Actueel

Goebaidoelina's 'Über Liebe und Hass'

in Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival 2018

 

© Aart van der Wal, september 2018

 

Stravinsky: L'histoire du soldat (suite)
Marieke Blankestijn (viool), Matthew Midgley (contrabas), Julien Hervé (klarinet), David Spranger (fagot), Giuliano Sommerhalder (trompet), Pierre Volders (trombone) en Ronald Ent (slagwerk), Valery Gergiev (dirigent)

Goebaidoelina: Cantate 'Über Liebe und Hass' (wereldpremière versie 2018)
Irina Churilova (sopraan), Mikhail Vekua (tenor), Vladimir Moroz (bariton), Mikhail Petrenko (bas), Koor van het Mariinski-theater, Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Valery Gergiev

Gehoord: De Doelen, 15 september 2018 (het gehele concert wordt op maandagavond 18 september uitgezonden op Radio 4).

Valery Gergiev dirigeert het Rotterdams Philharmonisch Orkest tijdens het Gergiev Festival 2018 (foto Guido Pijper)

Het laatste wat je van de in de voormalige Sovjet-Unie geboren maar al lang in de buurt van Hamburg wonende componiste Sofia Goebaidoelina (1931) kunt zeggen is dat ze gemakkelijk toegankelijk is. Dat een mailtje of telefoontje voldoende zou zijn om met haar in contact te komen. Hoewel niet zo'n kluizenaar als eens haar land- en tijdgenote Galina Oestvolskaja (1919-2006), leeft ze sinds 1992 teruggetrokken in Pappe, niet meer dan een gehucht en daarmee zelfs nog niet eens een stipje op de landkaart. Dat zij desondanks in Nederland zo bekend is geworden danken we in de eerste plaats aan een van de belangrijkste voorvechters van de Nieuwe Muziek: Reinbert de Leeuw, die haar werk alweer decennia geleden hier niet alleen introduceerde, maar er ook schitterende uitvoeringen van gaf.

Godsbesef
Goebaidoelina mag dan teruggetrokken leven, ze heeft wel degelijk een scherp oog en oor voor de gebeurtenissen om haar heen. En het merendeel daarvan stemt haar allesbehalve gerust, laat staan vrolijk. Ze schrijft het kernachtig en onomwonden in haar brief aan de organisatoren: ‘Nog nooit in mijn leven heb ik zo sterk de behoefte ervaren me in een vraagstuk te verdiepen dat op dit moment de hele mensheid bezighoudt: het steeds groter wordende probleem van de groeiende en zich snel verspreidende haat'. En dat voor iemand die het stalinistische juk en wat daarop nog volgde eerst met de paplepel werd ingegoten en vervolgens ook nog langdurig ingekerfd kreeg. Aan de andere zijde van dit weinig bemoedigende spectrum is er Goebaidoelina's onwrikbare Godsbesef dat nergens beter tot uitdrukking komt dan in de door de BBC in 1990 gemaakte documentaire ‘Portrait of Sofia Gubaidulina'. Voor haar is de omvorming tot iets hogers (ze zegt het niet, maar het lijkt vergelijkbaar met de verheerlijkende gedaanteverandering van Christus op de berg Thabor) het wezen van iedere creatieve schepping en is het dat wat ons rechtstreeks met God kan verbinden. Daarin verschilt ze overigens niet wezenlijk van het gedachtegoed van Oestvolskaja, maar dit terzijde.

Van alle tijden
Voor Goebaidoelina is de haat van alle tijden en die wordt gevoed door het menselijk onvermogen om de keerzijde ervan, Gods liefde, te vinden. Daarover is ze ook uitgesproken pessimistisch, zoals blijkt uit de schaarse interviews die zij over dit onderwerp heeft gegeven. Aan de ene kant is er de menselijke behoefte om zich aan Christus, de Zoon (Hij staat voor veelvormigheid) en anderzijds aan God, de Vader (Hij staat voor eenheid) te binden, met de Heilige Geest als verbindende schalm, terwijl anderzijds ons huidige tijdsbeeld nu juist wordt gekenmerkt door het zich verliezen in die veelvormigheid en het daardoor niet langer te zoeken naar eenheid en verbondenheid. Terwijl ze, in de gedachtegang van Goebaidoelina en zeker niet in die van haar alleen, bij elkaar horen.

