G

Actueel

Aanklacht van grote symfonische allure

 

© Aart van der Wal, maart 2019

 

Mahler: Totenfeier
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 13 in bes, op. 113 (Babi Jar)
Mikhail Petrenko (bas), Chor des Bayerischen Rundfunks, Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin
Gehoord: 21 maart 2019, De Doelen, Rotterdam


Waarom spreekt de Rus zoveel van de ziel? Wie niets te eten heeft, denkt voortdurend aan eten. Gezegend de man, die geweldig subtiel en diepgaand dit raadsel betracht,
en na jaren doorgrondt:  het geheim van de Russische ziel.
Verbijsterd zal hij in die leegte staan staren.

Igor Goeberman (vertaling: Hans Boland)

Yannick Nézet-Séguin mag dan niet meer de chefdirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest zijn, als hij zoals gisteravond weer eens voor het orkest staat, zorgt hij wel voor een onvergetelijke uitvoering. Als ik in de periode van zijn chefschap het aantal concerten dat ik heb bijgewoond iets minder zou moeten waarderen? Ik kom dan niet verder dan minder dan een handvol. En dan nog met de kanttekening dat ook in die evenementen de klasse van dirigent en orkest er wel degelijk vanaf straalde.

Gisteravond klonk in de helaas slechts matig bezette Doelenzaal eerst als ‘voorgerecht' Mahlers ‘Totenfeier' (het symfonisch gedicht uit 1888 dat later zou worden omgevormd tot openingsdeel van de Tweede symfonie) en na de pauze de Dertiende symfonie (Babi Jar) van Dmitri Sjostakovitsj, waarvoor de Russische bas Mikhail Petrenko en het mannenkoor van de Beierse omroep speciaal waren overgekomen. Het moet een dure productie zijn geweest.

Emotioneel overladen
Je zou het met recht een emotioneel overladen programma kunnen noemen. In ‘Totenfeier' draait het – letterlijk! – om een groot volksfeest waarin de doden worden ‘gefeiert' (‘herdacht' of 'geëerd' is in dit geval een eufemisme), terwijl in ‘Babi Jar' de hoofdrol is weggelegd voor de spraakmakende en diep inkervende lyriek van Jevgeni Jevoetsjenko. Verschillende – nog steeds belangrijke! – thema's lopen hierin deels door elkaar heen: het antisemitisme (weerspiegeld in de massamoord in Babi Jar, het ‘Ravijn van Oude Vrouwen', net buiten Kiev, toen eind september 1941 de Duitse moordbrigade van Einsatzgruppe C – het is 'slechts' een telling – 33.771 joden: mannen vrouwen en kinderen, op bevel eerst geheel ontkleed, met een nekschot werden geëxecuteerd, waarna ze bijna als vanzelf in de vers gedolven massagraven vielen, rij op rij. Het was de meest gruwelijke vorm van jodenhaat die tot alledaagse praktijk was verheven. Zoals in de dichtregels ook Anne Frank en Alfred Dreyfus als slachtoffers ten tonele worden gevoerd. De laatste, een Franse officier van joodse komaf, ging ten onder aan de in Frankrijk maar ook daarbuiten veel stof opwaaiende Dreyfus-affaire: hij was in oktober 1894 valselijk beschuldigd van hoogverraad en vervolgens veroordeeld tot levenslang. Hij werd op een schip gezet en naar Duivelseiland verbannen. Het klonk toen overal in Frankrijk: “Mort aux juifs!”, dood aan de joden!

Aanklacht
De Russische dirigent Dmitri Kitajenko mag dan gelijk hebben met zijn opmerking dat Sjostakovitsj in zijn muziek geen woorden nodig had om de waarheid te zeggen, in de Dertiende (maar ook in de Veertiende) is dat toch beduidend anders. Sterker nog, het waren juist de woorden van de dichter die hem hadden aangezet tot het schrijven van de symfonie. De samenwerking met Jevtoesjenko die daarvan het gevolg was inspireerde de dichter op zijn beurt de teksten nog eens danig uit te breiden, met als grondthema: aanklacht en tevens waarschuwing tegen onrecht, onderdrukking, onverschilligheid, platvloersheid en holle retoriek. Waarbij ons dan tevens een indringend kijkje wordt gegund in het wee van de Russische samenleving in de jaren vijftig. Het voornaamste doel kon niet over het hoofd worden gezien: tekst en muziek die het onduldbare zwijgen moest verbreken.

