G

Actueel

Lahav Shani en de Weense School

 

© Aart van der Wal, februari 2019

 

Mahler: Lieder aus des Knaben Wunderhorn (Rheinlegendchen - Wo die schönen Trompeten blasen - Das irdische Leben - Urlicht - Revelge - Der Tambourg'sell)
Schubert: Symfonie nr. 8 in b, D 759 (Onvoltooide)
Berg: Drei Orchesterstücke op. 6
Matthias Goerne (bariton), Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Lahav Shani
Gehoord 1 februari 2019, De Doelen, Rotterdam


Des Knaben Wunderhorn
In welke volgorde de liederen gezongen moeten worden is arbitrair en al helemaal als slechts een selectie ervan wordt uitgevoerd. Het betreft immers geen gesloten cyclus, maar een collectie orkestliederen zoals Mahler die tussen 1892 en 1901 componeerde. Contrastwerking is belangrijk, affect en verbeelding spelen – zoals altijd in het liedrepertoire - een doorslaggevende rol . Waarbij het uiteraard de zangtechniek is die dit alles wel mogelijk moet maken. Dan is er in dit geval het orkest dat door Mahler niet in slechts een begeleidende rol is gedrukt, maar volop deelneemt aan deze sterk romantisch getinte evocaties.

De Duitse bariton Matthias Goerne is tot in al zijn vezels met deze liederen vertrouwd. Ook in ons land werden zijn zinderende vertolkingen door zowel publiek als critici warm ontvangen. Zo zong hij in 2016 in Amsterdam bij het Concertgebouworkest de liederen uit Des Knaben Wunderhorn. Maar ook zijn Schubert- en Brahms-opnamen getuigen van groot inzicht in dit repertoire (ik heb een groot aantal daarvan op onze site enthousiast besproken). Zo was het ook afgelopen vrijdag in Rotterdam. Ondanks een lichte verkoudheid was daar weer die gloeiende warmte in de lage regionen, het kleurrijke midden en de naar het ultiem fragiele neigende hoogte waarmee hij zijn tekstverbeelding voortdurend fascinerende impulsen gaf. Zo'n frase als ‘er mich so leise, so leise wecken kann?' uit ‘Wo die schönen Trompeten blasen', bewijst hoezeer Goerne ook in zachte passages zijn vocale vocabulaire volledig onder controle heeft. De beide laatste liederen boden het expressieve summum: het huiveringwekkend bittere 'Revelge' (Des Morgens stehen da die Gebeine / in Reih' und Glied, sie steh'n wie Leichensteine) en het sardonisch aangezette ‘Der Tambourg'sell', waarvan vooral de laatste strofe (ich schrei' mit heller Stimm:Von Euch ich Urlaub nimm! / Gute Nacht!) nog lang naklonk. Shani en het orkest onderstreepten daarbij niet alleen het belang van een analytisch en strikt helder gehouden klanktapijt, met strijkers, hout- en koperblazers in hun ware glansrol, maar gaven ook ruimte aan de vele tedere, soms bijna breekbare momenten. Het zijn zo van die aspecten die deze kostelijke liederen nog eens extra profiel en karakter geven.

'Halve' symfonie
In de meeste programmatoelichtingen, maar ook op en naast het podium maakt men zich er nogal gemakzuchtig af met slechts de opmerking dat Schuberts ‘Unvollendete' uit slechts twee delen bestaat, het derde onvoltooid is gebleven en van het vierde, als het al ooit heeft bestaan, ieder spoor ontbreekt.

We weten niets over het tijdstip van ontstaan, maar wel dat Schubert minstens drie delen van een ‘symfonie in b' heeft gecomponeerd, waarvan eerst in de vorm van een compleet particel. Dat geldt dus ook voor het derde deel, het Scherzo. Van dat particel zijn helaas de eerste drie van de in totaal tien pagina's verloren gegaan (of in onbekend bezit geraakt), maar onderzoek heeft gelukkig geleerd dat ze overeenkomen met de eerste 248 maten van het eerste deel. Het schetsmateriaal voor het derde deel, het Scherzo, eindigt helaas bij het ontwerp van het Trio: de daaropvolgende notenbladzijden zijn leeg.

