Actueel

Mahlers Achtste symfonie als klinkend universum

 

© Aart van der Wal, maart 2018

 

Mahler: Symfonie nr. 8 in Es
Angela Meade, Erin Wall en Erin Morley (sopraan), Michelle DeYoung (zij verving Sarah Connolly) en Mihoko Fujimara (mezzosopraan), Michael Schade (tenor), Markus Werba (bariton), Christoph Fischesser (bas), Groot Omroepkoor, Rotterdam Symphony Chorus, Orfeon Donostiarra, Nationaal Jongenskoor, Nationaal Kinderkoor, Rotterdams Philharmonisch Orkest
Dirigent: Yannick Nézet-Séguin
Gehoord: 23 maart 2018, De Doelen

Foto: Jan Fotograaf

Mahlers Achtste symfonie ging in première in 1910 in München, met de componist zelf op de bok. Een affiche spreekt boekdelen: 'Ausstellung München 1910, 12. und 13. September, Uraufführung der VIII. Symphonie unter Leitung des Componisten - In der neuen Musik-Festhalle'. Dat geldt ook voor haar - niet door de componist gegeven - bijnaam: 'Sinfonie der Tausend'. Duizend medewerkenden, het is niet niks. Duizenden noten ook, een werk van zo'n anderhalf uur, en toch in de zomer van 1906 in Maiernigg, in zijn zomervilla met een riant uitzicht op de Wörthersee, in slechts twee maanden (de Salzburger Festspiele eisten daarvan nog een week op) uitgewerkt. Mahler had haast, 'als door een bliksemschicht getroffen': hij was al aan het Veni Creator Spiritus begonnen toen de volledige Latijnse tekst ervan nog uit Wenen moest komen. Eenmaal gearriveerd paste die, als we Alma Mahler tenminste mogen geloven, naadloos bij de reeds neergepende noten. Hoewel misschien niet helemaal 'aus einem Guss' gecomponeerd (het meeste zat wel reeds in zijn hoofd toen hij aan het neerschrijven begon), zijn er merkwaardig genoeg ondanks de haast (hoewel niemand hem achter de vodden zat), geen sporen van veel correctiewerk achteraf, wat tot en met de Zevende symfonie eerder regel dan uitzondering was.

De bezetting van deze stevig uit de kluiten gewassen koorsymfonie mag er zijn, met
· 2 piccolo's
· 4 fluiten
· 4 hobo's
· 1 althobo
· 4  klarinetten
· 1 basklarinet
· 4 fagotten
· 1 contrafagot
· 8 hoorns
· 4 trompetten
· 4 trompetten in f (off-stage)
· 4 trombones
· 3 trombones (offstage)
· 1 tuba
· pauken
· grote trom
· 3 bekkens
· triangel
· tamtam
· buisklokken
· klokkenspel
· celesta
· piano
· harmonium
· orgel
· minstens 2 harpen
· mandoline
· strijkerskorps (violen, altviolen,celli,contrabassen )
· solisten: 3 sopranen, 2 alten, tenor, bariton, bas
· koren: jongenskoor 2 gemengde koren

Foto: Jan Fotograaf

Er is door de jaren heen veel kritiek op dit magnum opus geweest, en dan met name gericht op het zichzelf overschreeuwende karakter van het geheel. Niet in de laatste plaats Mahler zelf vreesde voor een 'Barnum and Bailey' show. Maar hij had zijn doel zeer hoog gesteld: 'het zijn geen menselijke stemmen meer, maar planeten en de zon die ronddraaien.' Zijn niet mis te verstane ambitie: al het voorafgaande daarmee nog te overtreffen (en dat was al bepaald niet niks). Dat deze muzikale hemelbestormer daarmee tegen de fysieke en auditieve grenzen aanliep van wat als cosmetisch verantwoord concept nog mogelijk was, leek onvermijdelijk. Het werd een gigantisch bouwwerk met heel veel fortissimi (en zelfs nog meer dan dat: ƒƒƒ. Maar niet alleen de vele geluidslawines maken veel indruk, want er zijn eveneens veel de diep inkervende momenten aan te wijzen, met als een van de absolute hoogtepunten de bijna alle expressieve grenzen overschrijdende doorwerking in het openingsdeel, naast het sublieme begin en de aangrijpende slotscène van het tweede deel en natuurlijk dat geheimzinnig klinkende slotkoor, het onvergelijkbare Chorus Mysticus. Voor Mahler moet het bovenal een buitengewoon fascinerend experiment zijn geweest: een symfonie waarin voor het eerst van begin tot eind wordt gezongen. Maar ook hoe ver zijn componerende geest kon reiken.

