Actueel

Bachfest Leipzig 2013:

Vita Christi

 

© Aart van der Wal, juli 2013

 

Het Bachfest in Leipzig koos dit jaar als centraal thema Vita Christi, het leven van Christus, met in slechts tien dagen maar liefst 115 evenementen op 30 locaties in en rond Leipzig, in de deelstaat Saksen, de stad waar Johann Sebastian Bach als Thomascantor in de periode 1723-1750 het merendeel van zijn tijdloze oeuvre schiep.

De organisatoren van het Bachfest hebben er helaas geen bijzondere aandacht aan besteed, maar een feit is wel dat Vita Christi (ook bekend als Speculum Vitae Christi, de weerspiegeling van het leven van Christus), ook in boekvorm bewaard is gebleven en – toevallig of niet – zijn oorsprong vindt in dat zelfde Saksen: in 1374 voltooide hertog Ludolph van Saksen daar zijn biografie over Jezus, aangevuld met dogmatische, morele en spirituele overdenkingen, gebeden en meditaties van de kerkvaders. Een boek voor het leven en een boek voor iedere dag, zogezegd. Al aan het eind van de veertiende eeuw was het in Duitsland zo bekend geworden dat men daar sprak van de ‘summa evangelica’; als pendant van een ander groot werk, de ‘summa theologica’ van de Italiaanse priester, theoloog en filosoof Thomas van Aquino, geschreven tussen 1265 en 1274. Binnen de kaders van het Bachfestival had die ‘summa evangelica’ het imponerende onderwerp van een aanpalende tentoonstelling (in bijvoorbeeld het Bach-museum) kunnen zijn: in ieder geval Bach en Ludolph broederlijk bijeengebracht, mogelijk met daaraan toegevoegd Thomas’ ‘summa evangelica’: gedrieën immers in het teken van Vita Christi, bezien vanuit zowel de middeleeuwse scholastiek als Bachs achttiende-eeuwse Soli Deo Gloria: Alleen aan God de Eer. Het zou zeker een boeiende triptiek hebben opgeleverd!

Goed concept
Het goed doordachte festivalconcept verbond op overtuigende wijze theologie, dramaturgie en compositie. Hoogtepunten waren er genoeg, zoals een in alle opzichten onvergelijkbare Johannes-Passion in de Thomaskerk en het Oster- (BWV 249) en Himmelfahrts-Oratorium (BWV 11) in de Nikolaikerk door het Monteverdi-ensemble onder John Ellot Gardiner, met in het Gewandhaus het Weihnachts-Oratorium door het Gewandhausorchester dat bij deze gelegenheid werd geleid door de in de historiserende uitvoeringspraktijk gepokte en gemazelde Trevor Pinnock en in de Nikolaikerk het zelden uitgevoerde oratorium Die Auferstehung und Himmelfahrt Jesu van Carl Philipp Emanuel Bach, door Das Kleine Konzert en de Rheinische Kantorei onder Hermann Max. Dan was er, zoals ieder jaar, aan het slot van het festival Bachs Hohe Messse, ditmaal door o.a. het Thomanerchor en het als ‘orkest in residentie’ fungerende Freiburger Barockorchester, geleid door Thomascantor Georg Christoph Biller (met wie ik een vraaggesprek had dat later zal worden gepubliceerd).
Na afloop was de conclusie helder: door op het hoogst denkbare niveau zowel het leven, het lijden, het sterven en de wederopstanding van Jezus zo intens muzikaal en overtuigend in beeld te brengen, werden nieuwe maatstaven gezet. Dat werd nog eens uitdrukkelijk bevestigd door de enorme publieke bijval, de gesprekken in de wandelgangen en de positieve en enthousiaste verslaglegging in de media. Alles bij elkaar genomen heeft het Bachfest ook dit jaar aan de hoge verwachtingen voldaan.

