|
Interview Ode aan de Oude Muziek: Ton Koopman © (tekst en foto's) Aart van der Wal, januari 2008
|
|||||||||||||||||||||
| Na het enorme Bach-cantateproject en het bepaald niet aarzelende begin
van het Buxtehude-project was er nóg een aanleiding om Toespraak in LeipzigOp 5 juni 2006 kregen we eigenlijk al een voorproefje van de ‘Bordeaux-optie’,
toen Zijn misprijzen werd nog geaccentueerd door de constatering dat de
bescherming van de historische muziekcultuur in West-Europa ook alles
te maken had met het cultureel prestige, terwijl de ontwikkelingen van
de laatste tijd nu juist de wankele contouren van een steeds verder
afglijdend subsidiebeleid zichtbaar maakten. Niet zoals in België de
status van ‘cultureel ambassadeur’ en in het verlengde daarvan de beschikbaarstelling
van ruime financiële middelen; niet zoals bij de Goethe-instituten in
Duitsland en daarbuiten de bereidheid om de veelal forse reis- en verblijfskosten
te dragen die nu eenmaal onverbrekelijk samenhangen met buitenlandse
tournees; en Koopman ging nog een stapje verder door een klemmend beroep te doen
op het Europees Parlement en de Europese Commissie: “help ons, steun
de Oude Muziek.” Hij wees er onder meer op dat hij toch vooral musicus
wilde zijn en geen ondernemer, laat staan een privé-sponsor die het
gehele apparaat met zelf gefourneerde middelen aan de gang moet houden.
Zelfs Warner, de moedermaatschappij van Erato, die in 2001 Erato en
Telefunken ophieven, had er geen trek meer in om het Bach-cantateproject
nog verder te financieren, wat leidde tot de oprichting van Koopmans
eigen platenlabel, Antoine Marchand ( In het door de Raad voor Cultuur (hij adviseert de regering over de
subsidieaanvragen) uitgebrachte rapport over het ABO&C valt onder
andere te lezen: “De Raad vindt het ABO&C ook internationaal van
grote kwaliteit. Nog steeds weet de artistiek leider (lees: De beoordeling van het reilen en zeilen van het Orkest van de Achttiende
Eeuw (artistiek leider: Tot slot is er dan De Nederlandse Bachvereniging (NBV - artistiek leider: Jos van Veldhoven). De Raad toont in zijn toelichting ‘respect voor de prestaties van de NBV van de afgelopen jaren en vindt de realisatie van het educatief project rond de Matthäus-Passion lovenswaardig (het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het lijkt te maken te hebben met de focus van de NBV op actuele onderzoeksresultaten binnen de muziekwetenschap, ondersteund door internationaal gerenommeerde musicologen, met – aldus de inleiding van het rapport - als doel zich te richten op de recente inzichten in de grote variëteit aan repertoire en bezettingen van de tweede helft van de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw). De Raad schrijft in zijn beoordeling onder andere dat de NBV een plaats verdient in het internationale muzikale veld en dat de rol van het koor als kweekvijver van jong, professioneel toptalent van groot belang is, en dat de NBV deze rol moet blijven vervullen. Het financieel kader: bestaande subsidie € 329.440,-; aangevraagd € 494.240,-; geadviseerd € 392.000,-. Men kan en mag er natuurlijk altijd over twisten of de afgeleverde beoordelingen wel stevig in de grond staan. Bij een aantal criteria kan zonder veel bedenken een groot vraagteken worden geplaatst, maar uiteindelijk gaat het er toch om dat wat aan de schrijftafel is bedacht in de praktijk zijn uitvoering krijgt; en voor het ABO&C moet dat toch een koude douche zijn geweest. Waarbij eenieder zich de legitieme vraag mag stellen in hoeverre de deelname van vele ‘buitenlanders’ aan het ABO&C een