Audio-apparatuur

Luidsprekertest:

Mission, Hepta, KEF, Dali, Mirage en Quadral

 

© Aart van der Wal, augustus 1994

 

Wanneer je op zoek bent naar een nieuw paar luidsprekers, stuit je prompt op een gigantisch aanbod en enorme klank- en kwaliteitsverschillen. Je komt er al snel achter dat te veel fabrikanten en handelaren meer verstand hebben van marketing en verkooptechniek dan van klankkwaliteit. We maken ons druk over klasse A of B versterkers, peperdure, esoterische bekabeling en de zegeningen van 20 bits, terwijl zoiets als een echt goede, niet per se peperdure luidspreker in dat enorme woud van (pseudo)houtsoorten bepaald niet voor het oprapen ligt. En te vaak worden matige tot ronduit slechte prestaties geweten aan de 'akoestische omgeving' (bij u thuis dus), waardoor - zo blijkt uit de vele brieven over dit onderwerp - de argeloze speurder naar kwaliteitsweergave van de regen in de drup belandt en in grote verwarring maar besluit om die op zich goede en redelijk geprijsde speaker toch maar niet te kopen en uiteindelijk te kiezen voor een duurdere met juist minder goede eigenschappen. Maar echt gelukkig is of wordt hij nog steeds niet! Vanaf dàt moment wordt het klankbeeld van iedere cd vooral aan de hand van die luidsprekers beoordeeld... De gewenning aan die klank roept het beeld op van de pianist die al jaren op een valse piano oefent en plotsklaps op een goed gestemd instrument zijn weg moet vinden. Begrijpt u?

Verantwoording

Ik heb eerst naar iedere luidspreker afzonderlijk (mono) geluisterd en vervolgens in stereo. Ik vond het niet raadzaam om twee verschillende speakers in mono gelijktijdig te 'voederen', omdat akoestische verschillen dan onbedoeld een rol kunnen spelen. Om te voorkomen dat de akoestische beïnvloeding me op het volstrekt verkeerde spoor zou zetten, heb ik de speakers niet alleen in vier qua afmetingen en eigenschappen verschillende ruimten beluisterd, maar ook in ettelijke opstellingsvarianten. Daarbij werden steeds dezelfde versterkers, cd-spelers en bekabelingen toegepast. Wanneer nodig werden identieke luidsprekerstandaards en onderstellen gebruikt. Het geluidsniveau werd ingesteld met behulp van de Tandy-meter. Dat is de enige mij bekende manier om een verantwoord referentiekader te scheppen. Alle exemplaren werden pas na een opwarmperiode van twaalf uur nader aan de tand gevoeld.
De door Tjako Fennema speciaal voor deze luidsprekertest goed gekozen cd's heb ik intensief gebruikt, maar ik vertrouwde uiteraard ook op de door mij geselecteerde opnamen, die ik voor de beoordeling van o.a. luidsprekers altijd uit de kast haal en in de discografie aan het slot heb verantwoord.