Geen boodschapper
Je zou verwachten dat Goebaidoelina de muziek als middel ziet om deze door haar zo gewenste triptiek tot stand te brengen, maar niets is minder waar. Ze voelt zich geen boodschapper: in haar optiek is muziek er niet voor bestemd om een bepaalde boodschap te verkondigen, al kan zij wel allerlei belangrijke taken vervullen, zoals het bieden van troost of verlichting, het verschaffen van nieuwe inzichten of het overbruggen van meningsverschillen. Ook de zo belangrijke vermaakfunctie brengt ze graag onder de aandacht, want hoe verheven de muziek in essentie ook kan zijn, zij hoeft niet los worden gezien van amusement. En als zich daaruit metafysische vergezichten losmaken? Dan is dat een puur individuele beleving die mogelijk de toegangspoort tot God kan openen.

Sofia Goebaidoelina

Liebe und Hass
De titel van haar laatste werk, het aan God opgedragen ‘Über Liebe un Hass', laat niets aan de verbeelding over. Helemaal nieuw is de cantate niet, want al in 2016 gingen in Tallinn, de hoofdstad van Estland, de toen voltooide negen delen in première. Er was na afloop veel bijval, ze werd in Tallinn bijna op handen gedragen, maar toch was ze niet tevreden met het resultaat. De thematiek was in haar beleving nog niet voldoende uitgekristalliseerd en bovendien ontbrak er nog het nodige aan, wat de structuur van het werk niet ten goede kwam. Wat mogelijk daarbij ook een rol heeft gespeeld is haar manier van componeren: van achteren naar voren (eerst het slot en vervolgens de weg terug). Ze nam de pen weer op en onder haar handen groeiden die negen delen uit tot maar liefst vijftien, waarmee de totale tijdsduur ervan toenam van vijftig naar ruim zeventig minuten.

Om even de gedachte te bepalen: dit zijn de eerst gecomponeerde, negen delen (2016):

1. Toen Jezus voor ons stierf
2. Jouw vrede, Heer
3. Liefde tot God
4. Bittere haat
5. Gebed om verlossing
6. Uit het Hooglied
7. Gods toorn
8. Eenvoudig gebed
9. O kom, Heilige Geest

En hieronder de vijftien delen in de huidige versie (2018):

1. Toen Jezus voor ons stierf
2. Jouw vrede, Heer
3. Niets kan mij van Jouw liefde scheiden
4. Ik beween mijn verdriet
5. Liefde voor God
6. Mijn ziel is vergaan tot stof
7. Gebed voor allen
8. O God, schenk ons zuiverheid van hart en eenvoud van geest
9. Bittere haat
10. Laat woede gaan
11. Gebed om verlossing
12. Uit het Hooglied
13. Gods toorn
14. Eenvoudig gebed
15. O kom, Heilige Geest

De bezetting werd niet fundamenteel aangepast. Het toch al massale karakter van de oerversie kreeg er echter nog een duidelijke dimensie bij. Het werk is gezet voor vier solisten (sopraan, tenor, bariton, bas) twee (gesplitste) koren (Bach is nooit ver weg) en vol bezet symfonieorkest (met uitgebreid slagwerk, piano, klokkenspel, vibrafoon, marimba en Wagnertuba's). De instrumentale opbouw van het werk borrelt ‘vanuit de diepte' omhoog, met daarin een leidende rol voor de grommende celli en contrabassen, verder aangevuld met het lage slagwerk. Van daaruit ontwikkelt zich een driedimensionaal krachtenspel waarin de secunde (symboliseert die wellicht de soms flinterdunne, maar wel onoverbrugbare kloof tussen liefde en haat, of misschien mede die tussen de mens en God?) een centrale rol vervult. Driedimensionaal in de zin van de diepgelaagde contrabassen, de twinkelende hoogte van sopraan en slagwerk, en een breed uitwaaierend klankforum van solisten, koor en orkest. Wat niet wegneemt dat door het door Goebaidoelina duidelijk beoogde, monolitische karakter van het stuk en de vrij consistent gehouden, korte themasalvo's die in de orkestpartijen domineren het vanaf het prille begin al geen eenvoudige opgave is om voortdurend de aandacht gevangen te houden: door deze vrij fragmentatische opzet (bij de vier solisten is dat overigens veel minder het geval) is er niet of nauwelijks ruimte voor ver dragende spanningsbogen. Wat opdoemt is doorgaans snel weer voorbij, om het even of het om de vreesaanjagende klankexplosies dan wel om de troostvolle of juist fel klagende of gebeden prevelende koorpassages gaat. Daardoor moeten zelfs citaten uit het Hooglied het zonder de vaak daarmee geassocieerde, betoverende klankslingers stellen. Maar ook als de liefde aan bod komt heeft Goebaidoelina niet gestreefd naar een sterk lyrische contrast ten opzichte van het in haat verankerde gekerm en gekrijs. Dat het werk zeer sterke visionaire momenten kent is eveneens volstrekt helder, zoals ook de uitbreiding van negen naar vijftien delen de algehele structuur zeker ten goede is gekomen.

