer wil aansluiten of dat in de toekomst voorziet, moet omzien naar een andere versterker, maar dan wel met de kanttekening dat veel audio/video- en surround-apparaten met hun ware batterij aan in- en uitgangen heel wat minder presteren dan deze Destiny. Een groot aantal in- en uitgangen aan de achterzijde, met een soort bedieningscockpit aan de voorkant zegt helemaal niets over de geluidskwaliteit.

De voorversterker kan op vier verschillende ingangsniveau's worden ingesteld, al naar gelang de uitgangsspanning van het op de ingang aangesloten apparaat. Als die spanning niet voldoende is om de Destiny voldoende uit te kunnen sturen kan aan de onderzijde van de versterker met behulp van een schuifschakelaar (aangebracht op een onhandige plek: waarom niet gewoon aan de voor- of achterkant, en zonder dat er een schroevendraaier aan te pas hoeft te komen?) voor drie verschillende niveaus worden gekozen: +3, +6 of +9 dB. Dat levert dan een 'versterking' op met respectievelijk de factor 1.5, 2 of 3. De fabriek heeft standaard afgesteld op +3 dB. Inschakeling geschiedt met de 'active' keuzetoets op het frontpaneel (de led licht op).

De ingangsgevoeligheid is dan best comfortabel: 589, 392, 294, 210 mV. De oversturingsgrenzen zijn zo ruim dat u er geen last van zult krijgen. De frequentiecurve laat geen enkele afwijking zien en blijft tot 30 kHz binnen 0,7 dB. De gelijkloop van de beide kanalen is vanaf bijna 0-stand tot maximaal volume niet anders dan voorbeeldig. De afwijking tussen de beide kanalen blijft binnen 1 dB, wat een uitstekende waarde is en blijk geeft van een zorgvuldig ontwerp.

 

hoewel een input wordt aangeduid met aux/phono is van dat phono (platenspeler) geen sprake: wie een draaitafelcombinatie op deze versterker wil aansluiten zal eerst een aparte phono-voorversterker moeten aanschaffen. Niets bijzonders eigenlijk, want negen van de tien versterkers bieden een dergelijke voorziening allang niet meer. De actieve platenverzamelaar is dankzij de cd een vreemdeling geworden die verdwaald is zeker.

Er is een voorziening voor o.a. bi-amping: (voorversterker en eindversterker kunnen eenvoudig worden losgekoppeld). Met de functie power-in/pre-out kan er bijvoorbeeld een subwoofer of equalizer tussen worden geplaatst. Daarvoor moet dan eerst een minuscuul knopje aan de achterkant worden ingedrukt (helaas kan dat alleen met een luciferhoutje, paperclip of iets soortgelijks; tja, het is niet anders), waarmee dan de gewenste modus wordt gekozen. In de standaar fabrieksinstelling zijn voor- en eindversterker uiteraard gekoppeld.

Twee paar speakers kan worden aangesloten, maar dan geldt ook hier de vuistregel dat het niet verstandig is om luidsprekers met een impedantie van lager dan 4 ohm aan te sluiten (met de kanttekening dat die in het laag vrijwel altijd ruim onder deze weerstand 'doorzakken', tot zelfs onder 2 ohm, waardoor het beveiligingscircuit kan worden geactiveerd). Evenmin is het verstandig om te experimenteren met meer dan twee paar speakers in parallel, want dat gaat onherroepelijk mis. De toetsen aan de voorzijde van de versterker laten u kiezen tussen speakers A, B, A+B of uitsluitend hoofdtelefoon (die er, in tegenstelling tot de cd-speler, gelukkg wel opzit en geschikt is voor zowel laag- als hoogohmige typen, met als bijkomend voordeel dat Creek hier niet voor een miezerige weerstand heeft gekozen, die alleen maar is afgeleid van de output van de eindversterker). Bij het apparaat wordt een soortgelijke afstandbediening geleverd als bij de cd-speler. Die werkt vlekkeloos, mits in redelijk rechte lijn tot het 'ontvangstoog' op de versterker. Evenals bij de cd-speler is de kast van de versterker in fraai ogend aluminium uitgevoerd, met rechts de grote volumeregelaar als blikvanger. De keuzetoetsen voor de luidsprekers en de lijn- en tapebronnen zijn robuust en spreken direct aan, terwijl de led u vertelt of het apparaat wel of niet in standby modus staat. Qua uiterlijk passen cd-speler en versterker volmaakt bij elkaar. Gekozen kan worden uit een zilverkleurig of klassiek-zwart uiterlijk.

