Actueel (archief)

Yannick Nézet-Séguin

volgt Valery Gergiev op in Rotterdam

 

© Aart van der Wal, december 2006

 

 
  Yannick Nézet-Séguin

De opvolger van chefdirigent Valery Gergiev is gevonden: met ingang van het concertseizoen 2008/09 betreedt leider van het Orchestre Metropolitain in Montréal, de 31-jarige Canadees Yannick Nézet-Séguin het Rotterdamse strijdperk met 4 programma's (in totaal 11 concerten). In juni 2008 gaat hij met het orkest op tournee naar China, Japan en Zuid-Korea. 

Nee, Nézet-Séguin heeft vooralsnog niet de status van een Esa Pekka-Salonen of Christian Tielemann, en hij komt evenmin naar de havenstad met een riant platencontract in de achterzak (wel maakte hij voor het label Atma Classique opnamen van onder andere de Tweede symfonie van Kurt Weill, de Vierde symfonie van Gustav Mahler en de Orgelsymfonie van Camille Saint-Saëns). Uiteraard moet de tijd leren of hij de verwachtingen zal waarmaken, maar in ieder geval viel de jonge, bevlogen Canadees bij de orkestleden al snel in de smaak, toen hij in oktober 2005 voor het eerst bij het RPhO zijn opwachting maakte. Vooral met Mendelssohns Italiaanse gooide hij hoge ogen. Twee al even enthousiast ontvangen vervolgoptredens lijken voor zijn benoeming het fundament te hebben gelegd.

Inmiddels staat vast dat Nézet-Séguin in de eerste vier jaar zo'n acht weken per concertseizoen bij het orkest werkzaam zijn. Dat lijkt niet veel, maar de dirigent blijft voorlopig ook verbonden aan het orkest in Montréal, terwijl hij daarnaast nog gastdirecties elders vervult. In juni 2008 gaat Yannick met het orkest op tournee naar China, Japan en Zuid-Korea.

Een enthousiast orkestlid verhaalde in de media van een 'flexibele en communicatieve' orkestleider. "Toen hij Ravels La valse dirigeerde, een werk dat Gergiev ook met ons heeft gedaan, waren we helemaal gewonnen. Deze Ravel klonk heel anders dan die van Gergiev, maar het klopte perfect. Met Yannick hebben we een dirigent die ons laat werken en stevig repeteert. Dat vinden wij, na Gergiev die het altijd druk had, een verademing. Eindelijk hebben we weer een dirigent die serieus aan intonatie werkt." Alsof dirigent Hans Leenders dat niet deed?

Dergelijke uitspraken bevestigen alleen maar wat we allang wisten: dat Valery Gergiev weliswaar een krachtige, energieke sterdirigent is die op podium van De Doelen zonder al te veel voorbereidingen muzikale wonderen kon verrichten, maar het 'inzepen' aan een assistent overliet en met het orkest geen echt hechte band onderhield. Daarvoor was hij eenvoudig ook veel te weinig in Rotterdam. Dat wist het orkest trouwens al alvorens de handtekeningen onder het contract werden gezet. Met Gergiev haalde het RPhO weliswaar een topdirigent in huis, maar daarvoor moest het nodige water in de wijn worden gedaan. Het is, achteraf bezien, niet minder dan een mirakel dat Gergiev het nog zo lang in Rotterdam heeft uitgehouden.

Directeur Jan Raes toonde zich ook blij met de komst van Yannick. Gezocht werd naar een jonge dirigent die zowel in staat moest worden geacht om het gemengde publiek beter te bereiken als invulling te geven aan de rol van het orkest in stad en samenleving. Een pikant detail daarbij is dat Gergiev op de uiteindelijke keuze geen enkele invloed heeft gehad. Sterker nog, de Russische dirigent had nog niet eerder van Yannick gehoord.

Yannicks reactie was vanzelfsprekend voorspelbaar en eigenlijk geheel in lijn met hetgeen Mariss Jansons verklaarde toen deze was benoemd als chefdirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest: "Als je zo'n grootheid [Gergiev - AvdW] mag opvolgen, kun je wel zeggen dat een droom werkelijkheid is geworden. Het voelt fantastisch. Ik ben verliefd op dat orkest [RPhO - AvdW] en in de toekomst moet blijken hoe diep de wederzijdse gevoelens zijn. Nu voelt het in ieder geval uitstekend. Ik heb nog nooit voor een orkest gestaan dat mij zoveel energie en sympathie heeft teruggegeven."

Meer eigentijds repertoire?