Hoewel de liefde logischerwijs een belangrijke rol in dit framewerk vervult is het toch de aangrijpende sfeer van een ‘arioso dolente' dat in deze muzikaal geproportioneerde overpeinzingen overheerst. Daardoor is het aanklacht noch protest. Wel maakt zij middels deze muziek musici en publiek deelgenoot van wat haar ten diepste beweegt en wat haar diepste overtuiging is. Daarmee is zij tevens afgestapt van de haar zo vertrouwde wereld die vrijwel uitsluitend door klankfenomenologie wordt beheerst. In ‘Über Liebe und Hass' daaentegen wordt een geheel nieuwe dimensie aangeboord: die van de – zoals zij het zelf heeft verwoord – aanpak van de zuiver geestelijke kern van een probleem en dat zo serieus mogelijk te benaderen. Klank (toonhoogte, ritme, timbre e.d.) fungeert 'slechts' als vehikel of medium voor het gedachtegoed. Deed Luigo Nono in zijn ‘Il Canto Sospeso' (1956) niet veel anders, al was de inhoud daarvan duidelijk politiek geladen? De kern ervan werd gevormd door fragmenten uit brieven van ter dood veroordeelde verzetstrijders. Daaruit spreekt evengoed haat en liefde, maar ook de intolerantie van totalitaire regimes. En evenals ‘Über Liebe und Hass' werd het geschreven in cantatevorm (met koorgedeelten, aria's, declamatie, duetten en instrumentale tussenspelen) en is de emotionele hoofdrol eveneens aan de menselijke stem toebedacht. De orkest- en koorbezetting is merendeels zelfs vergelijkbaar. Het stond in 2014 nog op het programma van het Holland Festival. Er zijn raakvlakken, maar meer niet.

De tenor Mikhail Vekua tijdens de uitvoering van 'Über Liebe und Hass' met links de sopraan Irina Churilova en rechts de bariton Vladimir Moroz (foto Ruud Kristel)

Slotavond
Het werd geen 'feestelijke' slotavond van het Gergiev Festival 2018. Dat bracht het programma nu eenmaal met zich mee, met voor de pauze de suite uit Stravinsky's ‘L'histoire du soldat' voor septet en na de pauze dan het lang verwachte ‘Über Liebe und Hass' in de volledige versie van 2018.

Stravinsky's suite liet weer eens horen over welk uitmuntend solistenteam het Rotterdams Philharmonisch beschikt: Marieke Blankestijn (viool), Matthew Midgley (contrabas), Julien Hervé (klarinet), David Spranger (fagot), Giuliano Sommerhalder (trompet), Pierre Volders (trombone) en Ronald Ent (slagwerk) speelden werkelijk de sterren van de hemel in de zeer goed bezette Doelen-zaal. Er zat werkelijk geen enkel licht tussen de voortreffelijke soli, maar het was bovenal een feest van klankkleuren en geraffineerde ritmiek. Stravinsky zei eens dat muziek uitsluitend over muziek moest gaan, en dat was ook precies wat hier gebeurde.

