Actueel (archief)

 Bachfest Leipzig 2005

I. Wat eraan voorafging

 

© Aart van der Wal, mei 2005

 

Op uitnodiging van het in Leipzig gevestigde Bach-Archiv was ik te gast bij het jaarlijkse Bachfest(ival) dat ditmaal van 29 april tot 9 mei daar werd gehouden. Naast vele boeiende concerten en voorstellingen waren er ook interessante excursies en verhelderende lezingen waarbij - hoe kan het ook anders - de muziek van Johann Sebastian Bach centraal stond. Er waren talloze prachtige voorstellingen, maar ook boeiende lezingen en excursies. Ook op andere culturele gebieden viel veel te genieten. Ik deed bovendien nieuwe contacten en kennis op, al was het alleen al fysiek onmogelijk om alle evenementen te bezoeken. Bovendien arriveerde ik door allerlei beslommeringen pas op 3 mei in Leipzig.

Geschiedenis in vogelvlucht

De geschiedenis van het Bachfest begint in 1900 met de oprichting van de Neue Bachgesellschaft (NBG). Vanaf het prille begin gold als uitgangspunt dat de festivalactiviteiten voor een zo breed mogelijk publiek toegankelijk moesten zijn, wat mede tot gevolg had dat de muziekfeesten afwisselend in verschillende Duitse steden werden georganiseerd, voor de eerste maal in 1900 in Berlijn. In 1904 werd het Bachfest voor het eerst in Leipzig gehouden, vier jaar later gevolgd door een soortgelijk evenement, ditmaal echter onder auspiciën van het stadsbestuur van Leipzig. De aanleiding vormde de inwijding van het door de beeldhouwer Carl Seffner ontworpen Bachmonument op het plein voor de Thomaskerk. Er zouden uiteindelijk nog twee festivals volgen alvorens de Eerste Wereldoorlog daaraan rigoureus een einde maakte.

Vanaf 1920 werd het Bachfest afwisselend door de stad Leipzig en de NBG georganiseerd, maar in 1933 kreeg de nationaal-socialistische ideologie ook dit muziekfeest in een vaste greep en werd het Bachfest vervolgens omgedoopt in Bach-Händel-Schütz-Feiern. Tot in 1943 bleef die opzet min of meer gehandhaafd, maar in de laatste oorlogsjaren kon van een festival geen sprake meer zijn. Na de totale ineenstorting van nazi-Duitsland kwam het muziekleven toch weer snel op gang. Reeds in het voorjaar van 1946 - nog onder toezicht van het toenmalige Russische militaire bestuur! - werd met een heuse Bach-Festwoche de traditionele draad weer opgepakt.

De DDR-regering greep in 1950 Bachs tweehonderdste sterfjaar aan om met de Deutsche Bachfeier Leipzig fors uit te pakken. Men wilde Oost-Duitsland als "cultuurnatie" weer op de kaart zetten en Bach en zijn muziek leken daarvoor de vrijwel ideale uitgangspunten te bieden. De activiteiten werden zelfs uitgebreid met een heus Bachconcours, met niemand minder dan Dmitri Sjostakovitsj als een van de juryleden. Voor het eerst waren er nu ook seminars alsmede een uitgebreide tentoonstelling in het oude raadhuis. De daarop volgende tien Bachfestivals richtten zich echter vooral op de "wereldse" Bach. De DDR-leiders hadden weinig op met religie - behalve dan de partijreligie! - en was er voor Bachs kerkmuziek niet of nauwelijks plaats. Dat veranderde pas na de vreedzaam verlopen omwenteling in 1989. Vijf jaar later organiseerde de NBG haar negenenzestigste Bachfest voor de eerste maal in nauwe samenwerking met het Bach-Archiv in Leipzig.