Leven, liefde en dood, het zijn de drie grote thema's in Mahlers werk en daarop maakt de Achtste symfonie geen uitzondering. Toch is het een geheel ander werk geworden dan de overige symfonieën. Het staat zelfs nogal buiten de orde binnen de reeks van Mahlers scheppingen. Een typisch voorbeeld daarvan is het ontbreken van die zo vaak opgevoerde uitdrukkingsmiddelen als de dodenmars en de muzikale folklore, de volksliedachtige elementen uit zijn jeugdjaren. En daarmee lijkt het eigen ego, dat zo sterk persoonlijke (niet individualistische!) karakter juist in dit gigantische werk volledig naar de achtergrond te zijn verschoven. Het subjectieve credo heeft plaats gemaakt voor de in het Latijn gezette pinksterhymne 'Veni creator spiritus' ('Kom heilige geest') en de slotscène uit Goethes 'Faust'. Diepe ernst en naar de hemel reikend contrapunt in het eerste deel afgezet tegen de uitermate kleurrijke waaier van lyrische ontboezemingen in het tweede deel (dat met ongeveer een uur dubbel zo lang is als het openingsdeel, maar desalniettemin op een knap uitgewerkt concept berust). De door Mahler beoogde contrastwerking is enorm, hoewel beide delen thematisch wel degelijk met elkaar verbonden zijn. Bovendien zijn er in tekstueel opzicht duidelijke overeenkomsten aan te wijzen: in 'Veni' de weg naar de verlichting, in 'Faust' het alles overheersende pad, al gaat die deels eerst wel bergop, naar de verlossing door pure liefde en wijsheid, met het eeuwig vrouwelijke als belangrijkste aantrekkingskracht en drijfveer in het Chorus Mysticus ('Das Ewig-Weibliche zieht uns hinan').

Natuurlijk ontbreken in het handschrift de duidelijke aanwijzingen niet. Ik noem er slechts een aantal: 'Schalltrichter auf', 'mit mächtigem Ton', 'hervortretend', 'etwas gehalten', 'vorwärts', 'immer machtvoll', 'von hieran breite Halbe schlagen, aber nicht eilen' (Mahler was tenslotte ook dirigent.), 'almählich langsamer', 'nicht schleppen', 'noch etwas kecker', 'hier ist das endgültige Allegro deciso erreicht', 'mit voller Stimme'. Het zijn aanduidingen die de dirigent van het oogpunt van de interpretatie meer dan slechts een bescheiden handvat geven.

De generale repetitie in de Musik-Festhalle in München, september 1910

Hoe de première in München precies is verlopen weten we niet. Van heinde en verre was men gekomen om het spektakel (met in totaal ruim 400 medewerkenden) bij te wonen, waaronder veel bekende namen, met daaronder Camille Saint-Saëns, Béla Bartók en Alban Berg. Hoe het toen heeft geklonken weten we evenmin. Eerst drie jaar later verscheen de eerste commerciële opname van een complete symfonie: Beethovens Vijfde, door het Berlijns filharmonisch orkest onder leiding van Arthur Nikisch (waarvan later Boult en Toscanini zouden beweren dat Nikisch' concertuitvoeringen heel anders waren!), zij het in een uitermate slechte geluidskwaliteit, met niet meer dan een schim van een orkest. Wat we echter wel weten dat het daar in München uitmondde in een groot succes voor zowel componist als dirigent. Zelf zag Mahler het als zijn grootste en belangrijkste werk, een uitspraak die nog eens extra gewicht krijgt na de voltooiing van 'Das Lied von der Erde' en de Negende symfonie. Waarmee wij het niet per se eens hoeven te zijn, natuurlijk.