rol van betekenis heeft gespeeld bij de beoordeling. Uit het advies blijkt het niet, maar mogelijk heeft het ‘weinig verrassende’ repertoire hier als geschikte schaamlap gediend. Want tja, wat is verrassend in het barokrepertoire? We weten in ieder geval wèl wat het niet is (we hoeven immers slechts de programmaboekjes erbij te nemen). Jos van Veldhoven merkte in NRC Handelsblad van 14 juli jl. op dat het (met de subsidies, AvdW) naar zijn mening in ons land best wel meevalt, zeker in vergelijking met de situatie in de VS (waarom eigenlijk die vergelijking?) Met behulp van sponsors en maximaal zo’n 60 concerten per jaar – met inbegrip van de Matthäus-Passion als ‘evergreen’ – kan de NBV het hoofd niet alleen boven water houden, maar ook aandacht besteden aan minder populair repertoire, zij het met het opheffen van hun koor. Sieuwert Verster, de zakelijk leider van het Orkest van de Achttiende Eeuw, zocht het in het argument dat het orkest er slechts een ‘klein bureau’ op na hield en een projectmatige aanpak voorstaat (wat dit ook mag betekenen). Bovendien was sprake van een heuse maatschap: de uiteindelijke opbrengst werd keurig verdeeld. Voor hem was subsidie ook niet iets vanzelfsprekends: “ik vind het al een wonder dat je überhaupt subsidie krijgt.” Repetitie in Den HaagIn de Lutherse Kerk aan de al even Lutherse Burgwal repeteerden op
donderdag 8 november het ABO&C met solisten. Het schema (10.00-12.00
en van 13.00-16.00 uur) bevatte uitsluitend werken van Dieterich Buxtehude.
In de ochtend Alles, was ihr tut mit Worten oder mit Werken BuxWV
4 en Magnificat anima mea, Domine BuxWV 15; in de middag het
zesstemmige motet Benedicam Dominum in omni tempore BuxWV 113,
gevolgd door Ich bin die Auferstehung und das Leben BuxWV 44,
Frohlocket mit Händen BuxWV 29 en Ihr lieben Christen, freut
euch nun BuxWV 51. De solisten: Marieke Steenhoek en Miriam Meyer
(sopraan), Bogna Bartosz (alt), Het ging er ontspannen, maar geconcentreerd en serieus aan toe, daar
in die niet al te ruime kerk. Het bekende beeld van geordende chaos,
met op de vele stoelen en tafels jassen, vesten, reisschema’s, concertprogramma’s,
partituren, agenda’s, leesbrillen, muziekinstrumenten en beschermhoezen.
Her en der ook geheel of deels uitgepakte instrumentenkoffers, lampen
op statief, kabels, kabelhaspels en stekkerdozen. Achter in de kerkzaal
een houten tafel op schragen, met daarop koffie, thee, frisdranken en
zoetigheden (‘Mars
Ton Koopman is de rust zelve, een snelle beslisser ook, geen getalm, een dirigent die rap zijn opvattingen en bedoelingen duidelijk kan maken, eventueel met behulp van een riedeltje, een korte frase op het orgeltje. Met grote aandacht ook voor de vorming van de woorden, de onderlinge balans, de helderheid en doorzichtigheid van de klank, en vanzelfsprekend de nauwkeurige weergave van het notenbeeld. Het vermogen ook om uit een complex klankbeeld voortgebracht door de solisten, het koor en de vele instrumenten (waaronder violen, altviolen, cello, gamba, violone, trompetten, pauken, fagot, hoorn, luit, zink) die éne oneffenheid eruit te destilleren. Wat daarbij ook opviel was dat op ruime afstand van het geïmproviseerde podium de twee Nederlandse sopranen de kerkruimte moeiteloos met hun stem wisten te vullen, terwijl het koor in de forte-passages toch zeer transparant bleef. Het liep niet dicht, de intermodulatievervorming bleef goed hoorbaar binnen de perken, wat in veel ruimten helaas niet het geval is. Op de plek van de dirigent bleek het echter aanmerkelijk lastiger om de vele polyfone draden te ontwarren.