Creek wijst er in zijn handleiding op dat het wordt afgeraden de versterker continu aan te laten staan, zelfs niet in de standby modus. In- en uitschakeling geschiedt - evenals bij de cd-speler en net zo onhandig - met een schakelaar aan de achterzijde. De keus tussen permanente of uitgeschakelde spanning is en blijft een lastige. Inschakeling betekent - ook bij een vertragingsschakeling - een pulsaanslag op de elektronica. Maar eerlijk is eerlijk, voortdurend aanstaan heeft weer het nadeel van 'elektronische uitdroging'. Dat de versterker na inschakeling eerst op bedrijfstemperatuur moet komen alvorens zijn klankschoonheid prijs te geven, hoort thuis in het rijk der fabelen (buizenversterkers vormen een verhaal apart). Zoals het ook gewoon flauwekul is om een nieuwe cd-speler eerst in te branden. Voor sommige luidsprekers geldt dat 'inspelen' overigens wel.

Gelukkig wordt de versterker tijdens normaal gebruik niet echt warm, wat de levensduur ten goede komt. U wordt dus na verloop van tijd niet geconfronteerd met bruin geblakerde printplaten die dringend aan vervanging toe zijn. Wie uit is op pure klasse A eindversterking met navenant hoge ruststroom kiest uiteraard voor een versterker waarop naar wens eitjes kunnen worden gebakken (het is de bekende paradox: pas als echt vermogen wordt gevraagd neemt de temperatuur goed voelbaar af). Grappig: ik zie regelmatig advertenties en testen waarin zonder blikken of blozen de een of andere voorversterker als heel bijzonder wordt aangeprezen omdat die werkt in klasse A... Alsof die voorversterker überhaupt ergens anders in kan werken...

Eigenlijk heb ik slechts één echt puntje van kritiek op de Destiny, waarnaar ik overigens niet lang hoefde te zoeken: bij - zij het geheel opgedraaid - volume is er net hoorbare overspraak tussen de ingangsbronnen.Geen exemplarisch, maar ontwerpfoutje, dat de fabrikant nog maar eens bij gelegenheid onder handen moet nemen. Niet omdat het storend is, maar omdat het niet hóórt.

Ook voor de (nogal beknopte) handleiding van de versterker geldt dat die in het Nederlands beschikbaar zou moeten zijn.

Tot slot

Ik heb voor de klankmatige beoordeling van de apparatuur gebruik gemaakt van gewone, maar goede kabel (klik hier), zonder netfilters en andere esoterische poespas, precies zoals de 'gemiddelde' muziekliefhebber dat zou hebben gedaan.

hoewel beide apparaten door mij gewoon uit de stelling werden geplukt, is een recensie nooit meer dan een momentopname. Hoe en waar de seriematige productie verloopt, is een aspect waarop recensent noch consument enige invloed heeft. Hij zal moeten vertrouwen op de fabrikant(en) die bij het product betrokken zijn (geweest).

Wie meer vermogen wil kan terecht bij de losse Creek Destiny Power eindversterker (2 x 100 watt aan 8 ohm of 2 x 180 watt aan 4 ohm). Voor de vinylenthousiasten is er dan nog de Creek Phono module ad € 399,= voor een MM of MC element. Ach, die psychologische euro moet u er dan maar bijdenken!

Dat de importeur er een eigen serviceafdeling opnahoudt en zich al jarenlang serieus om de soms noodzakelijke nazorg bekommert, vind ik een eveneens een belangrijk punt. Al met al een zeer prettige kennismaking met Creek!

Prijzen:
Creek Destiny cd-speler (zilver of zwart): € 1.899,= (incl. btw, prijswijziging voorbehouden).
Creek Destiny versterker (zilver of zwart): € 1.899,= (incl. btw, prijswijziging voorbehouden).

Importeur:
HNNY Benelux b.v.

Web: www.hnny.nl (Creek: www.creekaudio.com)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links