Een volbezette Thomaskerk tijdens het openingsconcert

Vita Christi kende nog een belangrijke, rode draad en tevens verbindende factor in de vorm van koraalvoorspelen en –bewerkingen, en de motetten en cantates die Bach componeerde tijdens zijn eerste ambtsperiode in Leipzig, waaronder Christ lag in Todesbanden BWV 4 (heel origineel in combinatie met Schuberts onvoltooid gebleven oratorium Lazarus oder die Feier der Auferstehung), Wer Dank opfert, der preiset mich BWV 17, Liebster Jesu, mein Verlangen BWV 32, Wer da gläubet und getauft wird BWV 37, Sie werden euch in den Bann tun BWV 44, Am Abend aber desselbigen Sabbats BWV 42, Ach Gott, wie manches Herzeleid BWV 58, Halt in Gedächtnis Jesum Christ BWV 67, Du sollt Gott, deinen Herren, lieben BWV 77, Jesu, der du meine Seele BWV 78, Jesu schläft, was soll ich hoffen BWV 81, Erfreute Zeit im neuen Bunde BWV 83, Ich bin ein guter Hirte BWV 85, Wahrlich, wahrlich, ich sage euch BWV 86, Siehe ich will viel Fischer aussenden BWV 88, Es ist euch gut, dass ich hingehe BWV 108, Wachet auf, ruft uns die Stimme BWV 140, Mein liebster Jesu ist verloren BWV 154 en Es erwartet alles auf dich BWV 187 (de cantates Kommt, eilet und laufet BWV 249 kennen we als het Oster-Oratorium en Lobet Gott in seinen Reichen BWV 11 als het Himmelfahrts-Oratorium).
Jan Willem de Vriend trad met het Combattimento Consort Amsterdam aan als violist en dirigent in twee knap geënsceneerde, ‘muntere’ cantates: Was mir behagt, ist nur die muntre Jagd BWV 208 en Schweigt stille, plaudert nicht BWV 211, met op het toneel de door Eva Buchmann goed geregisseerde ‘levensgenieters’.

Schweigt stille, plaudert nicht

Ook de orgelliefhebbers kwam ruimschoots aan hun trekken, zowel op de vele ‘Orgelfahrten’, uitstapjes naar historische orgels op even historische locaties, steevast vergezeld door muziekwetenschappers en orgelspecialisten, als in de kerken van St. Thomas St. Nikolai met op de beide grote orgels organisten van naam.

Lezingen
Wie verdere verdieping zocht kon terecht bij lezingen in het oude raadhuis en op de universiteitscampus. Christoph Wolff sprak over Bachs aan het leven van Jezus gewijde oratoriumproject, Manuel Bärwald had als onderwerp Bach en het concertbedrijf in Leipzig, Christine Blanken ging uitvoerig in op oratorium en passiemuziek in Duitsland vanaf het begin tot de periode Bach, terwijl Klaus Rettinghaus zijn toehoorders aan zich wist te binden met zijn verhandeling over het leven en sterven van Christus in het licht van de Romantiek. Michael Maul drong met zijn lezing over Johann Adolph Scheibe door tot de kern van de achttiende-eeuwse Bachkritiek. In het Bach-museum gaf de muziekwetenschapper Peter Wöllny een zeer aanschouwelijke presentatie van Bachs koraalcantates. Waar kom je zoveel lezingen van zo’n hoog gehalte – en dan ook nog gratis - tegen?

Historisch
Wat het Bachfest extra aantrekkelijk maakt zijn de concerten op de vele historische locaties die rechtstreeks of zijdelings met Bachs werkdomein verband houden. Alleen het Gewandhaus valt erbuiten: het derde en laatste bouwwerk ontstond pas in 1981, nadat het tweede, gebouwd in 1781, in WO II werd verwoest; het eerste Gewandhaus dateerde nog uit 1498. Die verbondenheid tussen heden en verleden speelt in de belevingswereld van zowel de festivalgenieters als deelnemende musici een hartig woordje mee: de omgeving is een voortdurende inspiratiebron. Zo is het best bijzonder om in de Sankt Kilian, het dorpskerkje van Störmthal, plaats te nemen op de orgelbank waarop Bach op 2 november 1723 het Silbermann-orgel (het is, zij het uiteraard gerestraureerd, in zijn volle glorie te horen) aan een ‘proeve van bekwaamheid’ onderwierp en waar zijn cantate Höchsterwünschtes Freudentest onder zijn leiding BWV 194 werd uitgevoerd. Daardoor alleen al verschilt Leipzig van menig ander festivaloord.