In 1999, op de kop af tien jaar na de val van de Oost-Duitse communistische partijtop, ging  het eerste Bachfest Leipzig van start dat vanaf nu jaarlijks uitsluitend door de stad werd gefinancierd en waarvan de organisatie in handen was van het Bach-Archiv. Het aanvankelijk overwegend nationale karakter van het evenement heeft inmiddels plaatsgemaakt voor de bij de hogere ambities passende internationale uitstraling. De NBG hield ondanks het jaarlijkse Bachfest Leipzig vast aan haar oorspronkelijke concept en organiseert nog steeds een eigen jaarlijkse festivaltraditie in verschillende Duitse steden. Alleen in de jubileumjaren (die eindigen op 0 of 5) sluit het NBG zich aan bij het jaarlijkse evenement in Leipzig en dat betekent per saldo dat de liefhebbers in de overige jaren zelfs twéé Bachfestivals per jaar kunnen bezoeken!

Festivalkoorts

In Europa worden we vooral in de zomermaanden overspoeld met muziekfestivals en dit maakt het er voor de "muziektoerist" niet eenvoudiger op om de juiste keuze(s) te maken. Zeker in de afgelopen twee decennia is het een ware industrie geworden waarin weliswaar veel geld omgaat maar het commerciële succes niet per se in hoge artistieke kwaliteit is gelegen. Financiers en cultuurmanagers lijken er eerder vanuit te gaan dat de toeristische muziekminnaar zich in een nieuwe omgeving door de bank genomen over het gebodene minder kritisch toont en ver van eigen huis en haard eerder genoegen neemt met de doorgaans gepresenteerde middelmaat. Het mag dan geen Zwitserlevengevoel zijn, het vakantiegevoel is er wel degelijk en dat doet in het ontspannen zomerse muzieklandschap de kassa's behoorlijk rinkelen. Het heeft natuurlijk wel wat, de musici in hemdsmouwen op een zonovergoten podium in de gezonde buitenlucht, het publiek genietend in de luwte van een boomgaard of omringd door wijnranken, een hapje en een drankje binnen handbereik. Of een operavoorstelling in een inspirerende omgeving zoals een gerestaureerd amfitheater waarin de schaduwen der oudheid nog ver reiken en lang vervlogen tijden lijken te herleven. Kastelen, burchten, kerken, kathedralen, tuinen, ligweiden, zelfs ruïnes bieden het natuurlijke decor voor alles dat zingt en klinkt en waarin de langzaam wegzinkende avondzon ten slotte plaatsmaakt voor decoratieve fakkels en kaarsen. Met name het schilderachtige landschap en de al even pittoreske dorpjes en stadjes in Midden- en Zuid-Frankrijk lijken daarop het onverwoestbare patent te hebben. Denkt u maar aan bijvoorbeeld Orange en Aix-en-Provence, slechts twee pleisterplaatsen in het door Vincent van Gogh zo vaak geschilderde landschap, en al een ware hoorn des overvloeds! En dan zijn er de ambitieuze festivals in Salzburg, Schleswig-Holstein, Bayreuth, Vorarlberg, Lockenhaus, Luzern, Vlaanderen. De lijst is bijkans eindeloos.

Bach, Bach en nog eens Bach!

In het Duitse taalgebied zijn er naast het Bachfestival in Leipzig nog twee belangrijke ontmoetingsplaatsen voor Bachliefhebbers, in het Zwitserse Schaffhausen en natuurlijk de Bachwoche in Ansbach, in de Duitse deelstaat Beieren, niet ver van Neurenberg. In Ansbach komt u en passant ook het nodige te weten over die wonderlijke geschiedenis van de Duitse vondeling Kaspar Hauser die daar op 17 december 1833 overleed. Het is dan nog maar het topje van de ijsberg want alleen Duitsland telt al meer dan tien vrijwel uitsluitend aan Bach gewijde festivals en evenementen.

De stad Leipzig speelt daarbij inmiddels de belangrijkste rol omdat Bach een groot deel van zijn werkzame leven daar doorbracht. In 1722 solliciteerde de componist vanuit Köthen naar de functie van cantor aan de Thomaskerk en Director musices, als opvolger van Johann Kuhnau die op 5 juni 1722 was overleden. Niet zonder tegenstand werd Bach bij gebrek aan betere kandidaten uiteindelijk in 1723 na een heus examen door de stadsraad benoemd. Tot zijn dood in 1750 bleef Bach aan Leipzig verbonden en daar ontstonden naast zijn instrumentale muziek ook de voornaamste religieuze werken zoals de kerkcantates, motetten, passiemuziek en missen. Als Thomascantor en Director musices was Bach verantwoordelijk voor de muziek tijdens de liturgie in de beide hoofdkerken, St.  Thomas en St. Nikolai.