Simon Rattle heeft in Berlijn laten zien dat met behulp van een uitgekiende programmering en het organiseren van allerlei randactiviteiten een nieuw en jong publiek voor de 'moderne' muziek kan worden gewonnen. Zeker, Rattle's charisma heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld, maar uiteindelijk telt toch alleen het resultaat en dat is zeker niet gering. Nézet-Séguin mag dan (nog) niet de statuur van Rattle hebben, hij is in ieder geval jong en enthousiast genoeg om in Rotterdam het nogal vastgeroeste abonnementspubliek naar een nieuwe muzikale horizon te leiden, waarbij de functie van het orkest minder in het museale en meer in het muzikaal-progressieve moet worden ontwikkeld. Dat zal dan zowel in de concertzaal als in de periferie moeten gebeuren. Misschien is dit wel de ware uitdaging in het komende decennium. Minder aandacht dus voor marktwerking en meer voor vernieuwing (die meestal eerst deels ten koste gaat van de zaalbezetting).

Wie de concertprogramma's van het RPhO van de laatste tien jaar kritisch onderzoekt ziet wel herhaaldelijk een creatieve inbreng, maar er is nog volop koudwatervrees. chefdirigent Valery Gergiev heeft zich - met uitzondering van het werk van enige eigentijdse Russische componisten zoals Sofia Goebaidoelina - in ieder geval niet als vernieuwer geprofileerd. Een goed voorbeeld van die overheersend traditionele programmering waren zeker ook de - overigens zeer succesvolle - Gergiev-festivals.

Kortom, met de komst van de Canadees met de jeugdige uitstraling komen er wellicht kansen voor componisten als Kagel, Ligeti, Rihm, Henze, Stockhausen, maar ook Canadese en Nederlandse (eigentijdse) componisten. Maar dan wel met de kanttekening dat het programmeren van eigentijdse muziek niet zonder een artistiek-kritische voorselectie kan. Het publiek moet niet de zaal uit worden gejaagd met allerhande extravaganza die op de keper beschouwd muzikaal weinig om het lijf heeft. Dus liever geen Concert voor 24 Telefoonboeken en Orkest.

Mogelijk keert - althans deels - ook het Franse repertoire terug waarmee de aristocratische Jean Fournet in Rotterdam in de jaren zeventig furore maakte. Er is in ieder geval ruimte genoeg voor de Franse muziek, met componisten als Ravel, Debussy en Fauré, maar zeker ook Ibert, Milhaud, Poulenc, Messiaen, Jolivet, Auric, Durey en Taillefert.

Niet uit het niets

Het heeft lang geduurd. Een nieuwe chefdirigent vind je niet zomaar. Evenmin kan een dirigent of solist een fax sturen naar een orkestdirectie in de trant van "ik ben die en die en kan zus en zo. Mijn curriculum vitae sluit ik bij en u kunt nadere informatie inwinnen bij .."

Hoe komen de contacten tot stand, hoe lopen de hazen? In het geval van Yannick lijkt zijn impresario, Askonas Holt, de spil te zijn geweest. Holt heeft in zijn artistieke renstal vele bekende 'raspaarden' onder zijn hoede, zoals Claudio Abbado, Daniel Barenboim, Bernard Haitink, Rudolf Barshai, Frans Brüggen, Myung-Whun Chung, Trevor Pinnock, Zubin Mehta, Leonard Slatkin (in december te gast in Rotterdam), Thomas Zehetmair, Rafael  Frühbeck de Burgos, John Eliot Gardiner, Paul Goodwin, Emmanuel Krivine en . Yannick Nézet-Séguin. Daarnaast is het impresariaat betrokken bij allerlei projecten en bereidt het buitenlandse tournees voor. Ook voor nieuwkomers als Gustavo Dudamel en Yannick Nézet-Séguin liggen er bij het impresariaat volop kansen. Zoals Holt het zelf zegt: "We are also proud to manage the careers of some of the profession's most exciting rising stars, now emerging onto the world stage."

Het zijn de (vele) impresariaten (een van de bekendste is Columbia Artists Management Inc. - CAMI), die de spelregels en de contracten (helpen) opstellen en individuele muzikale carrières professioneel begeleiden. Tegen een passende vergoeding uiteraard. De een ziet dit als een uitwas van de globalisering, de ander als het gevolg ervan. Er is veel tegen die ontwikkeling in te brengen (de muziekcriticus Norman Lebrecht heeft er nog steeds een bijna volle dagtaak aan), maar we leven nu eenmaal niet meer in de tijd van Wilhelm Furtwängler, Otto Klemperer en Bruno Walter. De opkomst van de generatie 'jetlag-musici' en de sterk toegenomen commerciële invloeden hebben het gezicht van het mondiale concertbedrijf in hoge mate veranderd. Daarover mag wel getreurd worden, maar liever niet te lang, want het is de onomkeerbare nieuwe werkelijkheid.