Gesprek Tussen de bedrijven door sprak ik met Je kreeg direct of indirect kritiek op je uitlatingen, o.a. van Sieuwert Verster, Jos van Veldhoven en Gustav Leonhardt. “Ach, er zitten vaak politieke motieven achter hetgeen mensen zeggen. Als iemand zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt is het heel makkelijk om met de zeis tekeer te gaan. Jos van Veldhoven liep zelfs met het plan rond om zijn koor af te schaffen. Ik heb hem toen gezegd dat daarvoor geen goede argumenten waren. Leonhardt, van wie ik oud-leerling ben, liet blijken dat ik er zelf ook iets voor over moest hebben, terwijl ik toch wel vind dat dit toch zeker wel het geval is. De eerlijkheid gebiedt ook om te zeggen dat we van verschillende, bestaande potten domweg geen gebruik hebben gemaakt omdat we niet wisten dat ze bestonden, hoe dat precies in elkaar zat. Uiteindelijk moet je er wel wegwijs in worden, ook in Den Haag. Het wordt nogal eens zwartwit voorgesteld, wat juist tot vertroebeling leidt. Tja... Dat soort dingen gebeurt gewoon...” Is subsidiëring niet een kwestie van zowel overheid, bedrijfsleven en zelfs particulieren? “Weet je, wat ik toen heb gezegd over de subsidiëring is her en der niet zo goed ‘geland’. Ik vind dat jammer, onnodig ook. Niemand hoeft mij echt uit te leggen dat overheidssubsidiëring slechts een onderdeel is van het totale financiële plaatje. In simpele taal: ja, we moeten grotendeels toch zelf de broek ophouden. Dat hangt ook samen met wat ik dan maar een langetermijnplanning noem, wat ook alles met geld te maken heeft. Wat de toekomst gaat brengen zullen we wel zien. Ik houd het erop dat het glas halfvol en niet halfleeg is.” “We waren erg blij met de financiële steun voor het Buxtehude cd-project van Sandoz (Zwitsers geneesmiddelenconcern, AvdW). Het heeft anderhalf jaar geduurd voordat het zover was, maar het is vaak een kwestie van op het goede moment binnenkomen; en dat het je ook wordt gegund. Op dit gebied zitten we niet stil. Er zijn al geruime tijd gesprekken met een aantal Scandinavische industrieën, maar of het echt gaat lukken? De naaste toekomst zal het weer moeten uitwijzen. Het is allemaal niet zo eenvoudig. Zo wordt met de Duitse omroep onderhandeld over een beeld- en geluidsopname van een uitvoering van Bachs Hohe Messe in de zo fraai gereconstrueerde Frauenkirche in Dresden. Eerst bedelen bij de televisie, we zijn inmiddels een halfjaar daarmee bezig. De laatste bijeenkomst was niet negatief, ze zeiden althans niet nee. We moeten het van mensen hebben die met ons meedenken, mogelijkheden bekijken, oplossingen zoeken, maar het duurt meestal wel lang, erg lang!” “Het huidige Buxtehude-project zou zonder sponsoring ook niet van de grond zijn gekomen. Telkens lukt het weer, maar er is dan eerst wel een offensief voor nodig. Challenge Classics is een geweldige maatschappij, de communicatie is heel direct, de p.r. en de distributieketen is daar in zeer goede handen, maar ook dit label kan zo’n project financieel natuurlijk niet trekken. Sponsoring in Nederland ligt niet in de lijn. Je noemt ING, maar wij passen helemaal niet in hun beeld.” Hoe kijk je tegen de subsidie aan zoals die aan de NBV en het Orkest van de Achttiende Eeuw wordt gegeven? “Ze zijn eveneens wij mede de dragers van de Oude Muziek, die hun reputatie
hebben gevestigd. Ieder ensemble wil, nee moet zich verder ontwikkelen,
meer doen en dan ook nog op een kwalitatief hoog niveau. Hoelang het