Is het dat visuele en auditieve spektakel dat zoveel bezoekers trekt of is het vooral de muzikale inhoud van het opus? Ik ken geen enkele 'exit-poll' die daarop een passend antwoord heeft gegeven, maar dat Mahler het kunstwerk als spektakel wel degelijk voor ogen had, blijkt zonneklaar uit zijn uitspraak dat 'het zeker het grootste is dat ik ooit heb gecomponeerd', met de menselijke stem als de ultieme en magische drager van het extatische discours. Hoewel, men hoeft dit overweldigende hoor- en schouwspel niet per se in de afmetingen of het volume ervan te zoeken. De vele zachte passages zijn zelfs van een onwezenlijke schoonheid, zoals in het voorspel tot het tweede deel, in de vele transities en in de muzikaal getooide stiltes die Mahler misschien van Bruckner heeft afgekeken: de in deze uitvoering soms zelfs uitgesproken kort gehouden'Generalpausen' met hun bijzondere momenten van ingehouden spanning. Het is ook onmiskenbaar een opus dat 'hangt' tussen oratorium en opera, tussen symfonisch model en puur klanktheater. Het is de sublieme uitwerking van een sublieme, ietwat langgerekte boodschap die ons moet aansporen tot gevoel van sterke verbondenheid met de oerbronnen van al wat was, is en nog zal zijn; met tegelijkertijd het diep gewortelde verlangen naar het onzegbare en on(aan)tastbare.

Waarin excelleert Yannick Nézet-Séguin? Er was in deze uitvoering een operadirigent pur sang aan het woord die volmaakt wist te doseren, spanningsvelden niet doelbewust opzocht maar ze eerder spontaan liet ontstaan, meeslepend door de opgebouwde innerlijke spanningen binnen een grandioos opgezette architectuur die zeker als concertuitvoering zijn weerga niet kende. De gekozen hoofdtempi en de daaraan inherende vele tempowisselingen waren net zo natuurlijk als de fraseringen en de melodische en ritmische articulatie zelfs in de felste uitbarstingen optimaal van reliëf voorzien. Verrassend pulserend, soepel en toch hecht, krachtig en toch uitermate expressief, vrij van gejakker en zonder opgelegd pandoer, het doel soms dichtbij en dan juist weer veraf, het tempo terugnemend of versnellend, climaxen goed gedoseerd voorbereidend, en alles in het teken van pure spankracht. En zoveel was ook duidelijk: er was de eerder opgedane ervaring met deze symfonie die door dit dirigeren doorschemerde, die in Philadelphia 2016.

