Actueel

'Sternstunde':

Schönbergs Gurre-Lieder in Amsterdam

 

© Neil van der Linden, februari 2024

 

Schönberg: Gurre-Lieder

Andreas Schager  (Waldemar), Wolfgang Ablinger- Sperrhacke (Klaus-Narr), Wolfgang Koch (Bauer), Camilla Nylund (Tove), Ekaterina Semenchuk  (Waldtaube), Robert Holl (verteller), Groot Omroepkoor, Laurens Symfonisch Koor, Chor des Bayerischen Rundfunks, Koninklijk Concertgebouworkest
Dirigent: Riccardo Chailly
Concertgebouw, Amsterdam, 2 februari 2024

Gurre-Lieder is eigenlijk een Schubert-Erlkönig tot de tiende macht. Zo brachten Riccardo Chailly en de centrale zanger en wat mij betreft de ster van de avond Andreas Schager het immense stuk. Schager is weliswaar een veteraan in de grote Wagner-rollen, maar, hoe volumineus de orkestpartijen ook zijn, hij kwam er telkens bovenuit, hij bleef een prachtige 'Liedsänger'.

Over zijn legendarisch opname van vier decennia geleden, met onder meer Siegfried Jerusalem, Brigitte Fassbaender en Hans Hotter, zegt Chailly nu dat hij toen accentueerde hoe het werk, waarvan Schönberg het eerste deel in 1903 voltooide, aansloot bij de eeuw van Tristan und Isolde tot en met Mahlers Tweede Symfonie. Nu zegt hij dat hij wil laten horen hoe het werk, waarvan Schönberg het vervolg eerst in 1911 voltooide, ook wil laten passen bij de tijd waarin de componist al volop met de mogelijkheden van de atonaliteit experimenteerde.

In het Concertgebouw, waarvan de akoestiek enerzijds ruimte laat voor het detail maar waar het grote symfonische repertoire gemakkelijk tot een groter geheel versmelt, slaagde Chailly erin de dualiteit van het werk fraai uit te laten uitkomen, in één grote spanningsboog.

En ja, mondt het idioom van Tristan und Isolde tot en met Gurre-Lieder - en als je het nog wat verder doortrekt - niet regelrecht uit in de twintigste-eeuwse filmcultuur? Dan dan heb ik het over groten als Korngold, Waxmann en Hermann (waar vervolgens John Williams cum suis lustig mee aan de haal gingen),

De slogan dat alles mooier klinkt in het Concertgebouw kennen we, maar als dat voor iets geldt dan is dat voor de gigantische orkestrale en kooruitbarstingen. Sinds ik vijftig jaar geleden als vastgenageld aan de grond stond bij een radio-uitvoering heb ik Gurre-Lieder, eerst op lp en later op cd, gekoesterd. Maar nu voor het eerst live was het alsof je eindelijk werd verenigd met een oude geliefde.

Ik ben zo ontzettend benieuwd naar wat die stuntelende nieuwe cultuurwoordvoerders in de Tweede Kamer, onder meer met een pleidooi voor de moeilijke situatie waarin onze schuttersverenigingen zich bevinden, van een concert als dit zouden hebben gevonden; als ze erbij zouden zijn geweest. Overigens hebben we met al dat prachtige koper dat deze avond present was heel wat te danken aan de amateurfanfares die vaak samen optrekken met schuttersverenigingen, dus ik bedoel niets ten nadele van deze cultuurvormen.

"Als ik kijk naar de partituur, wil ik alles laten horen. Bij een stuk dat zo vol muzikale lijnen zit, is dat ontzettend moeilijk," zo zei Chailly in een interview met NPO Klassiek. Toch liet hij ook in de meest complex bezette passages het orkest klinken alsof het werkelijk één instrument was, nu eens als een orkaan, dan weer als een lentebries, als muziek uit de hemel of uit de hel.

Het is misschien speculatief om te stellen dat vier decennia geleden Chailly zich het meest met een jonge krachtige Waldemar identificeerde en dat hij zich nu weleens meer verwant zou kunnen voelen met de wat de cynischer rollen van de nar en de verteller.

Overigens droeg ook Andreas Schager  uit dat ook Waldemar over meer levenswijsheid beschikt dan een Siegfried-achtige wildebras; de rol waarin Schager op het operatoneel verschijnt. En ook als Schager niet zong was hij nog steeds zeer aanwezig op het podium, acteerde hij als het ware mee, vaak met een milde, zelfs melancholische glimlach, zichtbaar meelevend met wat vocaal en instrumentaal om hem heen gebeurde. Nou ja, het gebeurt ook niet zo vaak in je leven dat je op die plek in zo'n werk zit. Schager was degene die, zingend en zwijgend, ons, het publiek, van het begin tot het eind deelgenoot maakte van het verhaal.