Geen glamour en glitter
Ik heb het al eens eerder opgemerkt: in Leipzig bevindt de festivalbezoeker zich uitsluitend onder liefhebbers. Zien en gezien worden lijkt in deze stad van geen enkele importantie. Dus gelukkig geen feest der herkenning dat zich buiten de muziek afspeelt. De organisatoren hebben vanaf het begin aansluiting gezocht bij de echte liefhebber, wat niet alleen een kwestie van prijsbeleid (de prijs van het gemiddelde toegangskaartje wijkt niet af van wat in het reguliere concertbedrijf gebruikelijk is), maar ook van programmering (het jaarlijks wisselende festivalthema) en begeleiding (met bovengemiddelde documentatie en een groot aantal hand- en spandiensten).

Evenmin te versmaden: de periferie
In de binnenstad gebeurt op straten en pleinen ook zo het een en ander. BACHmosphäre speelt zich weliswaar af langs de oevers van het echte Bachfestival, maar het valt allang niet meer weg te denken, met zijn vele levendige jazz-, rock- en popevenementen, gewoon op straat maar ook in allerlei clubs en cafés in de historische binnenstad.

BACHatmosfeer op het grote marktplein
Barokmuziek in een winkelpassage

Extra interessant waren de live-concerten waarin barok, klassiek en elektronica, techno en jazz met elkander zo creatief versmolten raakten, dat het perspectief daardoor ineens werd verbreed. Het Oude en het Nieuwe broederlijk naast en door elkaar, het functioneerde uitstekend Heel bijzonder was het optreden van het Absolute Ensemble op het grote marktplein, met het programma ‘Absolute Bach Re-invented’, met Bachs inventies en sinfonia’s als uitgangspunt voor een fascinerende reis door de rock-, pop-, hip hop- en folk-scene. Als een ensemble en de arrangementen maar goed genoeg zijn kan daar – zoals bleek - iets heel moois uitgroeien. Het weer moet wel meewerken voor muziek- en theatermanifestaties in de buitenlucht, maar niemand hoefde in dit geval te mopperen: met temperaturen van rond de 23 graden was het ’s avonds goed toeven op het plein, op een van de vele terrassen of anders wel op een muurtje, met een drankje in de hand.

Kooracademie
Het was dit jaar de eerste keer dat het Bachfest plaats had ingeruimd voor schoolkoren van de gymnasia in het Saksische Markkleeberg, Zwickau en Hoyerswerda, die konden deelnemen aan een intensieve ‘Chorakademie’ onder leiding van de in het barokrepertoire en de historiserende uitvoeringspraktijk gespecialiseerde Hermann Max, musicoloog en artistiek leider van Das Kleine Konzert en de Rheinische Kantorei. Aan het studieproject, onder de naam b@ch für uns!, werkte tevens het Mendelssohn Kammerorchester Leipzig mee, wat uiteindelijk resulteerde in twee glanzende uitvoeringen, waarvan de eerste gelijk op de openingsdag van het festival, op 14 juni op het grote marktplein en vervolgens op 16 juni in het Mekka van de ‘abendländische’ muziek, de Thomaskerk in Leipzig.

Voor de gymnasiasten in Saksen maakt de muziek – anders dan bij ons – een vast en belangrijk onderdeel uit van het leerprogramma, een traditie die zijn oorsprong heeft in de Thomasschool waar ook Johann Sebastian Bach lesgaf, en die ook vandaag de dag zijn uitwerking niet mist, getuige het Thomaner- en Kreuzchor dat overigens alleen jongens in de gelederen opneemt en waar ‘Grundschule’ en ‘Musikschule’ hand in hand gaan. Het is goed om te zien dat in Saksen nog steeds wordt geïnvesteerd in dergelijke combinatieopleidingen, al zag ik wel her en der aanwijzingen die erop duiden dat ook bij onze oosterburen de tering geleidelijk aan meer naar de nering wordt gezet.