Mission

Een typische boekenplankluidspreker, die ook op een standaard kan worden geplaatst, maar nooit zo maar op de grond. Uit het kastje komt een behoorijk volume met een forse dosis laag en een duidelijk waarneembare baslijn. In het middengebied kan deze Mission enige nadrukkelijkheid niet worden ontzegd en mist het midden/hoog verfijning. Al moet worden gezegd dat de beruchte sss-en gelukkig binnen de perken blijven en o.a. stemmen geen nasale bijsmaak hebben. Het stereobeeld is stabiel en zeker breed, zij het minder diep, hoewel aan dit laatste geen overdreven belang moet worden gehecht: de diepte die menige recensent eist, wordt in de praktijk van de concertzaal en de platenstudio al niet waargemaakt. Vol orkestwerk (Respighi) komt overtuigend tot leven, al merk je wel degelijk de beperkingen van zo'n klein systeem. Koor en solisten staan goed op hun plaats en gelukkig zonder opdringerige huigen. De laagweergave die deze dreumes produceert, lijkt op het eerste gehoor best imposant, maar je mist duidelijk het gemak en de definitie van de goed ontworpen grotere, betere systemen. Zeer sterke impulsen (de pittige xylofoon in Rodeo!) zijn vrij van klopgeluiden en naruisen. Het klankbeeld is open en stralend, met een goede presence: heldere houtblazers, de trompet die markant blijft, zonder scherp te worden. De klank van het authentieke instrumentarium leidt echter enigszins onder dat wat nadrukkelijke middengebied, waardoor vooral strijkers en barokcello (Haydn en Vivaldi) een onnatuurlijk randje krijgen. De eerste vijf piano-maten in Schuberts D 870 en 957 gaan ook gebukt onder de overbelichting, terwijl de bariton van Dieskau en de mezzo van Fassbaender duidelijk ànders, niet zo genuanceerd getekend, en niet zonder scherpte worden weergegeven. Voor het echt 'grote werk' van o.a. Wagner, Respighi, Mahler en Bruckner op een fors geluidsniveau kan deze Mission geen eerste keus zijn. De klank loopt dan onherroepelijk dicht, verliest aan transparantie en wordt kortademig. Deze luidspreker heeft elders nogal hoge ogen gegooid, maar ik meen dat ik in dit geval best eigenwijs mag zijn: enige distantie en nuchterheid zijn zeker gerechtvaardigd.

Hepta Gem

De Gem is aangenaam en mild, eigenlijk een alleseter die ook in het laag weet te scoren, maar zeker niet het onderste uit de opnamekan haalt. Er wordt een vriendelijk gordijn opgetrokken, waardoor menig detail (bijv. begeleidingsfiguren in de tweede violen in Beethovens Pastorale onder Harnoncourt) in de grondverf blijft steken. De openingsfanfare in de Dansereye is niet echt scherp gestoken en de strijkersinzet in Strauss' Im Abendrot mist de juiste attaque. Het onderscheid tussen de verschillende opnamelocaties kan minder trefzeker worden gemaakt en mis ik de vederlichte toets en de ruimtelijke details in het openingskoor van de Johannes-Passion. Het fraai opgenomen slagwerk in Rodeo en Dansereye wordt door de Gem minder rijk weergegeven. Is bij de Mission sprake van overbelichting, bij de Gem is het juist de onderbelichting die het karakter grotendeels bepaalt. Het is maar waar je als ontwerper voor kiest, waarbij Hepta blijkbaar duidelijk de voorkeur gaf aan een kleine luidspreker in een redelijke prijsklasse, die moest voldoen aan het meest voor de hand liggende criterium: een weergever die in de eerste plaats niet opvalt door echt nare trekjes, ook al moeten er dan concessies worden gedaan aan transparantie en definitie. Hepta besteedde veel zorg aan de klankbalans, want het klankbeeld is homogeen (Respighi), met een goed, zij het niet echt uitbundig stereobeeld (Piraten) en zonder dat specifieke instrumenten naar voren dringen. Er valt geen abrupt gat in het midden/laag: de cello van Fournier behoudt ook in dat bereik het vloeiende karakter. Baspizzicati missen wel de droge kern, maar zijn niet hol of boemerig, eerder wat vaag. Prettig is dat het aangename karakter bij sterk toenemend geluidsvolume behouden blijft: deze solide en ruim bemeten luidspreker heeft voldoende reserve om in de luidruchtigste passages toch te overtuigen. Dat merk je ook bij een goede piano-opname (Mendelssohn/Perahia) met de volumeregelaar in een extreem hoge stand. De piano-klank wordt dan niet blikkerig of wankel, en het perspectief van de opname verandert niet merkbaar.

