Actueel

Het tweede steunpakket

voor de culturele en creatieve sector

in tijden van corona

 

© Aart van der Wal, 2 september 2020

 

In de media is er weliswaar niet enthousiast op gereageerd, maar een feit is wel dat minister Ingrid van Engelshoven (OCW, D66) 482 miljoen van de rijksschatkistbewaarder Fopke Hoekstra (Financiën, CDA) heeft weten los te peuteren ter ondersteuning van de zich in grote nood bevindende culturele sector. Dat is een wapenfeit dat er niet om liegt. Niet dat volgens Van Engelshoven daarmee alles overeind kan worden gehouden, maar wel dat het bedrag voldoende moet worden geacht om ‘het culturele leven overeind te houden'.

Als we het in april verleende steunpakket van 300 miljoen erbij betrekken is nu sprake van in totaal 782 miljoen dat overigens geheel losstaat van de verschillende steunmaatregelen die gericht zijn op inkomensondersteuning, zoals de bekende TOZO-regeling voor zzp'ers en de NOW-regeling als bijdrage in de loonkosten voor behoud van (zoveel mogelijk) werkgelegenheid. Evenmin is het zo dat het Fonds Podiumkunsten uit dit verleende steunpakket mag gaan putten: wat dit fonds nog extra nodig heeft om alle positief beoordeelde aanvragen voor de periode 2021-2024 financieel met gelijke munt te honoreren (in totaal zou daarvoor aanvullend zo'n 16 miljoen moeten worden uitgetrokken) valt buiten de coronaproblematiek en moet om die reden dus apart worden beoordeeld. De uitkomst daarvan is waarschijnlijk rond Prinsjesdag te verwachten.

Die 482 miljoen, bedoeld om de periode tot juli 2021 te overbruggen, wordt niet exclusief toebedeeld aan het muziekbedrijf. Over de exacte verdeling wordt nog nagedacht (klik hier voor de Kamerbrief), maar wel staat vrijwel vast dat In de gekozen opzet zo'n 200 miljoen naar de culturele instellingen en de producenten vloeit, terwijl de gemeenten 150 miljoen krijgen toebedeeld ter ondersteuning van de lokale culturele activiteiten. Het laatste bedrag staat weliswaar los van de door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reeds toegezegde 68 miljoen ter leniging van de financiële nood die voor zowel de gemeenten als de provincies voortkwam uit de coronacrisis maar maakt wel degelijk – anders dan in sommige media werd bericht – deel uit van de reeds genoemde 482 miljoen.

Er wordt 14 miljoen apart gehouden als overbruggingssubsidie ten behoeve van die instellingen die op dit moment nog subsidie ontvangen vanuit de BIS (Basisinfrastructuur) en het FPK (Fonds Podiumkunsten). Dit bedrag wordt dus niet aangewend voor het nieuwe kunstenplan voor de periode 2021-2024 dat volgend jaar in werking treedt.

Voor de kleinere (private) musea en bijzondere kunstcollecties wordt 20 miljoen uitgetrokken, terwijl 30 miljoen gelijkelijk wordt verdeeld over het varend erfgoed (historische schepen) en het garantiefonds ten behoeve van filmproducties en pilots.

Het blijft knellen voor de zzp'ers
Zowel het eerste als het tweede steunpakket dient als financiële overbrugging voor de culturele en - om het beeld compleet te maken - creatieve sector ten tijde van corona. Of het voldoende zal blijken zal vooral afhankelijk zijn van de tijdige beschikbaarheid van een vaccin. Over de publieksaanwas zal niemand zich momenteel enige illusie maken.

De betekenis van de beide steunpakketten voor de ongeveer 160.000 in de culturele sector werkzame zzp'ers is beperkt en vooral afhankelijk van de mogelijkheid om hen voor specifieke concerten of voorstellingen in te huren. Aangezien de anderhalve-meter-afstand doctrine zowel gevolgen heeft voor de zaal- als de podiumbezetting, is dat van negatieve invloed op hun inzetbaarheid. In veel gevallen zal die zelfs zijn of nog worden gemarginaliseerd. Anders ligt dat voor de musici in vast dienstverband, zoals bij de grote orkesten en ensembles: zij weten zich verzekerd van een contractueel vastgesteld inkomen waarop (vooralsnog) niet hoeft te worden ingeleverd.