Het kwam feitelijk neer op de hoogste graad van ensembletechniek. Het gaf de vertolking in zijn geheel vleugels, van de acht bijna heroïsche solisten (ze opereerden echt als hecht team en klonken gelukkig ook collectief homogeen) en het in alle opzichten superieure orkest tot in het merg van de drie fenomenaal presterende koren die zonder ook maar de kleinste inzinking de tekst met grote poëtische zeggingskracht wisten te laden. Het begint met een fabelachtige techniek die naadloos overgaat in de puurste vorm van expressie.
Hoezeer er ook gewerkt moet zijn aan een volmaakte balans bleek al snel in het openingsdeel, bij het 'Accende lumen sensibus' ('Ontsteek het licht in ons gevoel'), waar solisten, koor en orkest gezamenlijk hun hoogste troeven uitspeelden. En wat er toen nog moest komen! Er waren zoveel imponerende momenten, zoals het door het koor bijna gewichtloze, met rijke geschakeringen gezongen 'Infirma nostri corporis' ('Schenk ons lichaam kracht') met daarnaast de gloedvolle bijdrage van de soloviool. Hoezeer het 'Faust' gedeelte opera-achtige momenten bezit bleek ook uit de rol van de bariton Markus Werba die als Pater Ecsaticus in 'Ewiger Wonnebrand' op zeldzaam indringende wijze het vervoerende, expressief steeds hoger reikende lied van de liefde bezong, waarbij het onderscheid tussen aardse en hemelse liefde soms zelfs geheel leek te verdwijnen. En wie wilde zich nog onttrekken aan de betoverende schittering van de Mater Gloriosa vanaf het linkerbalkon, boven in de zaal? Of het als 'engelen' zingende jeugdkoor (dat minder uit 'knaben' en meer uit meisjes bestond)?

Het gekozen maximaal aantal uitvoerenden van net onder de 300 leek voor de totaal uitverkochte Grote Zaal van de Doelen precies goed: zelfs in de heftigste uitbarstingen liep de klank niet dicht, bleef de onvermijdelijke intermodulatievervorming binnen de perken, en was sprake van zowel een spectaculaire als doorzichtige klank, vaak bijzonder fraai opgebouwd vanuit de baslijn, die nog eens werden aangevuld door het indrukwekkende orgelpedaal (dat het gemakkelijk kan opnamen tegen tien contrabassen). Het is niets teveel gezegd: alsof 'het universum tot klinken kwam'.

Dat het eminente solistenteam niet altijd goed verstaanbaar was had niets te maken met articulatie of dictie, maar uitsluitend met de 'natuur der dingen' zoals die in de geldende akoestische verhoudingen besloten liggen. Afgezien daarvan: niet iedereen is het Latijn of Duits (voldoende) machtig. In het programmaboekje (waarom daarin niet de rolverdeling opgenomen?) ontbraken de gezongen teksten, maar er was compensatie in de vorm van de boventiteling op twee grote projectieschermen, links en rechts van het podium opgehangen. Dat de vertaling merendeels niet strookte met de originele tekst was jammer, maar onvermijdelijk door het gekozen vertaalconcept met behoud van het rijm: compromissen zijn dan onvermijdelijk, wat er mede op neerkomt dat origineel en vertaling aanzienlijk uit elkaar gaan lopen.

Voor Yannick Nézet-Séguin betekende dit vrijdagavondconcert (met bulderende ovaties en luidruchtig gestamp en geroep na afloop) en dat van komende zaterdag in Brussel en zondag nogmaals in Rotterdam bijna het einde van zijn loopbaan als chefdirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. In juni is er dan het echte afscheid, tijdens het jubileumconcert (het orkest bestaat precies honderd jaar), met de ongetwijfeld vocaal stralende Amerikaanse mezzo Joyce DiDonato. In de woorden van Yannick: "Dit jubileumconcert wordt ook mijn afscheid als chef: een feestelijk programma dat weerspiegelt wat we samen hebben opgebouwd. Eén groot crescendo: we beginnen heel klein, om te eindigen met de gigantische orkestbezetting van Respighi's Pini di Roma. Rode draad is een gevoel van optimisme voor de toekomst: dát is de boodschap waarmee ik een punt wil zetten achter mijn eerste decennium in Rotterdam." Hij zal ongetwijfeld nog vele malen terugkeren, maar dan net als zijn voorganger Valery Gergiev als 'honorary conductor'. Ere wie ere toekomt!

__________________

U kunt het manuscript van Mahlers Achtste symfonie downloaden op
http://petrucci.mus.auth.gr/imglnks/usimg/8/8a/IMSLP495029-PMLP5693-1506906105bsb00065616.pdf


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links