G

Actueel

Lahav Shani en het RPhO in Arnhem:

Schubert, Bach en Berg

© Maarten Brandt, februari 2019

 

Schubert: Symfonie nr. 8 in b, D 759 (Unvollendete)
Bach: Toccata in c, BWV 911 - Pianoconcert in d, BWV 1052
Berg: Drei Orchesterstücke op. 6
Gehoord 4 februari 2019, Musis Sacrum, Arnhem


In Nederland maken we het anno tegenwoordig zelden, behalve bij de NTR ZaterdagMatinee, meer mee: een programma dat, alleen al wanneer je het leest, je gehele verbeeldingskracht in werking zet en dat als zodanig bijna het niveau van literatuur heeft. Dat is wel even wat anders dan een avond waarop een willekeurig rijtje stukken de revue passeert. Dit in combinaties die veelal kant noch wal raken. Het Rotterdams Philharmonisch orkest was in dat laatste kampioen en ik heb daarover dan ook meer dan eens mijn afkeuring allerminst onder stoelen of banken gestoken. Wat heet! En dit laatste ook op deze site. Maar eerlijk is eerlijk, bovenstaande productie is werkelijk voorbeeldig samengesteld en kan met recht als een model worden gebruikt voor zoals het ook zou kunnen en bij voorkeur zou moeten: ere wie ere toekomt! Jammer genoeg is mijn boek ‘Klinkende alchemie' (Uitgeverij Nieuwe Druk te Arnhem) – waarin het onderwerp programmeren de belangrijkste rode draad is - alweer de nodige tijd geleden verschenen, want anders had ik daarin voor dit fenomenale evenement wat graag plaats ingeruimd.

“Blessing in disguise”
Hoe dan ook, soms kunnen de omstandigheden ook een rol spelen. Het geval wil name namelijk dat het oorspronkelijke plan een concert was met Schuberts ‘Unvollendete', gevolgd door een selectie uit Mahlers symfonische liederencyclus ‘Des Knaben Wunderhorn' (met bariton Matthias Goerne in de hoofdrol) en afgesloten met Bergs Drei Orchesterstücke. Ook zeker een geheel dat de liefhebber doet watertanden – ‘Der Tambourg'sell' is bijvoorbeeld als een duidelijke voorbode van Bergs Marsch uit diens opus 6 te beschouwen - en meer daarover kunt u lezen in het verslag dat collega Aart van der Wal optekende (klik hier) van het concert op afgelopen vrijdag in de Rotterdamse Doelen. Maar Goerne bleek op 3 en 4 februari te zijn verhinderd en zo moest dus voor de optredens van het RPhO in Utrecht en Arnhem een alternatief worden gevonden met als uitkomst dit resultaat. En dat bleek niet minder dan een enorme “blessing in disguise.”

Schubert en Berg vormden nu de hoekpijlers. Twee werken die bol staan van de expressiviteit, maar die ook worden geschraagd door een bij uitstek duister karakter. En waarbij niet zelden in gevoelsmatig opzicht vervaarlijk wordt gebalanceerd langs de afgrond, dit alles is belichaamd in een uiterst subjectieve toonkunst van een tijdloze moderniteit. Trouwens over emotioneel klimaat gesproken, de werken van Bach vormen daarmee een optimaal contrast en werkten daarom binnen de algehele context als een weldadige catharsis. Een andere link tussen met name Bach en Berg is het fenomeen polyfonie. Neem de Toccata, waarin het klankbeeld gaande het verloop steeds dichter wordt, totdat vlak voor de afsluiting cesuren optreden en het totaal min of meer wordt gedeconstrueerd. Los van stijl en vocabulaire is hetzelfde fenomeen aanwijsbaar in het verpletterende slotdeel van Bergs infernale orkestrale drieluik. Waarbij bovendien valt te bedenken dat de oervader van de Tweede Weense School Arnold Schönberg zijn discipelen Bach altijd tijdens zijn lessen als hét voorbeeld bij uitstek voor ogen hield.

Toekomstgericht karakter
Dat het een bijzondere avond zou worden, bleek al meteen uit de aanhef van Schuberts Achtste, die door die door de jonge shef van het RPhO Lahav Shani allerminst ‘jongehonderig' werd benaderd. Zijn tempi waren breder dan gemiddeld, maar de indruk was geheel conform Mahlers welbekende aanduiding ‘Langsam, aber nicht schleppend'. Het geheel stond als een huis en hoewel menig detail werd uitgelicht, ging dit geen seconde ten koste van het articuleren van de grote lijn, integendeel. Ook het toekomstgerichte karakter van deze bijzondere symfonie, die in alles afwijkt van de overige symfonieën die Schubert schreef, kwam in Shani's benadering voorbeeldig tot zijn recht. Een dan noem ik slechts één voorbeeld, die ijle vioolmelodie met die merkwaardige modulatie vlak voor het slot van het tweede deel. Zelden kreeg ik daar een zo sterke associatie met niet alleen Mahlers Tiende symfonie (het befaamde adagio, dus datgene wat Mahler nog tot een goed einde wist te brengen), maar zelfs de late Webern. Over tijdloos gesproken!