Maar de zzp'er wordt toch ook financieel ondersteund? Ja, maar die steun blijkt in de praktijk uiterst beperkt, of uitgekleed zo u wilt. Er zijn twee verschillende, elkaar deels zelfs versterkende ‘toetsen' in het Haagse verdelingsspel gebracht: de (meeverdienende) partnertoets en de vermogenstoets (het eigen geld). Op zich lijkt dat een redelijk uitgangspunt, maar in de praktijk pakt het voor menigeen uit als een botte bijl. Als de meeverdienende partner een (eigen) inkomen genereert dat niet ruim boven de toetsingsgrens ligt en de andere partner heeft onvoldoende eigen geld, dan is - zeker indien sprake is van een gezin met een of meerdere kinderen - armoedeverval het onvermijdelijke gevolg, want de vaste lasten kunnen niet meer worden betaald, het huis moet te koop worden gezet, enz.

Een ho(o)g(er) geklasseerde arbeidsverleden legt daarbij even veel of even weinig gewicht in de schaal als la(a)g(er) geklasseerd werk. Kortom, de musicus die een dure vooropleiding achter zich heeft krijgt geen euro meer ten opzichte van degene die een lage(re) opleiding heeft genoten (en bijvoorbeeld werkzaam is als kelner in de horeca of als huishoudelijke hulp in een verzorgingshuis).

En de vermogenstoets? Die houdt geen rekening met het zogenaamde appeltje-voor-de-dorst, bijvoorbeeld in de vorm van een pensioenvoorziening die niet is ondergebracht bij een verzekeraar o.i.d.

Het is zoals met zoveel regelingen uit verleden en heden: eenieder die er gebruik van kan maken wordt vereenzeligd met een soort grootste gemene deler omdat er - als die lust er al toe zou bestaan - geen bureaucratische capaciteit is om fijnmaziger te kunnen toetsen. Voor de inkomenstoets ten aanzien van de meeverdienende partner geldt een grens, waarbij het niet relevant is of die nu wel of niet in hoge mate daarvan naar boven afwijkt. Wie een inkomen heeft dat zich nét op of boven die grens beweegt heeft dus pech ten opzichte van degene die er ruim boven zit.

Het roer…
Vele zzp'ers in de culturele sector zijn dat niet uit vrije wil, maar zijn ertoe gedwongen. Dat heet in eufemistische termen ‘gezonde marktwerking'. Het is net zo doorgeschoten als het aantal flexcontracten, wat ook gevolgen heeft gehad voor een sociaal aanvaardbaar vangnet. Een deel van de politici dat nu twijfels heeft over deze aanpak in het verleden, stond nota bene wel aan de wieg van de invoering ervan. De bedenkers van toen die nu fungeren als de oppositie van nu: het is een zich voortdurend herhalend schouwspel.

De beide steunpakketten bieden evenmin soelaas voor het in de culturele sector gehanteerde uitbuitingssysteem dat vooral wordt gestimuleerd door de wanverhouding tussen vraag naar en het aanbod van van zzp'ers. We hebben aan dit naargeestige aspect al eerder de nodige aandacht besteed. Het is het generieke probleem van ‘voor u tien anderen', met als gevolg de persistente afbraak van wat een redelijk honorarium had moeten zijn. Dat het roer om moet lijkt voor de musici die het treft eerder duidelijk te zijn dan voor de instituten die hen inhuurt. Zo bezien is er binnen dit merkwaardige spel van bestaande machtsverhoudingen van zogenaamde fair practice nog lang geen sprake.

De problematiek rond de zzp'ers en de flexwerkers is als gevolg van de coronacrisis in een stroomversnelling gekomen, maar vooralsnog ontbreekt de politieke wil om aan deze geforceerde praktijk van inkomstenderving een einde te maken.

Diversiteit
Een interessant onderwerp: de diversiteit in de muzieksector. Of in de woorden van de minister van OCW: het draait om ‘gender, afkomst, leeftijd en regionale spreiding' en dat iedere kunstuiting daarvan blijk behoort te geven en waarin ‘iedereen zijn verhaal erin moet herkennen'. Dat is volgens haar evenwel niet de praktijk, want de culturele wereld is niet ‘extreem divers'. Dat in de zalen geen publiek zit dat een afspiegeling vormt van de Nederlandse samenleving en dat we daar ‘echt veel te winnen hebben'.