Dali 104

De vrijstaand te gebruiken 104 biedt een gaaf midden/hoog, maar overtuigt niet in het midden/laag. Dat blijkt al direct uit de celloklank (Bach/Fournier): de overgangen verlopen niet soepel genoeg en er gaapt een gat tussen de vloeiende cantilenen en de akkoorden in het lagere bereik. De eerste maten in de piano-partij van D 870 en 957 maken ook duidelijk dat het instrumentale timbre niet zonder kleuring is: de fraai vastgelegde, markante vleugelklank in D 870 gaat enigszins verloren. De basnoten in D 957 zijn dof en missen attaque, het droge timbre van de bariton komt niet voldoende tot zijn recht. De geplukte bas lijkt imposant, maar mist het pittige karakter. Het grootste bezwaar schuilt echter in een uitgesproken, holle weergave van bijna alle door mij beproefde cd's: er is duidelijk sprake van niet in de opname aanwezige (na)galm, die meer ruimte suggereert dan er daadwerklijk is, wat onverbiddelijk ten koste gaat van zowel het stereo-perspectief als de (bedoelde) detailrijke, kernachtige klank. De Chopin-etudes missen een scherp ritmisch en harmonisch profiel en komen ronduit zwemmerig de kamer in; de piano-bassen in Rachmaninovs op. 18 heersen ten onrechte over de orkestrale begeleiding en verzandt menig detail in een akoestische overdosis. Ik kan mij niet voorstellen dat deze 104 het in andere kamers wel goed doet, want ik kreeg in geen enkele door mij beproefde ruimte en positie een echt bevredigend resultaat. Het lijkt erop dat de voornaamste oorzaak in het aangebrachte dempingsmateriaal moet worden gezocht en dat de kastkleuring niet voldoende onder controle wordt gehouden. Eigenaardig toch, want Dali heeft al menigmaal bewezen dat men een goed produkt kan maken. De Dali 104 hoort er naar mijn smaak echter (nog) niet bij.

Kef Q30

Deze KEF overtuigt onmiddellijk en niet per se omdat de Uni-Q technologie werd toegepast. Hetgeen wil zeggen dat de koepeltweeter in het hart van de woofer is gemonteerd, wat ook buiten de gebruikelijke luister-as een zeer stabiel stereobeeld oplevert. Nee, Kef heeft gewoon goede weergevers in een rigide behuizing toegepast en bovendien veel zorg aan de demping besteedt. De beste typering: een goed onder controle gehouden uitbundigheid. Het begon al goed met de stralende openingsfanfare in Dansereye, de rijke strijkers en het goed gedoseerde koper in Rodeo, de heldere, pittige houtblazers in de kleurrijke instrumentatie van Respighi en een spetterende, fonkelende weergave van de Piraten. Het laag loopt nog behoorlijk diep door en behoudt naast een warme gloed het vereiste, droge karakter. De kwaliteiten herken je onmiddellijk aan de hand van de opnamen die je zeer vertrouwd zijn: het 'a ha Erlebnis' zogezegd. Het authentieke instrumentarium komt eveneens overtuigend tot leven: de zo specifieke klank van de strijkers en de houtblazers komt levensecht over, terwijl Wispelweys droge barokcello in Vivaldi een lust voor het oor is. Een warme gloed die niet ten koste gaat van de transparantie en definitie, met een impulsweergave die klinkt als een klok. De belangrijkste, positieve kenmerken van de Q30 zijn zowelwel de gaafheid in het midden/laag als het gladde, transparante hoog die goede opnamen volledig tot hun recht laten komen en de minder geslaagde genadeloos etaleert. Deze Kef en de eveneens geteste Mirage wisten ook met de voor de gehele weergaveketen zeer veeleisende Turangalila-symfonie het beste raad. In de meest complexe passages en uitbarstingen (en dat zijn er in dit werk heel wat) is er een gemak die aan veel forsere, goede systemen doet denken en dat is zowel in dit formaat als in deze prijsklasse zonder meer een witte raaf. De Q30 past door zijn formaat niet op de boekenplank en moet bij voorkeur vrijstaand worden opgesteld, zo'n halve meter van de wand. Een metalen onderplaat met bijbehorende spikes word meegeleverd.

