Audio-apparatuur

Vederlicht en muzikaal:

Casio DA-R100 draagbare DAT-recorder

 

© Aart van der Wal, januari 1993

 

Aan de cd verwante geluidskwaliteit en bedieningsgemak met daarbij ook nog een ononderbroken, maximale speelduur van niet minder dan vier uur(!) hebben toch niet kunnen voorkomen dat de opmars van de DAT-recorder voor gebruik in de huiskamer of als portable inmiddels in de kiem gesmoord lijkt, niet in de laatste plaats ook door het armzalige aanbod van voorbespeelde cassettes en de vrij forse prijzen van onbespeelde tape. De komst van Minidisc en DCC lijkt het toekomstbeeld voor DAT er zeker niet beter op te maken. Een gemiste kans? Met de bespreking van de Casio DA-R100 zet ik enige belangrijke aspecten nog maar eens voor u op een rijtje.

Argumenten contra

Onze 'eigen' JK schreef al in februari '91 dat er nauwelijks goede redenen waren om thuis met DAT aan de slag te gaan. De belangrijkste argumenten waren dat DAT-tape aanmerkelijk duurder was dan analoge band (vergelijk: DAT bij normale speelduur komt, door de bank genomen, neer op fl. 0,22 en analoog op fl. 0,06 per minuut, terwijl DAT bij dubbele speelduur nog altijd tweemaal zo duur is) en dat bij de beperkte kwaliteit van de gemiddelde radio-uitzending en dan vooral op de 'kabel' het vastleggen op DAT-tape pure luxe is (zo bezien geldt dit in nog sterkere mate voor het opnemen van grammofoonplaten.) Het vast ingebouwde beveiligingssysteem tegen meervoudig copiëren van digitale bronnen (het Serial Copy Management System, kortweg SCMS) hoort ook in het rijtje thuis. Daarbij doet zich de paradoxale situatie voor dat de platenmaatschappijen wel voor het SCMS-systeem geijverd hebben, maar het intussen vertikten om een ruim assortiment aan voorbespeelde DAT-bandjes op de markt te brengen!

Argumenten pro

De beperkte speelduur van de analoge band (maximaal 45 of 50 minuten per kant, omdat de meeste fabrikanten van cassettedecks het gebruik van 120 minuten tape ontraden en de zeer dunne emulsie kwaliteitsopnamen toch al onmogelijk maakt) betekent dat veel omvangrijke muziekwerken zonder onderbreking(en) niet kunnen worden vastgelegd: zelfs het snelste autoreverse-deck zal u minstens van enige muzikale seconden beroven en dat is volstrekt onaanvaardbaar. De enige remedie, en afhankelijk van het onder handen zijnde muziekwerk, is de gelijktijdige bediening van twee analoge decks, maar dit ligt toch buiten het bereik van de gemiddelde muziekliefhebber. Opera's, oratoria, maar ook menige symfonie kunnen niet ononderbroken worden vastgelegd en schiet de analoge band alleen al in dit opzicht hopeloos tekort. Wie kent niet de ergernis dat de laatste minuut van een symfonisch deel er net niet meer op kan?
Met DCC is het helaas niet anders, omdat ook hier de 45 minuten per kant als uitgangspunt is gekozen. Minidisc met maximaal 74 minuten hangt er zo'n beetje tussenin, maar blijft het een heksetoer om van Verdi's Don Carlos of Haydn's Jahreszeiten geen (opname)noot te missen. DAT biedt, naast de videoband, een maximale, ononderbroken speelduur van maar liefst vier uur en dat is in de praktijk toch wel erg comfortabel, of het nu om dat traditionele Nieuwjaarsconcert uit Wenen of Richard Strauss' Die Frau ohne Schatten uit het Londense Covent Garden betreft. Wanneer daarbij ook in aanmerking wordt genomen dat qua geluidskwaliteit (zelfs op halve snelheid!) en bedieningsgemak (zoekfuncties!) DAT het op z'n sloffen van het analoge deck wint, blijft als voornaamste bezwaar eigenlijk alleen nog de prijs van de software overeind. Een goed, stationair deck is al voor rond de duizend gulden te koop en draagbare modellen zag ik al voor rond achthonderd gulden in de winkel: prijzen die een goed, analoog deck niet misstaan.
De DAT-recorder kan bovendien broederlijk naast het, meestal reeds aangeschafte, analoge deck in de hifi-keten worden opgenomen omdat het met DAT opgenomen programma probleemloos naar het analoge deck kan worden gestuurd voor bijv. (tijdelijk) gebruik in auto of Walkman. Dat analoge deck hoeft dan echt niet van topklasse te zijn! Een doorsnee-deck voldoet voor het doel uitstekend.