In de vaart der volkeren

Toen de platen- en later de cd-industrie nog goed floreerde was het relatief gemakkelijk om zowel daaruit extra inkomsten te vergaren als internationale invloed te verwerven. Orkesten en instrumentale en vocale solisten ontleenden het merendeel van hun bekendheid aan de wereldwijde marketing van eerst grammofoonplaten en later cd's. Dat leidde op zich weer tot meer optredens, en vervolgens weer tot meer opnamen. Dat was synergie in optima forma. In de commerciële periferie van de grote muziekfestivals zoals de Salzburger Festspiele en de Wiener Festwochen stonden tot eind jaren tachtig platenmaatschappijen als Deutsche Grammophon, Philips en Decca letterlijk vooraan. Etalages, kunstgebouwen en hotelfoyers waren overladen met grote posters met daarop de beeltenis van de artiest én de platenmaatschappij die hem onder contract had. Maar die markt stortte in. Labels verdwenen, orkesten, dirigenten en solisten moesten hun heil elders zoeken. De echte doorzetters met ondernemingslust begonnen een eigen label (Ton Koopman met het Antoine Merchand-label, John Eliot Gardiner met het Soli Deo Gloria-label, het KCO met het eigen label RCO Live!, nota bene met groot succes). In Engeland zagen we een soortgelijke ontwikkeling.

Tegenwoordig is het ook voor een redelijk bekend orkest ook geen heksentoer meer om een eigen label te beginnen. Door de toegenomen uniformiteit van de digitale opnameapparatuur en het internet als bijna gratis distributiekanaal kunnen zonder al te veel kosten aantrekkelijke extra inkomsten worden gegenereerd. Met de komst van mp3-achtige muziekconserven en downloads middels de veel snellere breedbandverbinding ligt voor menig orkest en voor menige musicus een gemakkelijk bereikbaar afzetgebied aan zijn voeten. Een dirigent zonder riant contract met een platenmaatschappij is dus niet meer al bij voorbaat kansloos. Nu wordt nog veel meer dan vroeger gekeken naar charisma, communicatieve vaardigheden (het bewaren van rust in het orkest, een positieve houding jegens sponsors en dergelijke), maar ook eigenschappen waarmee nieuw publiek kan worden aangetrokken.

Tournees naar verre landen zijn weliswaar nuttig, maar het zijn prestigeobjecten in het kader van zien en gezien worden. Ze vereisen een enorme organisatie en zijn uiterst vermoeiend, maar kaskrakers zijn het doorgaans niet. Daar staat tegenover dat een orkest dat wordt uitgenodigd voor een prestigieus festival als de Salzburger Festspiele de aandacht krijgt van iedereen, al moet worden gezegd dat de reputatie de invitatie al vooruit is gesneld. Maar in het culturele krachtenveld is het geen garantie dat een 'gewoon' orkest onder leiding van een chefdirigent die tot de wereldtop behoort, voor een dergelijk festival een uitnodiging ontvangt, of anderszins daardoor 'op de kaart wordt gezet'.

Na Gergiev

Waarom koos het RPhO niet voor een Nederlandse chefdirigent? Blijkbaar ontbrak het in de visie van het orkest(bestuur) aan geschikte landskampioenen, of ze waren eenvoudigweg niet tijdig beschikbaar (wat nauwelijks valt aan te nemen). Namen zijn er voldoende, maar de keus is gemaakt, het zij zo. Het tijdperk Edo de Waart (van 1967 tot 1979) is on(her)haalbaar, al zal menigeen die het heeft meegemaakt met een mix van verlangen en nostalgie er weleens naar terugverlangen.

Hoe het ook verder zij, de keus voor de dirigent en pianist Nézet-Séguin is al met al zo gek nog niet. Gergiev was voor het RPhO geen ideale dirigent, al boekte hij in Rotterdam en daarbuiten met het orkest vaak grote successen (minder geslaagde optredens waren er overigens ook). Geen enkel orkest kan echt vorderingen maken als zijn chefdirigent meer buiten dan binnen is, of zo druk is met andere zaken dat een consistent repetitieschema er zelfs bij inschiet. Dan is het per saldo toch veel beter om te kunnen bogen op een échte chefdirigent, die volop met 'zijn' orkest bezig is, daarin zijn ziel en zaligheid legt. Dát schiet tenminste op. Het bestuur en de orkestcommissie zullen zich dat terdege hebben gerealiseerd en ook in dit opzicht de nodige afwegingen hebben gemaakt. Bij het RPhO zijn in de afgelopen vijf jaar problemen genoeg geweest en het wordt echt hoog tijd dat er een consistent beleid wordt ontwikkeld waarin de chefdirigent volop participeert en in artistiek opzicht daarvan ook het visitekaartje afgeeft. Hier liggen voor de Canadese dirigent kansen genoeg.

Maar het Engelse adagium is en blijft: the proof of the pudding is in the eating. Dat die onder het bewind van Yannick Nézet-Séguin straks maar goed mag smaken!

Relevante websites:

Rotterdams Philharmonisch Orkest: www.rpho.nl/

Yannick Nézet-Séguin: www.yannicknezetSéguin.com/

Askonas Holt : www.askonasholt.co.uk/green/green/home.nsf/categories/conductors/

Columbia Artists Management Inc.: www.cami.com/


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links