Bachmedaille 2013
Tien jaar geleden introduceerde de stad Leipzig tijdens het Bachfest de uit Mei βner porselein vervaardigde Bachmedaille die jaarlijks wordt uitgereikt aan een musicus die zich op het gebied van de Bachinterpretatie bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt: Gustav Leonhardt beet in 2003 het spits af, gevolgd door Helmuth Rilling (2004), John Eliot Gardiner (2005), Ton Koopman (2006), Nikolaus Harnoncourt (2007), Hermann Max (2008), Frieder Bernius (2009), Philippe Herreweghe (2010), Herbert Blomstedt (2011) en Maasaki Suzuki (2012). Dit jaar was het de beurt aan de tenor en dirigent Peter Schreier, die echter zo ernstig ziek is dat tot kort voor de dag van de uitreiking nog onduidelijk was of hij überhaupt in staat was om te komen. Maar hij was er op 21 juni, in de feestzaal van het oude raadhuis. Burgemeester Burkard Jung reikte hem de prijs uit onder het toeziend oog van de juryleden Christoph Wolff en Georg Christoph Biller, naast de chefdirigent van het Gewandhausorchester Riccardo Chailly (hij tekende onlangs weer bij) en de intendant van de plaatselijke opera, Ulf Schirmer.

Ensemble in residence
Dit jaar viel de eer te beurt aan het Freiburger Barockorchester als ‘ensemble in residence’, een overigens uitstekende keus, met daarvan afgeleid ook nog het Freiburger BarockConsort in uitsluitend kamermuziekbezetting. Maar waarom slechts drie concerten? Het bleef beperkt tot 15 juni in de Nikolaikerk met de klavecinist Andreas Staier in werken van Bach, Händel en Telemann, op 23 juni in de Thomaskerk met Bachs Hohe Messe en het Freiburger BarockConsort dan nog op 16 juni in de evangelisch-gereformeerde kerk met Bachs Musikalisches Opfer. Een nogal magere oogst voor een ‘ensemble in residence’. Ter vergelijking: het Monteverdi-ensemble gaf evenveel uitvoeringen als het Freiburger Barockorchester!

Andreas Staier met het Freiburger Barockorchester in de Nikolaikerk

Gewandhaus
De in het kader van het Bachfest in het Gewandhaus gegeven concerten waren – het moet gezegd –een tamelijk vreemde eend in de bijt: ze leken er met de haren bijgesleept. Dat begon al op 14 juni in de (kleine) Mendelssohn-Saal, met liederen en pianostukken van Richard Wagner, een dag later gevolgd door Moesorgski’s Schilderijententoonstelling in een uitvoering door het Gewandhausorchester. Een typisch voorbeeld van programmering in een willekeurig abonnementseizoen. Op 20 juni was het al niet beter, met Richard Strauss’ Rosenkavalier-suite, het Celloconcert van Turnage en de Tiende symfonie van Sjostakovitsj. Een aardige vondst was wel op 23 juni de combinatie van Mahlers uit Bachs orkestwerken samengestelde suite, Bachs ‘Piano’concert BWV 1052, Hindemiths Rag Time (‘wohltemperiert’!) en Stokowski’s bewerking van een aantal orgelwerken van Bach.

Van een geheel andere orde was het concert dat op 19 juni plaatsvond in de Mendelssohn-Saal, door het uitstekende spelende Helsinki Baroque Orchestra (Baroque Soloists was wellicht een nog passender benaming geweest!) onder Reinhard Goebel (eens de primarius van Musica Antiqua Köln), met de violiste Isabelle Faust in Johann Bernhard Bachs Ouverture in g, Locatelli’s Concerto Grosso op. 7 nr. 6 en van Johann Sebastian Bach het Vioolconcert BWV 1041 en de Sinfonia in F, BWV 1046a (de vroege versie van het Eerste Brandenburgs Concert). Na afloop werd de zaal bijna afgebroken door het bijna uitzinnige publiek; en terecht, want waar Goebel nogal hoekig dirigeerde, speelde Faust de sterren van de hemel, technisch volkomen trefzeker en met een klankrijkdom die alleen aan de grootste violisten is voorbehouden.