Al aan het begin van zijn werkkring in Leipzig zag Bach het als zijn opgave om zoveel mogelijk eigen en dan vooral ook nieuwe composities uit te voeren. Slechts zelden greep hij terug op eerdere cantates of op de parodie, dat wil zeggen het hergebruik van een vroegere compositie maar nu op basis van een andere tekst. Dit betekende dat Bach vrijwel iedere week een nieuw werk afleverde, het stemmenmateriaal daarvan moest worden vervaardigd en dat het ook nog eens moest worden ingestudeerd. Het begrip 'veelschrijver' heeft een negatieve bijklank en doet Bach in genen dele recht, maar dat een hoge productie onontkoombaar was blijkt wel uit het aantal cantates dat de eerste jaargang (1723-24) in Leipzig vormt: ongeveer zestig! Op 11 juni 1724, de eerste zondag na Trinitatis en daarmee tevens het begin van de tweede jaargang, begon Bach aan een nieuwe cantatecyclus en binnen het jaar had hij daarvan niet minder dan tweeënvijftig cantates voltooid én uitgevoerd. Maar daarnaast diende Bach zich ook om de muzikale opleiding van de leerlingen aan de Thomasschool te bekommeren, gaf hij leiding aan de stadsmuzikanten en leverde en dirigeerde hij muziek bij speciale gelegenheden zoals installatie-, trouw- en begrafenisplechtigheden.

Mendelssohns werkkamer in het Mendelssohn-Haus Liszt-Haus in Weimar (interieur)  

Geen wonder dus dat in Leipzig het Bachonderzoek en het Bachfestival een centrale plaats innemen en de stad onverbrekelijk met Bach verbonden is en blijft, zoals dat ook geldt voor Salzburg met Mozart en Bayreuth met Wagner. Al heb ik in Leipzig nog geen Bachkugeln kunnen ontdekken! Daarnaast is Leipzig in cultuurhistorisch opzicht een waar paradijs voor de liefhebber. Een stadswandeling voert hem langs de belangrijkste plaatsen waar onder anderen Schumann en Mendelssohn geschiedenis hebben geschreven en kunnen fascinerende uitstapjes worden gemaakt naar bijvoorbeeld het nabijgelegen Dresden (met zijn fraaie Altstadt, de Semperoper en de Sächsische Staatskapelle Dresden), Wittenberg (Luther en Melanchton) en Weimar (Goethe, Schiller, Bach en Liszt). Ook voor de orgelliefhebber is er in Saksen veel te zien en te horen.

Historische grond

Meer dan tweehonderdvijftig jaar scheiden ons van het Leipzig van Johann Sebastian Bach maar de ware Bachliefhebber blijft niet onberoerd als hij zijn zitplaats in Bachs belangrijkste 'werkplaats' in Leipzig, de Thomaskerk (Bach had ook muzikale verplichtingen in de tweede hoofdkerk, St. Nikolai), heeft ingenomen en op de vroege zondagochtend een Gottesdienst meebeleeft zoals die ook in Bachs tijd gehouden zou kunnen zijn.

Of dat hij zich daar kan koesteren in de weldadige klanken van de Hohe Messe of de Matthäus-Passion, van cantates en motetten in de fraaist denkbare vertolkingen. Het is deze entourage die een bijzondere aantrekkingskracht uitoefent op zowel musici als toehoorders en niemand onberoerd kan laten, zonder dat ik daarbij de illusie wil wekken dat het vandaag de dag in die kerk bij een historiserende uitvoering precies zo klinkt als toen. Alleen al de houten wandbekleding uit die dagen moet een ander akoestisch beeld hebben opgeleverd, maar veel doet het er niet toe want het is nog steeds diezelfde Thomaskerk - waarvan de ontstaansgeschiedenis teruggaat tot in de dertiende eeuw! - waarin Bach musiceerde en waarvoor hij componeerde. Zoals ook de Nikolaikerk zijn grote historische waarde als de tweede hoofdkerk van Leipzig heeft behouden en waar ook veel van Bachs muziek voor het eerst geklonken heeft. Die enorme bouwput, die het gehavende Leipzig op sommige plaatsen nog steeds is, lijkt aan het merendeel van de vele andere cultuurhistorisch belangwekkende gebouwen voorbij te zijn gegaan, maar de schijn bedriegt want er is zowel voor als na de Wende veel gerestaureerd of zelfs opnieuw opgebouwd.