Mirage M-290

Onvoorstelbaar, de klank uit deze dwerg. Een zeer indrukwekkend stereotoneel, met een attaque die menig grotere broer doet verbleken. De droge, sonore bas en het neutrale timbre in het midden en hoog maken van het begin van D 870 een regelrecht feest: de Mirage scoort hier zeer hoog. De grote transparantie gaat nergens ten koste van het totaalbeeld en dat wijst minstens op een goede klankbalans. De ontwerpers hebben ook oor gehad voor een zo groot mogelijke detailwerking zonder scherpe, agressieve bijverschijnselen. Stemmen worden zeer natuurlijk en gemakkelijk weergegeven en staan perfect in de ruimte. Ook op het gebied van het authentieke musiceren is het feest, met de fraai articulerende hoorns en zijden strijkers in Handels Watermusic. De zo vaak dichtlopende finale van Mahler I blijft in de hevigste climaxen kernachtig en open en zonder dat compacte dat door menige luidspreker wordt geëtaleerd en het luisterplezier bederft. De warme gloed van de strijkers in het begin van de laatste akte van Tristan is even overtuigend als de felle slagwerkimpulsen in Rodeo of de voor luidsprekers lastige opening van Dansereye. Het tweede deel van Beethovens op. 58 is met kleine speakers meestal een naargeestige, magere affaire, maar ook hier scoort de Mirage, net als de Kef, hoog: het heerlijk diepe fundament van de lage strijkers wordt met veel aplomb en vooral droog neergezet. En evenals bij de Kef is het zachte orgelpedaal in Respighi's Via Appia goed waarneembaar (uiteraard in dit formaat niet op volle sterkte!). Dat de grote B&W 802/III of Cadans 5/II het nog met gemak van deze Mirage winnen, is - het prijsverschil alleen al in aanmerking genomen - een logische constatering. Maar tekenend is dat je met deze Mirage en ook de Kef een lange opera moeiteloos ondergaat en niet ieder moment verlangt naar een groter, kostbaarder systeem. Zowel op de boekenplank als vrijstaand op een standaard biedt de Mirage toch wel erg veel waar voor het geld en is - zij het dat het in competitie met de Kef een fotofinish is geworden - daarmee voor mij de winnaar van deze test geworden. U mag zeker nog wel doorsparen, maar u komt aan muzikaal plezier en emotie niets tekort, wanneer u het bij deze Mirage (of Kef!) houdt.

Quadral Alto

Behoorlijk uit de kluiten gewassen en met een vrij hoog rendement. Maar: het begin van D 870 kan al dodelijk zijn en dat betekent in dit geval een verlopend perspectief met een nasale bijsmaak. Dit is niet Reimanns vleugel op zijn mooist. Fassbaenders mezzo wordt in de luidruchtiger passages hard en scherp. Het authentieke instrumentarium krijgt op het eerste gehoor goed gestalte, maar mist bij intensief beluisteren toch het bloemige en soms ook gekruide karakter, met te weinig zijdeglans op de violen. Baspizzicati worden ferm neergezet, maar missen de droge kern, zoals ook het octaaf rond de centrale c van de piano attaque ontbeert. Fraseringsdetails in goed opgenomen liedrecitals worden onderbelicht. Toch - en dat is zeker niet tegenstrijdig - biedt de Alto bij menig programmamateriaal best een aangenaam en redelijk veelzijdig beeld (Rodeo, Dansereye, Respighi en de Piraten). Het is zeker geen luidspreker die snel luistermoeheid veroorzaakt of het plezier in muziek terstond ondermijnt, maar zeker van lieverlede toch naar meer doet verlangen. Ook Fourniers cello kan daaraan niets veranderen: de Alto ontkomt evenmin aan dat gat in het lage midden, terwijl er in dit gebied nu juist ook een iets bollend effect ontstaat. De naam (Alto!) in aanmerking nemende, zou deze speaker juist in dit bereik goed moeten scoren! Sommige nadelige effecten worden in specifieke ruimten, vrij van de muur, weliswaar minder benadrukt, maar desondanks kwam deze Alto in deze test over de gehele linie muzikaal vermogen tekort.