Een lichtgewicht van klein formaat

Een gewicht van slechts 390 gram, uiterst bescheiden afmetingen van 90x117x38 mm (met het bijgeleverde accupak komen er 190 gram en 5 cm bij) en met een binnenwerk waarvoor een horlogemaker zich niet hoeft te schamen. Naast de optische en coaxiale aansluitbussen is er ook een analoge in- en uitgang en kan worden geschakeld tussen lijn- en microfooningang. De aansluiting voor de hoofdtelefoon is uiteraard van een eigen volumeregeling voorzien. De bediening komt grosso modo overeen met die van het stationaire DAT-deck (eject-, track-, skip- zoek-, pauze- en stoptoetsen) en dat geldt ook voor het aanbrengen van de subcodes (Start-, Auto- en End ID, absolute, verstreken en nog resterende tijd, TOC (Table of Contents, of te wel de 'inhoudsopgave' van de opgenomen band.) Het naar wens te verlichten display heeft zeer duidelijke en nauwkeurige piekmeters en informeert de gebruiker over de gekozen functies en de opname- of weergavestatus. Wel had ik het prettiger gevonden wanneer de piekaanwijzing een paar segmenten méér had bevat en dan juist in dat kritische gebied van -3 tot 0 dB.De drie bemonsteringsfrequenties (48 kHz DAT, 44 kHz CD en 32 kHz voor overige toepassingen) worden automatisch gekozen, afhankelijk van de bron en de te kiezen bandsnelheid.

Stroomverbruik

Het oplaadbare, aan te klikken Ni-Cad accupak vraagt een oplaadtijd van ca. 8 uur voor ruim 2,5 uur ononderbroken opname of weergave bij uitgeschakelde displayverlichting. Dat lijkt wat krap, maar is bij de huidige stand van de techniek onvermijdelijk. Een extra accupak kan, zeker bij het maken van eigen live-opnamen, goede diensten bewijzen. Voor de aansluiting op het lichtnet wordt een adaptor bijgeleverd, maar helaas is de netspanning niet instelbaar (110, 120, 220/240 V), hetgeen afbreuk doet aan het universele gebruik. Ik snap dat werkelijk niet: een portable recorder moet je wereldwijd kunnen gebruiken en is er niet alleen maar voor gebruik om de hoek.

Prestaties

Op de bemonsteringsfrequentie van 48 kHz (SP=normale bandsnelheid van 8.15 mm/s) was de curve tot voorbij 20 kHz zo recht als een lineaal. Op 32 kHz (LP=halve snelheid van 4.075 mm/s) eveneens een rechte karakteristiek tot bijna 15 kHz, ook een prestatie van de bovenste plank. Overspraak leverde een zeer fraaie -90 dB (SP) en -84 dB (LP) op. De ruisafstanden deden ook niet onder voor de stationaire typen: 92 dB (SP) en 90 dB (LP). Op de zeer lage signaalniveau's (-70 dB) was de lineairiteit voorbeeldig. De via de digitale ingang gemaakte opnamen weken geen syllabe af van het origineel. Bij analoge bronnen (plaat, radio, cd via analoge uitgang) op normale snelheid kun je bij sommige opnamen een iets dunnere klank waarnemen, maar ik leg er de nadruk op dat het verschil werkelijk uiterst gering is. Slechts wanneer wordt overgeschakeld op halve snelheid is het verschil wat beter waarneembaar: de klank lijkt een fractie minder gepolijst, de definitie iets vager in Elgar's Enigma-Variaties op DECCA 430241 en de Totentanz van Liszt op DG 423571; maar het zijn verschillen die bij de winst aan speelduur mijns inziens volstrekt in het niet vallen. De vervorming op LP is al extreem laag (0.06 %), maar op SP komt er dan nog een ongelooflijke 0.008 % uit de bus. De digitale techniek heeft ook met wow en flutter afgerekend: jank is gewoon onmeetbaar klein.

Stevig schudden noch enige fikse klappen hadden enige invloed op het opname- en weergaveresultaat. Een rondje hardlopen met deze Casio in de broekzak deed 'm niet verblikken of verblozen.
En dan te bedenken dat het apparaat tijdens de afgelopen FIRATO door vele grijpgrage vingers was mishandeld en in gedeukte staat bij mij arriveerde!

