Actueel

Elias met veel grandeur in de Doelen

 

© Aart van der Wal, maart 2017

 

Mendelssohn: Elias op. 70 (Oratorium nach Worten des Alten Testaments)

Carolyn Sampson (sopraan), Stefanie Irányi (mezzosopraan), Maximilian Schmitt (tenor), Davis Soar (bas)
Collegium Vocale Gent
deFilharmonie
Dirigent: Philippe Herreweghe
Gehoord: 25 maart 2017, de Doelen, Rotterdam

Foto Jan Fotograaf

Het mag best uitzonderlijk worden genoemd dat in onze steeds verder seculariserende samenleving het romantische getinte oratorium nog zo in de belangstelling staat. Misschien zult u dat, met het zicht op de talloze uitvoeringen van de 'Matthäus'- en 'Johannes-Passion' in de lijdenstijd, logisch vinden, maar dat is niet meer dan een momentopname, met de klemtoon meer op de traditie en minder op het geloof, terwijl de muziek bovendien tot het beste behoort dat onze westerse cultuur door de eeuwen heen heeft voortgebracht.

In 1846, bijna een eeuw na de dood van Johann Sebastian Bach, kwam Felix Mendelssohn-Bartholdy met een breed opgezet oratorium dat alle daarvoor geëigende elementen bevatte: religieus en stichtelijk, strijdvaardig, moralistisch maar ook opwindend. Daarmee was het nog net geen verkapte opera, maar door de sterk muziekdramatische tableaus er wel duidelijk aan verwant. Mendelssohn schiep een groots opgezet werk waarin strijd, onbuigzaamheid en groeiende moedeloosheid maar ook spirituele verheffing de boventoon voerden en de veelal met veel melodisch en harmonisch vernuft uitgewerkte contrasten het publiek aan hun stoel moesten nagelen. Met onmiskenbaar gevoel voor groot theater heeft Mendelssohn de bijbelse strijd tussen de aanbidders van Jahweh en die van Baäl zoals die in 1 en 2 Koningen wordt verhaald met alle hem toen ten dienste staande middelen en met een bijna intuïtief gevoel voor drama en theater uitgebeeld. Het werd een oratorium waarin de grote melodicus Mendelssohn, de componist van de elfenachtige 'Midzomernachtsdroom', de zonnige Italiaanse en de weerbarstige Schotse symfonie, het beste van zichzelf wist te geven. En zo heeft de gelovige Mendelssohn ook op dit terrein geschiedenis geschreven, met de oratoria 'Paulus' en 'Elias' als onbetwistbare bakens in een tijdsbeeld dat mede werd bepaald door de sterk in opkomst zijnde op de individuele en vooral subjectieve ervaring gerichte expressie, met daarin centraal het beschouwende, emotionele en verbeeldingsvolle. Het was Beethoven die op muzikaal gebied reeds een halve eeuw eerder met zijn eerste symfonieën en dan met name met de Eroica (1804) de teerling al geworpen.

Wie is wie
Van iedere kunstvorm wordt doorgaans meer genoten naarmate er meer van wordt gekend en begrepen. In het geval van de ‘Elias' komt het dan primair aan op bijbelkennis, want daar is het libretto immers op gestoeld. Het lijkt mij daarom niet zo onlogisch om te veronderstellen dat zich gisteravond in de goed bezette Grote Zaal van de Doelen een soort waterscheiding zal hebben voorgedaan tussen degenen die precies wisten waar dat bijbelverhaal over ging en wat ze dus konden verwachten, en zij die er zogezegd ‘blank in gingen'. Voor de laatste categorie liefhebbers hielp het dan zeker niet dat de toelichting op de inhoud van het werk in het programmaboekje nogal mager was uitgevallen en dat voorts iedereen het moest doen met alleen de daarin afgedrukte Duitse tekst. Hoe mooi de muziek op zich ook is, dat tezamen genomen helpt dus niet bij zo'n kolossaal geloofswerk als Mendelssohns ‘Elias' waarin de verhaallijn zo'n belangrijke rol speelt. Evenmin een kort verklarend woord over Elias en de aanbidders van Baäl, laat staan over de weduwe, de engelen, de serafijnen (in het boekje uiteraard als Seraphims afgedrukt), de knaap, Ahab en Obadja. Maar misschien was nog wel de meest opvallende omissie het weglaten van een Nederlandse vertaling.

Foto Jan Fotograaf

Herreweghe
Mendelssohn bouwde zijn ‘Elias' op stevige fundamenten die van wezensbelang zijn voor de muzikale inzichtelijkheid van het geheel. Twee delen ('Abteilungen'), gescheiden door een pauze, met in totaal 42 losse, maar ook deels in elkaar overgaande nummers. Waarbij moet worden aangetekend dat niet alle deeltjes op zichzelf beschouwd op hetzelfde hoge niveau staan. Toch, als ‘Gesamtkunstwerk' avant la lettre getuigt het opus van groots aangelegde vergezichten die gevat zijn in een ingenieus en fantasierrijk vocaal en orkestraal concept, met daarin soms onmiskenbare vleugjes Bach, Händel en Haydn. Groots in alle opzichten, maar het is niet de massaliteit die het spectaculaire karakter ervan bepaalt. Het is de wijze waarop Mendelssohn de verschillende partijen tegenover elkaar heeft geplaatst die zoveel indruk maakt. Daarmee is het ook typisch zo'n grootschalig werk dat qua interpretatie alleen maar goed of slecht kan uitpakken. Een gulden tussenweg lijkt er althans niet te zijn. Het is ook een kwestie van het vinden van de juiste balans tussen gefileerde karaktertekening en door het volk aangestuurd drama.