Het op basis van de schetsen later uitgewerkte partituurmanuscript omvat in totaal zeventig doorgenummerde bladzijden netschrift in Schuberts handschrift. Het betreft de eerste drie delen, maar na twintig volledig geïnstrumenteerde maten breekt het Scherzo om onbekende redenen af. De eerste bladzijde fungeert als titelblad, met daarop fijn gekalligrafeerd: Sinfonia / in / H moll / von / Franz Schubert / mpia (= ‘manu propria', eigenhandig). Plaats en datering: Wien den 30 Octob. 1822.

Het Scherzo bleef lang onder de waterlinie, totdat in 1883 de Pruisische bas en musicoloog Max Friedländer de schetsen onder ogen kreeg en daarover vier jaar later in Berlijn publiceerde. Twee jaar eerder, in 1885, was de ‘halve' symfonie in Leipzig in druk verschenen. De schetsen werden later opgenomen in het ‘Revisionsbericht' bij Serie I van de ‘Schubert Gesamtausgabe'.

Het door Schubert volledig geïnstrumenteerde begin van het Scherzo

Losgesneden
In 1967 stuitte Christa Landon in het archief van de Weense ‘Männergesangverein' op een tot dan onbekende partituurbladzijde met daarop de maten 10 tot 20 van het Scherzo. De instrumentatie was onvolledig. Het blad leek losgesneden te zijn, door wie en wanneer blijft onbekend. Er is reden om aan te nemen dat het blad, ooit in het bezit van de Schubert-familie, bij de een of andere gelegenheid aan de mannenvereniging geschonken is en mogelijk als aandenken heeft gediend.

Facsimile-uitgave
In 1978 verscheen onder toezicht van Landon en Walther Dürr bij het uitgevershuis Katzbichler een geactualiseerde fascimile-uitgave, zowel van het partituurfragment als van de schetsen (waarvan de lege bladzijden overigens waren weggelaten). In 1996 verscheen in het kader van de ‘Neue Schubert-Ausgabe' het voltallig beschikbare materiaal bij Bärenreiter als zakpartituur (maar helaas zonder het doorgaans erbij behorende ‘Kritischer Bericht').

Papieronderzoek
Uit het door Ernst Hilmar en Robert Winter uitgevoerde papieronderzoek is komen vast te staan dat de symfonie in 1822 moet zijn gecomponeerd. De papiersoort is namelijk dezelfde als die Schubert gebruikte voor de uit datzelfde jaar stammende ‘Wanderer'-fantasie. Bovendien vinden we in de partituur van de ‘Unvollendete' het type bassleutel en de toen typische notenkoppen zoals Schubert die in de jaren 1821 en 1822 neerschreef. Al moeten wel enige slagen om de arm worden gehouden omdat Schubert eerder gebruikte notenbladen soms later voor ander werk gebruikte. Ook kwam het voor dat (veel) eerder ingekocht blanco notenpapier pas later maar ook kriskras door elkaar heen en niet gebonden aan een bepaalde periode, werd gebruikt.

Newbould
Van het Scherzo-fragment kan minstens worden gezegd dat het overgeleverde schetsmateriaal alles bevat dat Schubert voor de verdere uitwerking ervan nodig had. De eerste maten zijn zowaar zelfs volledig geïnstrumenteerd voorhanden. Wat ontbreekt is de verdere instrumentatie en dat we het moeten doen met een slechts nauwelijks uitgewerkt Trio. Daaraan valt echter een creatieve mouw te passen Brian Newbould heeft dat – uiteraard op op basis van zijn inzichten - al bijna een halve eeuw eerder gedaan en uitvoerig toegelicht in zijn in 1990 verschenen boek ‘Schubert and the Symphony'. De 'oplossing' lag voor de hand: teruggrijpen op Schuberts wijze van instrumenteren (altijd in relatie tot het in die tijd beschikbare instrumentarium, en dan met name de toen gebruikte hoorns en trompetten!) en de herleiding van het Trio zoveel mogelijk vanuit het overgeleverde schetsmateriaal.