Zorgvuldig opnemen loont altijd

Voorwaarde voor zeer goede resultaten bij het opnemen van analoge bronnen is de correcte instelling van het opnameniveau. Het zelf opnemen van muziek is ook met een DAT-deck geen gemakkelijke zaak en vraagt de nodige voorbereiding en vooral zorgvuldig werken. Overschrijding van het 0-niveau leidt ogenblikkelijk tot onduldbare vervorming: in tegenstelling tot analoge opnamen loopt de uitsturingsvervorming bij het digitale proces niet geleidelijk op (vandaar ook de gevreesde 'brickwall'.) Een te laag opnameniveau doet echter weer afbreuk aan de dynamiek. Het is verstandig om de maximale piek in te stellen op -3 dB, omdat u dan nog wat overhoudt voor een mogelijk nog optredende, extreme piek. Weet u echt zeker dat de maximale piek op 0 dB uitkomt (bijv. op grond van de piekzoeker op de cd-speler), dan kunt u de opnameregelaar uiteraard daarop instellen.
Wanneer deze voorzorgen in acht worden genomen, is de weergavekwaliteit op normale snelheid gewoon subliem en op halve snelheid nauwelijks minder.
Voor het maken van opnamen van een digitale bron en dan bij voorkeur via de coaxiale ingang (deze geeft een beter resultaat dan de optische) hoeft niets ingesteld te worden: het deck kiest automatisch de bemonsteringsfrequentie (bij cd's 44.1 kHz) en de SP-modus, waarbij de opnamenterkteregelaar en de A/D-omzetter worden gepasseerd.

Eigen opnamen

De geluidsjager vind in deze recorder een betrouwbare en niet al te lastig te hanteren metgezel. Niet alleen voor interviews, maar vooral voor het maken van kwalitatief zeer goede muziekopnamen, bijv. live-optredens of, voor mijn part, verstopt in het Concertgebouw. Op de DA-R100 kan iedere microfoon met een 3.5 mm stereo ministekker worden aangesloten. Voor een microfoon met tulpstekker zijn er verlooppluggen in de handel. Ik maakte enige piano-opnamen en was over het resultaat meer dan tevreden. Let daarbij wel goed op de oversturingsgrens en controleer tijdig het opname-resultaat! De oversturingsgrens wordt bij sommige live-opnamen snel bereikt, ook al beweren de piekmeters het tegendeel. Aangesloten op de analoge ingang is er nog de optie om met de MIC-keuzeschakelaar -20 dB te verzwakken. Dat is nuttig wanneer zelfs op een zeer laag opnameniveau bij weergave vervorming optreedt.

Gebruik van de hoofdtelefoon

Vele portables (cd-spelers daarbij zeker niet uitgezonderd!) bieden aan de uitgang voor de hoofdtelefoon een ronduit matige geluidskwaliteit. Er wordt (verkeerd) bezuinigd op de daarvoor benodigde versterking en dat vind ik een uitgesproken nadeel. De fraaiste converter legt het onverbiddelijk af tegen een matige versterkerkwaliteit. Het aansluiten van behoorlijke hoofdtelefoons zoals de Sennheiser HD 560 en Beyer DT 990 leidt bij een redelijk geluidsvolume dan al snel tot problemen, vooral bij stevige impulsen. Het toch niet al te wilde pianoconcert KV 415 van Mozart met Brendel/Marriner op Philips komt er dan niet ongeschonden af. Maar ook Beethoven's variatiewerken voor piano door Lortie op Chandos krijgen een wel zeer nare bijsmaak. Via de gewone lijnuitgang naar de versterker is van deze bijwerkingen niets te merken, maar daarvoor wordt natuurlijk op de eerste plaats geen portable aangeschaft! Deze Casio daarentegen kan met véél hoofdtelefoons zeer goed uit de voeten en is de versterker voor de hoofdtelefoon ook zeer ruim bemeten. De dynamische typen van licht- tot bantamgewicht, maar ook elektrostaten van Stax presenteerden een open klankbeeld, ook bij zeer hoog volume. Impulsen werden probleemloos verwerkt, met een haarscherpe definitie.

Conclusie

De Casio DA-R100 paart een kwalitatief hoogwaardige klankkwaliteit aan gebruiksgemak. Hij verdient ook zonder meer een plaatsje in de huiskamer-installatie. Een nadeel vind ik het ontbreken van een voedingsadaptor met instelbare netspanning en had ik liever wat meer segmenten voor de piekaanwijzing gezien. Dat er platenmaatschappijen, hifi-fabrikanten en importeurs zijn die menen dat in DAT weinig muziek zit kan ook deze Casio echter ook niet wegpoetsen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links