Na de pauze was er afwisselend de droom en de nachtmerrie van Goebaidoelina's ‘Liebe und Hass', met de vertaling van de afwisselend Russische en Duitse teksten (hulde aan Olga de Kort) op twee grote schermen boven links en rechts van het orkest. Op het volgepakte podium was geen plaats voor het koor (zelfs de plekken voor de orkestleden kwamen door deze ware monsterbezetting enigszins in het gedrang), dat, opgesplitst, op de ring had plaatsgenomen. De orkestopstelling was niet alledaags, met de Wagnertuba's rechts bijna tegen de achterwand gedrukt, met krap bemeten daarvóór de hoornsectie. In de zaal werkte het echter, zoveel werd al snel duidelijk, maar hoe de orkestleden erover hebben gedacht? Voor het publiek gold slechts het verzengende koper, de gevarieerd kruidige houtblazers, het spatgelijke slagwerk en de glorieuze strijkers, met de ploegende contrabassen in een vaak prominente rol. Hoeveel tijd Gergiev in de voorbereidingen van deze complexe partituur heeft gestoken weet ik niet, maar wel staat als een paal boven water dat op het podium een absolute topprestatie werd geleverd. Wat dus niet minder gold voor de uitmuntende vier solisten (met bovendien een fonkelende glansrol van de sopraan Irina Churilova) en het door koorrepetitor Andrei Petrenko geleide Mariinski-koor (hij had de avond ervoor met hetzelfde koor een glanzende uitvoering van Rachmaninovs Vespers geleid). Dit alles onder het motto eenheid in verscheidenheid, precies zoals Goebaidoelina het bedoeld moet hebben. En dat bij een première, wat het eens te meer treurig stemt dat het – althans voorlopig – tot deze ene uitvoering zal blijven. Maar wel met een cd-uitgave van dit concert in het vooruitzicht. George Wiegel, de directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, riep vóór het concert de zaal dan ook op stoorgeluiden (waar het hoesten uitdrukkelijk bijhoort) tot een absoluut minimum te beperken. Zijn adviezen op dit punt werden door een muisstille zaal welwillend in ontvangst genomen.
Goebaidoelina moest zelf helaas bij deze belangrijke première verstek laten gaan. Toch al slecht ter been kampt ze bovendien met een gebroken wervel als gevolg van een nogal ongelukkige val, waardoor het zelfs niet vaststaat dat zij begin oktober aanwezig kan zijn bij het Haagse festival Dag in de Branding, waar haar muziek centraal staat. Wel was er een brief van haar hand die Wiegel voorlas en die ik hieronder deels (vertaald) weergeef:

Beste organisatoren en vrienden van het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival!

U kunt zich de pijn van iemand voorstellen die gedurende drie jaar aan haar compositie werkte, maar op het moment van de première genoodzaakt is om toe te geven dat zij niet in staat is om deze première bij te wonen. Het is onmogelijk om deze pijn onder woorden te brengen.

Deze compositie heeft een heel speciale betekenis voor mij. Nog nooit in mijn leven heb ik zo sterk de behoefte ervaren me in een vraagstuk te verdiepen dat op dit moment de hele mensheid bezig houdt: het steeds groter wordende probleem van de groeiende en zich snel verspreidende haat.

Sinds de oudheid en gedurende de hele geschiedenis was er voldoende reden voor verderfelijke gevoelens. In de Bijbelse teksten, die ik geprobeerd heb te verklanken, wordt bijvoorbeeld gezegd: “Mijn vijanden overtreden jouw wetten, oh God!!” Wat kan er nog gewichtiger zijn?

Maar nu, voor het eerst in de geschiedenis, bevindt de mens zich voor de monsterlijke uitdaging van massavernietigingswapens, wapens voor totale vernietiging.

Liefde en haat zijn twee uitersten, die in de mens, vanaf het begin, onuitroeibaar aanwezig zijn. Mijn compositie is mijn poging om mijn persoonlijke pijn te delen met musici, luisteraars en alle vrienden van het festival. En juist nu, op het moment dat ik deze kans krijg, laat het leven zelf mij van mijn persoonlijke aanwezigheid afzien.

Er is hier niets aan te doen. Het is niet aan ons. Wij zijn allemaal afhankelijk van wat het leven, of de dood, ons gebiedt. Maar toch... Ik hoop van harte dat alle vrienden van het festival, solisten, koor- en orkestleden, organisatoren en initiators van het festival en luisteraars in de zaal mijn compositie met begrip en in alle ernst zullen ontvangen.

Hartelijke groeten,
Uw Sofia Goebaidoelina

__________________
Biografie van Sofia Goebaidoelina (pdf)

Geluidsopname van de première in Tallinn
14 oktober 2016, Estonia Hall, Tallinn, Estland
Aile Asszonyi (sopraan), Mati Turi (tenor), Atlan Karp (bariton), Uku Joller (bass), Nationaal Symfonieorkest van Estland, Estlands Filharmonisch Kamerkoor, Voces Musicales, dirigent Andres Mustonen


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links