Camilla Nylund bleek een etherische, maar waar nodig ook warme Tove. Mede vanwege haar witte gewaad moest ik denken aan de Brünnhilde van Gwyneth Jones in Patrice Chéreau's Ring-enscenering in Bayreuth. Net als Jones 'oscilleerde' Nylund overtuigend tussen bovennatuurlijke verschijning en vrouw van vlees en bloed.

Camilla Nylund
(foto ©Lienneke Effern)

De partij van de Woudduif is zo mooi geschreven dat die daarom eigenlijk een zelfstandige 'hit' is geworden. Ekaterina Semenchuk was niet helemáál mijn ideale Woudduif door haar overmatig vibrato, maar de laagste en hoogste passages kon ze wel gemakkelijk aan. En verder waren er natuurlijk fenomenale Chailly, de drie koren en dat orkest...

Na ieder deel was een pauze ingelast. Daar is wat voor te zeggen, maar vanzelfsprekend is dat niet. Wel lijkt het logisch dat er er een tijdsspanne moet zijn tussen deel I en II. Nadat Tove is vermoord, gaat Waldemar eerst in de rouw, om vervolgens wraak te zweren tegenover God, die hem daarop veroordeeld om met zijn leger van dode soldaten eeuwig rond te dolen over de nachtelijke jachtvelden, telkens tot de dag aanbreekt. Dat horen we allemaal in de veel kortere delen II en III. Maar je kunt Tove's godslastering ook als een onbesuisde wanhoopsdaad voorstellen, zoals die onmiddellijk volgt op de dood van zijn geliefde. Er is dus ook veel voor te zeggen om het werk zonder onderbreking uit te voeren. Zo deed De (toenmalige) Nederlandse Opera het in de scenische uitvoering in de regie van Pierre Audi.

Er is ook een pragmatisch argument omdat de vrouwelijke stemmen alleen in het eerste deel voorkomen, en de drie mannenstemmen en het koor eerst na de pauze. Dat is ook in de concertzaal praktisch op te lossen, door de wisseling van de wacht plaats te laten vinden tussen de beide eerste delen . En bij Beethovens Negende en Mahlers Tweede zit het koor er immers ook vanaf het begin , terwijl het pas aan in de Finale optreedt.

Ikzelf verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat ik in een naar het leek uitverkochte zaal, na de eerste pauze toch van plaats kon veranderen, van een overigens prima plaats in het zijvak naar een de nog enig overgebleven plaats in het middenvak. Het leverde een extra kippenvel-ervaring op om al het geluid opeens recht op je af te horen komen.

Wolfgang Ablinger-Sperrhacke
(foto ©Lienneke Effern)

Klaus de Nar werd vertolkt door invaller Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, en ook al weten we niet wat we misten, dat hij inviel leek een geluk bij een ongeluk, in de rol die hij ook al had vertolkt in Pierre Audi's enscenering.

Al voordat hij begon met zingen, viel hij op met zijn droogkomische mimiek, starend naar de dirigent, alsof hij op elk moment diens signaal kon verwachten om te beginnen. Hij stond voortdurend muzikaal én theatraal in dialoog met Chailly. Klaus de Nar is degene die het allemaal heeft meegemaakt, en eigenlijk de slimste van het hele stel is, maar, mede door zijn lage komaf en zijn slaafse afhankelijkheid van anderen, en hier zonder zijn voormalige broodheer Waldemar, als het ware hoopt in de dirigent een nieuwe heer en meester te vinden. Erg mooi gedaan!

Dat laatste gold tevens voor de rol van verteller. Was dat in Chailly's cd-opname de toenmalige operaveteraan Hans Hotter, nu was dat een andere operaveteraan: Robert Holl. Zijn 'Sprechgesang' leek stram en vermoeid, het gezongen deel dat daarop volgt kwam er bijna stamelend uit, maar dat paste allemaal bij de rol. De spreker kondigt weliswaar het begin van een nieuwe dag aan, maar na de laatste uren van een uitputtende nacht, waartoe de personages zijn gedoemd, alvorens de stralende zon ze als spookbeelden verjaagt, en in de daarop volgende nacht alles opnieuw moet beginnen...

Sternstunde, dát was het in het Amsterdamse Concertgebouw, wat tevens gold voor de eminente bijdragen van het orkest en de drie koren.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links