Isabelle Faust in Bachs Vioolconcert BWV 1041
Reinhard Goebel dirigeert het Helsinki Baroque Ensemble in Bachs Sinfonia BWV 1046a

De meningen waren sterk verdeeld over het programmeren van Bachs Weihnachtsoratorium op 16 juni, een werk dat zo sterk verbonden is en voelt met Kerstmis en bovendien dusdanige winterse associaties oproept dat het geen gelukkige keus lijkt om het hartje zomer – althans gemeten naar de gevoelstemperatuur – uit te voeren; en dan ook nog op de verkeerde plek, het Gewandhaus in plaats van in de Thomas- of Nikolaikerk, het verkeerde orkest: het Gewandhausorchester (het Freiburger Barockorchester had meer voor de hand gelegen) en de verkeerde dirigent: Trevor Pinnock die vooral excelleert in een ‘naaimachinestijl’ waar weinig reuk of smaak aan is.

Het Weihnachtsoratorium in de grote zaal van het Gewandhaus

Goudgerande Goldberg-variaties
In december 2011 besprak ik de cd-uitgave van de Goldberg-variaties door de Amerikaanse pianist Nicholas Angelich (klik hier voor de recensie). De uitvoering in de feestzaal van het oude raadhuis leverde zowel technisch als interpretatief nauwelijks waarneembare verschillen op met de studio-opname, of het zou de aria moeten zijn die ditmaal een fractie sneller verliep dan toen in het Ierse Cork, en later tijdens het festival van Verbier. Weer trof de uitgekiende frasering, de uiterste transparantie, de pregnante ritmiek, de dynamische ‘Abstufung’ en de cohesie die deze vertolking van begin tot eind uitstraalde. Het zegt ook iets over de concentratie van de kant van het publiek dat men de spreekwoordelijke speld kon horen vallen. Tja, liefhebbers onder elkaar, wat wil je!

Johannes-Passion: 'once-in-a-lifetime'
Het is en blijkt steeds weer opnieuw een klasse apart te zijn: en concert beléven met John Eliot Gardiner en zijn team, The Monteverdi Choir en de English Baroque Soloists. Met Koopman en Suzuki is Gardiner waarschijnlijk de enige dirigent die zoveel werk heeft gemaakt van Bachs instrumentale en vocale oeuvre, en daarin zo diep wist door te dringen dat zijn uitvoeringen zich steevast als echte parels van het ‘gangbare’ onderscheiden. Daar is wel eerst de knoet overheen gegaan, want wie onder Gardiner wil musiceren moeten zowel van zeer goede huize komen als bestand zijn tegen de grote druk die hij op zijn musici legt. Het adagium is dat alleen het allerbeste goed genoeg is. Twee consequenties van die aanpak: koorleden die zich als volmaakte solist ontpoppen maar ook snel en noodgedwongen vertrek als de lat toch te hoog blijkt te liggen.