Moed
De Russische première vond plaats op 18 december 1962, in de Tsjaikovski-zaal van het conservatorium in Moskou onder leiding van Kirill Kondrashin. Dat vereiste moed: een dusdanig controversieel werk uitvoeren en dan ook nog in het hol van de leeuw, het Kremlin. Vanuit de burelen van het machtsapparaat werd alles in het werk gesteld om het concert te saboteren, want domweg verbieden leek zelfs de 'apparatsjiks' een behoorlijke brug te ver: daarvoor was de reputatie van het kersverse partijlid Sjostakovitsj in en buiten de Sovjet-Unie inmiddels te groot geworden. Het massal toegestroomde publiek moest met dranghekken in bedwang worden gehouden en moesten er extra stoelen worden bijgezet. De voor de leden van het Politburo traditioneel vrijgehouden zetels bleven evenwel leeg…

Het toeval wilde dat ik een paar dagen geleden door de Beierse omroep een cd kreeg toegestuurd waarin meerdere elementen opvallend samenkwamen: het debuutconcert van Kirill Kondrashin in München, opgenomen op 7 en 8 februari 1980, met op het podium het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks (u vindt hier de recensie), en in de uitvoering van gisteravond in de Doelen het Chor des Bayerischen Rundfunks!

Verpletterend
Maar terug naar die gedenkwaardige uitvoering van gisteravond, want die had alles in zich om deze vijfdelige symfonische cantate tot een verpletterende luisterervaring te maken. Waarbij het verbazingwekkend is en blijft dat deze topdirigent en een geweldig spelend orkest ondanks het door de componist bewust nagestreefde, donkere klankkarakter toch de soms vaak diep onderliggende, maar wel degelijk gedifferentieerde lagen naadloos wisten te exploreren. Zo kon ook Yannicks grote fascinatie voor orkestrale kleuren - en alle geledingen van het orkest hielpen hem daarbij - tot volle wasdom komen. Maar boven alles uit was daar het messcherpe profiel van een door merg en been gaande geladenheid, grommend en energiek, maar ook fijnmazig en delicaat, met de vele fraai uitgelichte, vaak verrassende instrumentale effecten (terecht werd de tubaïst Hendrik-Jan Renes na zijn atonale solo bij het daverende slotapplaus betrokken). Dan was er - ik zou bijna zeggen: als vanouds - Yannicks ‘kunst' om grote spanningsbogen te trekken (intense partituurstudie en structureel inzicht betalen zich altijd uit) en de toehoorders onder te dompelen in troosteloze afgronden, maar ook liefdevolle passages van hoop en verwachting, dit alles gevat in de gloedvolle grandeur die een Russische dirigent en een Russisch orkest echt niet zouden hebben verbeterd (de beschikbare opnamen laten daarover geen enkel misverstand bestaan). Het sterke Russische karakter van deze uitvoering werd nog eens onderstreept door de Russische bas Mikhail Petrenko, die zijn solopartij liet vlammen en bulderen, maar ook met fraai aangezette halftinten de meer contemplatieve momenten een indrukwekkend aura verleende. Last maar zeker not least waren de bassen, een afvaardiging van het koor van de Beierse omroep dat door Howard Arman (hij is sinds 2016 de opvolger van onze Peter Dijkstra), duidelijk tot in de finesse voor deze uitvoering was getraind en waarvan de dictie in perfect Russisch het authentieke karakter van deze uitvoering nog eens dubbel en dwars benadrukte.

Dat er na de diep ontroerend slotregels en het daaruit volgende orkestrale naspel door de dirigent een lange stilte werd ingelast paste bij de sfeer en betekenis ervan: wat toen, in het begin van de jaren zestig, werd uitgebeeld, is helaas nog steeds volop actueel.

Dat betekende overigens nog niet dat Mahlers ‘Totenfeier' als een soort van opstapje gold. Integendeel, ook in dit grillig vormgegeven opus (Mahlers inspiratie vlamde op na het lezen van het gelijknamige gedicht van Adam Mickiewicz) troffen weer die typische kenmerken van Yannicks dirigeerstijl: intens betrokken, tot in de puntjes voorbereid, een ferme greep op de structuur (het is wel een deel van zo'n vijfentwintig minuten en ook nog eens van grote symfonische allure), de vele instrumentale solotrekjes fraai geciseleerd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links