Dat bleek ook zaterdagavond in de Rotterdamse Doelen. Philippe Herreweghe leidde een geadelde uitvoering waarin de afwisselend strenge en nobele grandeur het won van een verzengende, dramatische afbeelding. Daaraan lag ongetwijfeld een goed doordacht concept ten grondslag, want inherent daaraan was de spanningsopbouw die van begin tot eind op die manier consequent werd volgehouden. Dat 'Der Herr ging vorüber' daardoor een ietwat minder spectaculaire profilering had en het slot ervan, 'Und in den Säusseln nahte sich der Herr' minder esoterische betovering opriep is geen deelkritiek, maar vloeide voort uit wat Herreweghe voor ogen stond. Een opvatting overigens die veel respect verdient. Het is daardoor een andere vorm van contrastwerking die dergelijke verschillen oplevert. Daar stond engelenzang tegenover die was doordesemd van een bijna etherische schoonheid. Hoogtepunten waren er in overvloed, zoals de aria van Elias, ‘Est ist genug!', door David Soar met groot inlevingsvermogen gezongen, omlijst door een ware stralenkrans van strijkers. Dit waren van die momenten waarin Herreweghe's op bespiegelende en op pure klankesthetiek gerichte aanpak zijn mooiste en rijpste vruchten afwierp, broos en tegelijkertijd met grote toewijding, in een zeldzame mengeling van soms onthechte vroomheid en exotische expressie. Dat betaalde zich overigens ook uit in die momenten waarin de handeling zich tamelijk traag ontwikkelt en de spanningslijnen daardoor gemakkelijk kunnen verslappen.
In die benadering was het Collegium Vocale Gent een steunpilaar van wel zeer groot formaat. Het ensemble behoort tot de Europese topkoren die, op professionele leest gestoeld en onderworpen aan een streng auditiesysteem, zuivere intonatie, volmaakte dictie en balans tot zijn belangrijkste kenmerken heeft gemaakt, met als resultaat een episch klanktapijt dat zijn weerga niet kent. Evenals het Orkest van de Achttiende Eeuw hanteert het koor projectmodel dat de leden van heinde en verre en uit alle windstreken aantrekt. In de massale uitbarstingen van het volk (‘Wehe ihm, er muss sterben') blijft de stemvoering net zo transparant als in de meer gewijde passages (‘Siehe, der Hüter Israels' en ‘Wie an das Ende beharrt').
Dan was er het uitgelezen solistenteam dat eveneens naadloos bij dat concept paste, met voorop de protagonist onder het illustere gezelschap, de indrukwekkende bas David Soar als een geïnspireerde en overtuigende Elias. Naadloos verbond hij het epische en onbuigzame karakter van zijn rol met de later opdoemende twijfel en moedeloosheid. Soar zette een Elias neer als profeet met duidelijk herkenbare menselijke trekken. Als er al een puntje van kritiek zou kunnen zijn gold het zijn wat keurig uitgevallen bespotting van de aanbidders van Baäl, waar anderen er zelfs een regelrechte scheldpartij van kunnen maken.
Net zo prijzenswaardig waren de bijdragen van de sopraan Carolyn Sampson die voortdurend schitterde en fonkelde, de soepele mezzo Stefanie Irányi met haar facetrijke inbreng en het daarbij perfect passende aandeel van de rijzige tenor Maximilian Schmitt. Maar ook de prestaties van de verschillende koorsolisten, waren bepaald niet gering: dit was zangkunst in optima forma. Het 'huis'orkest van onze zuiderburen, deFilharmonie, zorgde met veel toewijding voor een afwisselend kernachtige en lyrische omlijsting, met gelukkig ook veel aandacht voor de meer pastorale aspecten van deze kleurrijke partituur. Terecht werden na afloop de koper- en houtblazers nog eens extra in het zonnetje gezet.
Herreweghe staat doorgaans borg voor ‘authentieke' uitvoeringen, maar daar kon gisteravond geen sprake van zijn. Het symfonieorkest was met 62 musici plus orgel bezet, terwijl het koor bestond uit 46 leden. Dat was in de tijd van Mendelssohn wel even anders, met maar liefst meer dan vierhonderd uitvoerenden op het podium! Het zal de indruk van massaliteit toen alleen maar versterkt hebben, maar podium noch inhoud van de Grote Zaal van de Doelen is hierop berekend. Ook dit is in de uitvoeringspraktijk een kwestie van juiste maatvoering. Nog een saillant detail: Herreweghe koos er merkwaardig genoeg voor om het dubbelkwartet niet aan acht, maar aan zestien koorleden toe te wijzen. Aan deze gedenkwaardige uitvoering deed het echter geen enkele afbreuk.

V.l.n.r. David Soar, Maximilian Schmitt, Stefanie Irányi en Carolyn Sampson
Foto Jan Fotograaf


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links