Zoveel werd hierdoor duidelijk, een ‘Unvollendete' zo intens gespeeld en aldus geprogrammeerd is ‘af', daar past emotioneel gesproken niets na in de geest van een reconstructie van het scherzo. Om het even hoeveel er musicologisch geredeneerd ook voor valt te zeggen dat wel te doen, in welk verband ik opnieuw verwijs naar het concertverslag van 1 februari, waarin Aart van der Wal nader op deze materie ingaat. Maar het besluit de pauze nu maandag na Schubert in te lassen werkte uitstekend.

Tijdens het begin van het tweede gedeelte van het concert stonden de schijnwerpers alleen op de piano gericht, terwijl de rest van de zaal was verduisterd, zodat alle aandacht op Shani's pianistiek kon worden gericht. Oude muziek-fanaten door dik en dun zullen wel even moeten hebben slikken bij deze ouderwetse Bach op het klavier. Maar het klonk als en klok, die toccata. Immers, ook tijdens de meest complexe passages bleef de structuur volkomen doorzichtig en ondanks het feit dat Shani soms fors uitpakte boette de klank geen moment aan veerkracht en souplesse in. Vervolgens voegden de strijkers van het RPhO zich bij de pianist en kwam een vertolking tot stand die deed denken aan I Musici op hun beste avonden. Een verhaal apart is natuurlijk het middendeel van BWV 1052 waarin een glansrijke eenstemmingheid domineert, wat zowel een prachtige tegenstelling opleverde met de Toccata en met wat er nog zou komen.

Traditie
Het grote probleem met Berg is dat iedere dirigent, om het even of deze nu Boulez, Abbado, Haitink of Shani heten, zich geplaatst zien voor de noodzaak keuzes te maken om de juiste balans te vinden. En voor welke keuze men ook opteert, altijd gaat die ten koste van iets anders, dat is bij deze partituur nu eenmaal onvermijdelijk. Gelukkig is Shani iemand die dit niet uit de weg gaat en hierin bovendien kleur bekent. Ook letterlijk, want met name in de eerste beide stukken stuurde hij aan op versmelting in plaats van het afbakenen van de diverse groepen in het orkest met als gevolg fascinerende en kleurige sonore klankcomplexen. Zelden werd ik dan ook tijdens het beluisteren van Präludium en Reigen zo aan Debussy en speciaal aan diens ‘La Mer' herinnerd, zelfs nog sterker dan bij Boulez bij wie dit meer voor de hand zou hebben gelegen. Dat de inzet van de beruchte hoge es van de trombone in het eerste stuk kantje-boord was, zie ik daarbij graag door de vingers (ik kan me moeilijk een live-uitvoering voor de geest halen waarbij dit niet gebeurde). Verder had het tempo van het eerste stuk naar mijn smaak een fractie minder snel gemogen. Opmerkelijk was ook de coda – met dat langzame stretto - van Reigen die me opeens, qua instrumentaal en atmosferisch effect, aan Stravinsky's ‘L'oiseau de feu' deed denken, waarmee duidelijk werd onderstreept hoe Shani deze partituur in een zekere traditie wilde plaatsen en daarin onmiskenbaar verschilt van zijn collegae. Zoals onder meer Boulez, wiens interpretatie niet alleen iets over Berg zegt alswel ook heel veel over zijn eigen muziek, met als uitkomst dus iets totaal anders dan wat Shani hier liet horen. De Marsch is uiteraard door de enorme densiteit een probleem op zich. Maar gelukkig verschoot de dirigent zijn kruit niet te vroeg en werd de spanning langzaam maar zeker tot immense hoogten opgestuwd en waarbij de doffe hamerslagen voor de prachtige en onontbeerlijke ontladingen zorgden. Opnieuw was het echter de coda die de aandacht trok, en waarin men opeens – niet zozeer in noten, maar wel in sfeer – verre echo's van Schuberts ‘Unvollendete' meende te bespeuren. De finale klap kwam daarna des te harder aan.

De ovatie van het publiek – een kleine 400 mensen waren komen opdagen, wat bar weinig was gezien wat er aan kwaliteit werd geboden; de zaal bood wat dat betreft een troosteloze aanblik – was enorm. Dat Berg een kolossale impact op de aanwezigen had, was duidelijk, Shani moest meerdere malen op het podium terugkomen. Helaas laat de plaatselijke pers het al sedert jaar en dag in alle toonsoorten afweten, want het dagblad ‘De Gelderlander' - een van de slechtste kranten van Nederland en eigenlijk alleen goed voor de kattenbak – schrijft alleen over sport, politiek en sensatie en daar vallen kunst en cultuur nu eenmaal niet onder.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links