De wederopbouw is meestal historisch verantwoord en smaakvol uitgevoerd, ook vóór de Wende. Zo zal de argeloze bezoeker zich waarschijnlijk niet realiseren dat het aan de Thomaskerk grenzende gebouw waar eens de Thomasschool was gehuisvest en waarin Bach zijn intrek had genomen, al in 1902 werd afgebroken en twee jaar later werd vervangen door het presesgebouw. Na de Duitse hereniging volgde in 1991 de omvangrijke en inmiddels dringend noodzakelijke restauratie van de Thomaskerk waarbij ook de beschadigde delen werden vervangen. Daaraan was tussen 1961 en 1964 de renovatie van het interieur al voorafgegaan.

De beide orgels in de Thomaskerk hebben niets van doen met de instrumenten waarop Bach (maar ook Mozart op 12 mei 1789!) ooit heeft gespeeld. Tussen 1884 en 1889 werd door Wilhelm Sauer tijdens de nieuw-gotische herinrichting van de kerk op de westelijk gelegen koorgalerij een nieuw romantisch orgel geïnstalleerd dat oorspronkelijk drieënzestig stemregisters kende, maar dat in 1908 met nog eens vijfentwintig werd uitgebreid.

In 1966 begon Alexander Schuke met de bouw van een tweede orgel, maar het werd al in 1999 verplaatst naar de St. Mariendom in Fürstenwalde. In datzelfde jaar volgde ten slotte de bouw van een nieuw orgel op de noordgalerij van de Thomaskerk in de traditie van de midden-Duitse orgelbouw uit de achttiende eeuw. Bij het ontwerp van Gerard Woehl werd deels ook uitgegaan van de bewaard gebleven bouwtekeningen van het orgel in de verwoeste Universiteitskerk waarop Bach heeft gemusiceerd. Het instrument werd in 2000 tijdens de festiviteiten rond de herdenking van Bachs tweehonderdvijftigste sterfdag in de inmiddels geheel gerestaureerde Thomaskerk luisterrijk ingewijd.

In 1950, Bachs tweehonderdste sterfjaar, werd zijn stoffelijk overschot onder een bronzen plaat in de Thomaskerk begraven. Oorspronkelijk bevond het zich op het Johanniskerkhof, aan de zuidzijde van de Johanniskerk, die in de Tweede Wereldoorlog door een bommenregen werd verwoest.

De door Franz Döteber vervaardigde alabasten doopvont dateert van rond 1615. Het fraaie door een onbekende meester ontworpen vleugelaltaar stamt uit de vijftiende eeuw, maar stond tot 1968 in de opgeblazen Pauliner of Universiteitskerk. Een deel van de geschilderde portretten van de vele stadsbestuurders gaat terug tot 1614. In de sacristie aan de zuidzijde bevindt zich nog een interessante verzaneling goed geconserveerde muziekinstrumenten uit de eerste helft van de achttiende eeuw. Het betreft twee violen, een altviool, een cello, een contrabas (violone) en twee pauken.

Ook de Thomaskerk heeft in de loop der tijd veel moeten doorstaan. Zo werd de kerk in 1806 door troepen van Napoleon gebruikt als munitieopslagplaats, fungeerde het in 1813/14 als opvangcentrum voor de gewonden van de zogenaamde volksslacht en raakte de toren op 4 december 1943 door brandbommen ernstig beschadigd.

Naar Deel II - III - IV - V - VI - VII - Engelse versie


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links