Hoe hoog de lat lag bleek al uit het eerste optreden van het Monteverdi-ensemble met Bachs Johannes-Passion (in de versie van 1739) op 20 juni in een volgepakte Thomaskerk. Het was zo’n uitvoering die in de praktijk nauwelijks te realiseren lijkt, met zoveel nuances in de afbeelding van het drama dat de toehoorder er vrijwel voortdurend door werd verrukt (ik weet het, het is een tegenstelling die voor menigeen de morele grenzen in kaart brengt), als hij al niet werd ondergedompeld in deze ongekende mixture van uiterst fijnzinnige verstilling en felle expansieve expressie, met daartussen alle denkbare gradaties in klankkleur, dynamiek en frasering, vanaf het uiterst dwingende beginkoor ‘Herr, unser Herrscher’ tot het liefderijke, warme slot ‘Ach Herr, lass dein lieb Engelein’. De grote kwaliteiten van de emotioneel betrokken Mark Padmore als de soms schraal klinkende evangelist, Matthew Brook als gezaghebbende Jezus en Peter Harvey als de hypocriete Pilatus en in de basaria’s kende ik al van andere gelegenheden, maar de grote verrassing waren de sopraan Hannah Morrison, de mezzo Meg Bragle en de tenor Nicholas Munroy, gedrieën tot de vaste kern van het Monteverdi Choir behorend, die hun soli met een ontroerende charme gestalte gaven, puur en helder, met nauwelijks vibrato, de zanglijnen in perfecte harmonie met de tekst. Bij Gardiner geen gekunstelde mooidoenerij, geen koketterie, maar ademende, onvervalste klankschoonheid. Hij liet deze kolossale partituur voortdurend fonkelen en schitteren, maar met de inhoudelijke dramatiek van het lijdensverhaal diep ingrijpend en voortdurend op de voorgrond.

Johannes-Passion: 'once-in-a-lifetime'

Opstanding en Hemelvaart
Twee dagen later, op 22 juni was het hetzelfde gezelschap dat met de uitvoering van het Paas-oratorium BWV 249 (Kommt, eilet und laufet) en het Hemelvaartsoratorium BWV 11 (Lobet Gott in seinen Reichen) de tot de laatste plaats bezette Nikolaikerk volkomen in de ban had. Zo voelde het tenminste. En weer herhaalde zich na die formidabele Johannes-Passion het sprookje van een uitvoering die door mijn buurman, een collega muziekcriticus, als een ‘once-in-a-lifetime-event’ werd aangeduid. Er waren nogal wat hoofdrollen te vergeven op het instrumentale vlak, voor de drie trompetten, fluiten en hobo’s (ze speelden niet, ze zóngen!), naast het formidabel presterende koor en weer die de uitmuntend presterende solisten. Wat ook nu opviel was de uiterst scherp gesneden profilering (maar in BWV 11 hoorde ik in het koraal ‘Nun lieget alles unter dir’ nog niet eerder zoveel ingehouden devotie doorklinken), uitmondend in het briljante slotkoraal ‘Wenn soll es doch geschehen’ (BWV 11) dat zelfs herhaald moest worden, alvorens het door het dolle heen zijnde publiek het ensemble wilde laten gaan.

John Eliot Gardiner neemt met zijn Monteverdi- ensemble in de Nikolaikerk het applaus in ontvangst

Das Kleine Konzert en de Rheinische Kantorei
Tussen de beide optredens van het Monteverdi-ensemble viel op 20 juni in de Nikolaikerk te genieten van Bachs kantate ‘Halt im Gedächtnis Jesum Christ’ BWV 67 en het oratorium ‘Die Auferstehung und Himmelfahrt Jesu’ Wq 240 van Carl Philipp Emanuel Bach door het iets minder bekende Das Kleine Konzert en de Rheinische Kantorei onder leiding van Hermann Max. Nog maar enige decennia terug was dat oratorium nog vrijwel onbekend, maar een aantal cd-opnamen heeft daarin verandering gebracht. Toch zal dit concert voor menigeen een ‘ear-opener’ zijn geweest, mede door het werk van de Thomascantor tegenover dat van zijn zoon te stellen. De verschillen heeft niemand kunnen ontgaan, maar de overeenkomsten evenmin; en dat in de wetenschap dat Bachs kantate BWV 67 een van zijn meest imposante en oorspronkelijke kerkkantates is.