Het wordt door sommigen als een discrepantie gezien: het ‘lichtere' (anderen spreken zelfs van ‘triviaal') Scherzo ten opzichte van de – tenminste daarmee vergeleken - voorafgaande twee ‘zware' delen. Het is geen nieuw geluid en er zit Iets soortgelijks in de commentaren op Bruckners Negende symfonie in de deels gereconstrueerde, vierdelige versie: het ‘afsluitende' Adagio (veelal ten onrechte als ‘afscheid van het leven' betiteld) en die finale zouden niet bij elkaar passen, terwijl nu juist het merendeel daarvan wel degelijk van Bruckners hand stamt (het wordt hier in extenso uitgelegd). Dergelijke kritiek lijkt eerder een psychologische achtergrond te hebben, ingegeven door een ingesleten uitvoeringstraditie en daarmee de gehoorgewenning. Terwijl Cooke's 'performing version' van Mahlers Tiende in de loop der jaren dusdanig ingeburgerd is geraakt dat het werk niet meer als zodanig wordt ervaren. Waarbij nog mag worden aangetekend dat Mahler alleen het openingsdeel (Adagio) in zijn vrijwel definitieve vorm heeft achtergelaten en alleen al daardoor het contrast met de overige vier onvoltooid gebleven delen als 'natuurlijk' wordt ervaren.

De Duitse musicoloog Benjamin-Gunnar Cohrs (hij werd met name bekend door de reconstructie van de finale van Bruckners Negende) heeft het Scherzo opnieuw op de schop genomen (hij werkte er al eerder aan, tot 2004, toen samen met Nicola Samale) en dan vooral de gehele instrumentatie en het Trio. De finale (het betreft een vierdelige versie) is in zekere zin een ‘noodgreep' door deze te ontlenen aan Schuberts toneelmuziek bij 'Rosamunde'. Een en ander mondde in 2015 uit in de 'Completed four-movement Urtext Edition'.

Gemiste kans?
De pro's en contra's van het wel of niet inlassen van het Scherzo-deel daargelaten, koos Shani voor de traditionele, tweedelige versie in een gedreven uitvoering waarin zijn analytische benadering van de partituur niet ten koste ging van warm getinte expressiviteit in een direct aansprekende combinatie van woelige klankexplosies en een bijna intieme broosheid.

Met die traditionele keus is op zich niets mis, maar daardoor werd wel bewust afgezien van de mogelijkheid om het publiek eens extra te verrassen. Want laten we wel zijn: de populaire ‘Unvollendete' zit bij menigeen in het geheugen gegrift. Was dat een gemiste kans? Merkwaardig genoeg op deze vrijdagavond niet, want zoals de symfonie was geprogrammeerd was juist door de ‘lichte' aard van dat Scherzo er geen zinvolle aansluiting ontstaan op het exuberante slotwerk: Bergs 'Drei Orchesterstücke' op. 6. Maar, mits geprogrammeerd in een andere volgorde, zou dat volkomen anders zijn geweest: eerst Schuberts ‘Unvollendete' in de driedelige versie, met na de pauze de Wunderhorn-liederen en afgesloten met Bergs op. 6. Immers, er bestonden tussen Mahler en Berg rond het Weense fin-de-siècle niet alleen idiomatische raakvlakken, maar bovendien zou het slotlied, 'Der Tambourg'sell', na het inlassen van een korte onderbreking, de gewenste verbinding hebben gevormd met het openingsdeel van Bergs op. 6. Niet alleen vanuit puur muzikaal perspectief, maar ook inhoudelijk.

Nachtmerrie
Het moet de nachtmerrie voor iedere dirigent en voor ieder orkest zijn: het realiseren en volhouden van de juiste balans binnen en tussen de verschillende geledingen van Bergs 'Drei Orchesterstücke'. De extreme gelaagdheid, de overvloed van thematisch materiaal (Berg had er met gemak een werk van een uur uit kunnen smeden!), de uitgebreide orkestbezetting, de bijzonder lastige harmonische onderbouw, de ritmische complexiteit, ze dragen ieder voor zich stuk voor stuk bij aan een buitengewoon lastig discours dat van iedereen opperste concentratie vereist. En niet alleen op het podium!

Weerbarstig
Geen wonder dat Berg, nog niet voldoende gelouterd door het schrijven voor orkest, het zicht op de stemvoering soms kwijtraakte. Hij had al veel van Arnold Schönberg geleerd, paste diens dogmatiek inzake Haupt- en Nebenstimme onverkort toe, maar verloor zich soms in een wat al te optimistische kijk op de werkelijkheid. Schrijven voor orkest, en dan ook nog voor een wel zeer uitgebreide bezetting met veel slagwerk: nee, het zat nog niet in alle haarvaten van het creatieve proces. Of anders gezegd: de stemvoering in de orkestpraktijk was weerbarstiger dan wat hij blijkbaar in zijn hoofd hoorde en noteerde. Waarbij de transitie van zeer gedifferentieerde naar sterk gecondenseerde klankvelden zeer hoge eisen moet hebben gesteld aan zijn technisch vernuft als componist en later aan dirigenten en orkesten. Ook in de herziene versie van 1925 zijn die problemen niet afdoende opgelost.