Het is een opvatting die geen enkel hout snijdt. Wie van klassiek houdt, hoeft nog niet van pop of jazz te houden; en omgekeerd. ‘Extreme diversiteit', om dit begrip nog maar eens te hanteren, laat zich niet sturen: kunstuitingen zijn per definitie specifiek en net zo specifiek gericht op een bepaalde doelgroep. Zo was het altijd en zo zal het blijven. Wie nieuw publiek wil winnen doet dat niet door de ene kunstuiting in te ruilen voor de andere, door aldus wezenloos te laveren tussen het een en het ander, maar door het best mogelijke te bieden binnen de contouren van een gegeven artistieke discipline. Hoogstens zou er additioneel kunnen worden gedacht aan cross-overs, bijvoorbeeld door het traditionele symfonieorkest (mede) in te zetten voor de musical (wat niet per se betekent dat daardoor in het symfonisch domein nieuw publiek wordt aangetrokken; of omgekeerd).

Het kan ook niet zo zijn dat door politiek Den Haag wordt bepaald wat wel en wat niet ‘divers' is, hoewel niet zonder verdriet moet worden geconstateerd dat ook wat dit betreft instellingen als de Raad voor Cultuur en het Fonds Podiumkunsten zich in hun advisering er steeds meer door laten leiden. U kent inmiddels de sleutelwoorden wel die daarbij te pas en te onpas worden gehanteerd: vernieuwing en inclusie.

Waar staan we?
Ondanks het ruimhartige steunpakket ziet het er voor de concertzalen, theaters, musici, acteurs, kunstenaars en al degenen achter de schermen (denk alleen maar aan de veelal brodeloos geraakte technici voor licht en geluid, decorbouwers, kostuumnaaiers, enz.) nog steeds zwartgallig uit. Slonk het BBP in het tweede kwartaal met 8,5%, de krimp in de cultuur- en (re)creatiesector was maar liefst 37,4%. Men hoeft waarlijk geen rekenwonder te zijn om te beseffen welke directe kaalslag hiervan rechtstreeks het gevolg is geweest. Allerlei positief getinte initiatieven in de muzieksector (concerten die weer worden opgestart, de Nationale Opera die weer voorstellingen biedt, Carré dat de deuren heeft opengezet, het Festival Oude Muziek dat weer van zich laat horen, Liza Ferschtman die onder meer met Bach-in-de-kerk de draad heeft opgepakt) ten spijt zijn er de duizenden kunstenaars die de eindjes niet of nauwelijks aan elkaar kunnen knopen, terwijl niemand een fortuin kan bouwen op een orkest van maximaal zo'n 70 musici dat speelt voor een zaal met hooguit 300 liefhebbers. Schrijnend is ook dat die kaalslag veel grotere financiële gevolgen heeft voor de zzp'ers dan voor de musici in vast dienstverband; terwijl aan beide groepen qua professionaliteit vergelijkbare eisen worden gesteld.

Omscholing?
Het wordt door de politici ‘gestimuleerd', maar het is zelfs geen doekje voor het bloeden. Niet alleen liggen de alternatieve banen niet voor het opscheppen, maar er is ook zoiets als arbeidsvreugde in het geding en daar hoor ik niemand over. Het wordt, onder meer door minister Koolmees (SZW, D66) veel te gemakkelijk gezegd: “Laat je omscholen, in de zorg zijn banen genoeg.” Daar moet je dan wel zin in en bovendien ook nog de mogelijkheden toe hebben. Maar hoe realistisch is het, de voor menigeen niet te overbruggen kloof tussen podium en polikliniek? En als er over een aantal maanden een werkzaam vaccin is en de culturele sector niet meer op een slof en een schoen verder hoeft? Daar sta je dan als (inmiddels) ex-musicus in een zorgcentrum of ziekenhuis. De weg terug dan maar weer? Van hovenier weer naar altviolist? Of beide in deeltijd?

Maar het stimuleren van omscholing doet toch, logisch geredeneerd, in de eerste plaats vermoeden dat er banen voldoende zijn? Het is een nogal merkwaardige 'werkelijkheid' die aldus uit de Haagse hoge hoed wordt getoverd. Nederland lijdt onder de coronacrisis, honderdduizenden hebben geen werk, talloze bedrijven balanceren op het randje van de afgrond en niemand die op voorhand kan zeggen wanneer het einde van die tunnel in zicht is. Maar wel de mond vol van omscholingscursussen? Het zijn niet meer dan gedachtespinsels vanuit een zelf gecreëerd fata morgana versus de harde werkelijkheid.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links