Het door artistiek leider Hermann Max opgerichte instrumentaal ensemble Das Kleine Konzert (1981) en het gemengde koor Rheinische Kantorei (1977) hebben zich vanaf de oprichting toegelegd op de uitvoering van het barokrepertoire binnen de historiserende context. Uitgangspunt voor het uitsluitend uit beroepsvocalisten bestaande koor was – om Hermann Max te citeren – het zeventiende- en achttiende-eeuwse, Italiaanse ‘Gesangsideal’: een heldere, stralende klank, met een slanke stemvoering, tot in de perfectie ontwikkelde dictie en een volstrekt zuivere intonatie onder alle omstandigheden. Das Kleine Konzert past er als instrumentaal ensemble naadloos bij aan, maar geeft ook zelfstandig concerten en maakt cd-opnamen. De naam werd ontleend aan het achttiende-eeuwse ‘Gro βe Konzert’, het ensemble waaruit later het Gewandhausorkest werd gevormd.
In wisselende samenstelling (de grootte varieert van 12 tot 32 vocalisten) laat het koor zich, zowel met als zonder orkestbegeleiding, met name in Duitsland horen. Wat bij de beide ensembles sterk opvalt is de beweeglijkheid van de stemmen, de lichtheid en de transparantie in de meest complexe polyfonie en het geloof in eigen kunnen dat als het ware van het podium afstráált. Dankzij de warme maar heldere akoestiek van de Nikolaikerk kwamen al die voortreffelijke eigenschappen optimaal naar voren.

Hermann Max leidt Das Kleine Konzert en de Rheinische Kantorei in de Nikolaikerk

Vier gambasonates
De Duitse gambist Thomas Fritzsch heeft een aantal verrassende ontdekkingen op zijn naam staan, waaronder het Gezangenboek van Georg Philipp Telemann en vier gambasonates van Johann Christian Bach. Die onates waren weliswaar niet ‘verdwenen’, maar na de dood van de componist in private handen overgegaan en buiten het uitvoeringscircuit gehouden. Van hun bestaan was niets bekend en er werd ook niets over vernomen. In 1992 kwamen de manuscripten bij Sotheby’s onder de hamer en door een Griekse verzamelaar van barokmanuscripten aangekocht. Ook hij hield ze om niet opgehelderde redenen uit de publiciteit. Fritzsch kwam de sonates bij toeval op het spoor toen hij door een veilingcatalogus van het vermaarde veilinghuis bladerde. Met de gedachte ‘de aanhouder wint’ probeerde hij vervolgens om afschriften ervan in handen te krijgen. Het overleg tussen Fritzsch en Sotheby’s leverde in ieder geval op dat het veilinghuis de naam van de koper niet bekend wilde maken, maar wel wilde bemiddelen. Dat leverde aanvankelijk niets op, maar uiteindelijk slaagde Fritzsch er toch in om de eigenaar van de manuscripten ervan te overtuigen dat hij, Fritzsch, zowel musicologisch als qua gambist van wanten wist en dat hij als geen ander in staat moest worden geacht een alleszins waardige uitvoering van die sonates te realiseren. Dat trok de Griek over de streep, waarna Fritzsch kort daarop de fotokopieën van de manuscripten in handen kreeg. Hij ging ermee aan de slag, met als resultaat zowel een groot aantal live-uitvoeringen als een cd-opname.
Volgens de muziekwetenschapper Bernhard Schrammek (hij schreef de toelichting voor een programmaboekje) weerspiegelen de vier sonates voor viola da gamba en obligaat klavecimbel of fortepiano het muzikale hoogtepunt van die tijd in Londen, in tweede helft van de achttiende eeuw, een indrukwekkende synthese tussen het oude instrument en de moderne, klassieke componeerstijl. De verwachtingen waren dus hoog gespannen, maar de muzikale uitkomst van al die inspanningen viel mij – de interessante voorgeschiedenis waarover Fritzsch voor aanvang van het concert uitvoerig uitweidde ten spijt - toch niet mee. Dit bleken typisch van die sonates voor twee instrumenten waarbij het ene instrument, in dit geval de gamba, nauwelijks iets van belang aan de klavecimbel- annex fortepianopartij toevoegde: de gamba fungeerde merendeels slechts als melodische of harmonische verdubbeling, en niet meer dan dat. Wat ons werd gepresenteerd waren toch vooral ‘gewone’ sonates voor een toetsinstrument zoals die er al zoveel waren, niet echt origineel, laat staan vooruitstrevend, rustig voortkabbelend, zich vrijwel uitsluitend voortbewegend op het vakmanschap van de maker. Van Johann Christians ‘Sturm und Drang’ viel in deze werkjes in ieder geval niet iets te ontdekken, wat de waarde van de ‘vondst’ naar mijn gevoel aanmerkelijk beperkte.