Grote lijnen
Wie zich als dirigent aan deze partituur zet en de repetities leidt, moet zich al op voorhand realiseren dat het werk aan het orkest de hoogste eisen stelt en dat het grote gevaar op de loer ligt dat het voortdurend werken op het detail de grote lijnen (die wel degelijk in het werk aanwezig zijn) geheel of deels doet verdwijnen. Sporen daarvan waren terug te vinden in de uitvoering, al moet er gelijk aan worden toegevoegd dat er nog twee herkansingen komen (zondagmiddag in Utrecht en maandagavond in Arnhem). Wat mij tevens op de gedachte brengt dat veel orkesten tegenwoordig veel te weinig eigentijds repertoire spelen, waardoor het alleen maar lastiger wordt zich ‘Fremdkörper' snel en efficiënt eigen te maken. Maar een werk uit 1915?? Ja, Bergs op. 6 is honderd jaar oud, maar maakt nog steeds geen deel uit van het reguliere orkestrepertoire. Berg zei eens dat moderne muziek moest worden uitgevoerd als was zij klassiek, en klassieke muziek als was zij modern. De spijker op de kop!

Meer dan halfvol
Dat het Shani niet met vlag en wimpel is gelukt, valt hem eigenlijk niet te verwijten. Maar het glas is toch beduidend meer dan halfvol, want hij is met ‘zijn' orkest in de realisatie van deze hondsmoeilijke partituur toch wel degelijk heel ver gekomen. Wat daarbij zeker heeft geholpen was zijn keus voor de Duitse orkestopstelling, met de violen I en II respectievelijk links en rechts van de dirigent, met de contrabassen links en de altviolen en celli zo ongeveer in het midden. Een dergelijke opstelling dwingt de violisten – door de aldus tussen hen gecreëerde afstand - echt geconcentreerd naar elkaar te luisteren, terwijl voor het publiek dit belangrijke visuele element nog eens extra bijdraagt aan de klankbeleving. Dat er desondanks toch nog momenten waren (vooral in het slotdeel, Marsch) dat de strijkers onder het kopergeweld ten onder gingen had alleen voorkomen kunnen worden door de dynamische balans anders in te richten dan zoals in de partituur aangegeven. Wie had verwacht dat de beruchte hamerslagen (de bekende verwijzing naar Mahlers Zesde) in het slotdeel voor een enorme impact zouden zorgen zal ongetwijfeld teleurgesteld zijn geweest.

Ander programma
Het programma in Utrecht en Arnhem ziet er anders uit dan in Rotterdam. Goerne is daar niet present, maar Shani treedt er wel tevens als pianist op: solo in Bachs Toccata BWV 911 en als dirigent en pianist in het Pianoconcert BWV 1052. Want dat weten we inmiddels: de chef speelt meer dan voortreffelijk piano. Hoe bijzonder zou het niet zijn geweest als in Rotterdam na Mahlers Wunderhorn-liederen de Steinway naar boven was gehesen en Shani en Goerne ter afsluiting van het programma voor de pauze hadden getekend voor enige Mahler- en Schubert-liederen! Zeker, het was enigszins een heisa geweest om die vleugel naar boven te krijgen en wat stoelen en lessenaars te verplaatsen, maar wát een feest zou dat zijn geweest! Dat was dan weer zo'n groot moment des onderscheids geweest, want welk vaderlands orkest kan bogen op zo'n geweldige pianist als dirigent? Een dirigent bovendien die bereid lijkt verder te kijken dan het overbekende klassieke en romantische repertoire. Het eerste bewijs is geleverd in de vorm van Bergs drie orkeststukken. Afgemeten in tijd al lang en breed 'klassiek', maar voor veel muziekliefhebbers toch nog steeds een brug te ver.Dat het publiek in de goed bezette zaal er na afloop zo positief op reageerde is echter hoopgevend.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links