Conclusie

Ik maak er geen wedstrijd van, met goud, zilver of brons als beloning. Het is ook geen kwestie van wie het hardst loopt of het verst gooit: iedere luidspreker in deze reeks heeft een aantal boeiende, muzikale eigenschappen, maar het gaat er nu juist om tot een afweging te komen die is gericht op het doorlaten van zoveel mogelijk muziek en goed gedoseerde ruimte, en zo weinig mogelijk opvallende, minder positieve eigenschappen. Zo scoort de Hepta Gem op dit laatste punt zeer behoorlijk, maar geeft de muziek naar mijn smaak wat minder de vrije teugel. De Mission lijdt aan overbelichting in het middengebied en is minder geschikt voor het grotere werk, maar weet met zeer stevige impulsen wel goed raad. De Quadral heeft in het kritische midden nasale trekjes en komt evenwichtige hoogglans tekort. De Dali is naar mijn smaak een te hol, zelfs wat galmende luidspreker, die menig detail al in de kiem smoort. De Kef Q30 en de Mirage M290 krijgen in dit gezelschap zonder al te veel moeite van mij de hoogste klassering, met de bijbehorende boodschap dat noch de kleinbehuisde, noch de onvermogende muziekliefhebbers per se door moeten sparen! Met altijd weer de kanttekening dat de laagweergave van deze kleine(re) luidsprekers het qua sonoriteit en kwaliteit nooit kan opnemen tegen de grote(re) en meestal aanmerkelijk duurdere systemen. En dan heb ik het nog niet over de bijzondere liefde voor de elektrostaat!


_______________________________________
Beluisterd:

Haydn: Celloconcerten.
Christopher Coin (barokcello), The Academy of Ancient Music o.l.v. Christopher Hogwood.
L'Oiseau-lyre 414615-2

Schubert: Adeh!, D 957.
Dietrich Fischer-Dieskau (bariton), Alfred Brendel (piano).
Philips 411421-2

Schubert: Der Wanderer an dem Mond, D 870.
Brigitte Fassbaender (mezzo), Aribert Reimann (piano).
DG 411051-2

Beethoven: Symfonie nr. 6 in F, op. 68, 'Pastorale'.
The Chamber Orchestra of Europe o.l.v. Nikolaus Harnoncourt.
Teldec 2292-46452-2 (5 cd's)

Bach: Johannes-Passion, BWV 245.
Solisten, Koor van De Nederlandse Bachvereniging, The Amsterdam Baroque Orchestra o.l.v. Ton Koopman.
Erato 4509-94675-2 (2 cd's)

Bach: Cellosuites.
Pierre Fournier (cello).
DG 419359-2

Mendelssohn: Pianowerken.
Murray Perahia (piano).
CBS SONY MK 37838

Chopin: Etudes.
Vladimir Ashkenazy (piano).
Decca 414127-2

Rachmaninov: Pianoconcert nr. 2 in c, op. 18.
Vladimir Ashkenazy (piano), Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink.
Decca 414475-2

Messiaen: Turangalîla-Symphonie.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly.
Decca 436626-2

Handel: Water Music, suite nr. 1-3.
The English Baroque Soloists o.l.v. John Eliot Gardiner.
Philips 434122-2

Wagner: Tristan und Isolde.
Solisten, Chor und Orchester der Bayreuther Festspiele 1966 o.l.v. Karl Böhm.
DG 419889-2 (3 cd's)

Beethoven: Pianoconcert nr. 4 in G, op. 58 - 32 Variaties, WoO 80.
Claudio Arrau (piano), Staatskapelle Dresden o.l.v. Sir Colin Davis.
Philips 416144-2

Respighi: Orkestwerken.
Orchestre symphonique de Montréal o.l.v. Charles Dutoit.
Decca 410145-2 (inmiddels verkrijgbaar in goedkope Ovation-serie)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links