‘Stimmungsarten’
Wie de gelegenheid had om op 17 juni om 18.00 uur aanwezig te zijn in het Grassi-museum voor oude muziekinstrumenten kon misschien wel voor het eerst van zijn leven bijna lijfelijk kennismaken met de vele verschillende stemmingen op een groot aantal uiteenlopende, historische toetsinstrumenten, gedemonstreerd door vakdocenten van de afdeling Oude Muziek aan de Hochschule für Musik und Theater in Leipzig. Onvermoeibaar vragen beantwoordend en op verzoek de nodige concrete voorbeelden gevend leverde dat een ongekend plezierige en leerrijke avond op, waarbij de puur muzikale demonstraties als slagroom op de taart fungeerden.

Nieuwe Muziek
Voor de een misschien eerder een kwestie van prestige dan van inhoud, maar een feit is wel dat het Bachfest wel degelijk aandacht schenkt aan nieuwe(re) composities, zij het dat die slechts mondjesmaat waren vertegenwoordigd: Goldmanns Vier Klavierstücke en Sonate für Klavier, Bredemeyers For CAGE and for piano, en Klavierstück 3, Thieles Vier stille Stücke en Abendphantasie en Schleiermachers Klavierstück 1990, die deze compositie zelf, evenals de overige, op 19 juni in de bioscoopzaal van het schoolmuseum in Leipzig op de piano speelde.
In dezelfde zaal, maar nu een dag later, speelde het Sonar Quartett strijkkwartetten van Zapf en Katzer.
Niet nieuw, maar toch nieuw genoeg om een deel van het publiek al bij voorbaat af te schrikken was het uitstekend samengestelde programma van het concert op 22 juni in de Peterskerk, met Schönbergs Friede auf Erde en Dreimal tausend Jahre, Kreneks Lamentatio IV (voor Goede Vrijdag), het door Wagner bewerkte Stabat Mater van Palestrina en afsluitend enige voor koor bewerkte liederen van Wagner, Schumann, Berg en Webern, uitgevoerd door het omroepkoor van de MDR onder leiding van Florian Helgath.

Slot
Het wemelt van de muziekfestivals in en buiten Europa. Het lijkt niet overdreven om een deel daarvan als ‘wildgroei’ te bestempelen, met vooral het bevorderen van het toerisme als de drijvende kracht achter het geheel. Bovendien is er te vaak sprake van niet meer dan een verlenging van het gewone concertseizoen, terwijl festivals er nu juist voor bedoeld lijken te zijn om iets bijzonders, buiten de geijkte paden om, te presenteren. Wie voor Leipzig kiest weet zich in ieder geval verzekerd van bloemrijk vormgegeven en cultureel hoogwaardig programma waarin de nadruk wordt gelegd op verscheidenheid en een kwalitatief hoog uitvoeringsniveau. De indeling is zo gekozen dat desgewenst meerdere concerten per dag kunnen worden bezocht of langs gewandeld, wel of niet afgewisseld door museumbezoek, orgelreizen of andere evenementen. Jaarlijks kan ik uit de vele mij bekende gezichten uit binnen- en buitenland opmaken dat wie eenmaal de smaak te pakken heeft, terug blijft komen. Dat is trouwens iets dat een lid van de festivalleiding mij ook bevestigde: vandaag een unieke gast, maar vanaf nu jaarlijks terugkerend. daar doen we het ook voor!

Het slotconcert in de Thomaskerk: Bachs Hohe Messe onder Thomascantor Georg Christoph Biller

Voor verdere informatie: www.bach-leipzig.de 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links