Orkest van de Achttiende Eeuw daarvan nog een exponent zal zijn is De opname van alle Bach-cantates is achter de rug, de 67 cd’s zijn uitgebracht. Hoe kijk je erop terug? “De eerste uitgaven werden door de kritiek regelrecht de grond ingeboord. Daar heb ik toen niets van begrepen. Ik houd het er maar op dat men er blijkbaar aan moest wennen. Het ging echter al snel stukken beter, de lovende recensies namen sterk toe. Als ik de hele serie terugluister hoor ik vanaf het begin echt een vaste lijn, een consistente opvatting, zowel qua benadering en interpretatie van deze cantates, als wat de technische invulling ervan betreft. Ik ben er heel tevreden mee.” Waar ik echt niet mee uit de voeten kan is je keuze voor de alt
Natalia Stutzmann in o.a. de cantate "Geist und Seele wird verwirret"
BWV 35. Qua timbre past ze beter bij Mahler dan bij Bach. Haar zware,
donker gekleurde alt en de wijze waarop zij zich als het ware door de
beide aria’s sleept konden mij werkelijk niet bekoren. In de wetenschap
dat Bach de falsetstem van een jonge(ma)n (altus) voor ogen heeft gehad
komt de keuze voor de ‘zware’ Stutzmann mij helemaal onbegrijpelijk
voor ( “Dat ben ik wel met je eens, ja. Wij waren er ook niet zo gelukkig mee, al had ze opmerkelijk mooi voorgezongen. Lastig was dat zij zich niet kon schikken in mijn opvattingen over de vertolking van deze muziek, niet gemakkelijk op andere gedachten te brengen was. Het is trouwens niet zo eenvoudig en soms zelfs onmogelijk om aangaande de solistenkeuze geen compromissen te sluiten. De praktijk kan soms weerbarstig zijn. Wie zit vastgebakken aan welk label? Wie kan wel, wie kan niet? Hoe zit het met de planning, wat te doen bij onverwachte ziekte, persoonlijke omstandigheden enz.? Hoe het ook zij, haar bijdrage is beperkt gebleven, hoewel we veel meer met haar hebben opgenomen, maar dus niet gebruikt. Een voorbeeld van de soms lastige invulling van een solist was Andreas Scholl, die we graag voor de altpartijen hadden willen hebben. Maar Harmonia Mundi – waar hij onder contract staat – wilde er niet aan, maakte hem niet voor ons vrij. Toen was nog Erato/Warner in beeld, een Franse maatschappij die een concurrent was van het al even Franse Harmonia Mundi. Toen Andreas later overstapte naar Decca konden wij hem niet eens meer betalen. Hij heeft een stuk gedaan. We kennen elkaar goed, we doen concerten met elkaar, vooral in het buitenland, maar dat is iets anders dan een cd-opname. Zo’n zanger die 12 tot 15 duizend euro per avond krijgt, dat is het hele orkest, het hele koor. Nee, dat is gewoon niet fair.” Ben je in de loop van het project qua musiceren vrijer geworden? “Dat schreef je ergens, maar daarmee ben ik het niet echt eens. Ik zei het al eerder, ik hoor wat dit betreft niet zoveel verschil tussen de eerste en de laatste opnamen. Een punt is wel dat ik het vanaf het begin zo goed mogelijk wilde doen, en misschien was ik in het begin wat voorzichtiger, niet krampachtiger. Ik ben toch wel verbaasd over de consistente lijn die erin zit vanaf het begin tot het einde.” Hoe ‘authentiek’ is jouw Bach? De vraag stellen is hem tevens beantwoorden? “Streven naar historisering op basis van musicologisch verantwoorde uitgangspunten betekent niet per definitie dat we bijvoorbeeld de vocale bezetting die Bach zelf ter beschikking had zomaar kunnen implementeren. Bach zette – ik noem het ook maar zo – ‘bruikbare knapen’ in. Dat waren jongens die de cantates, maar ook andere vocale werken, goed konden zingen, althans op een goed niveau. Bach schreef gebruiksmuziek (dat was een van zijn vele hem opgedragen taken) en die moest ook aan dát criterium voldoen. Het zou geen enkele zin hebben gehad om muziek te componeren die niet of nauwelijks goed uitvoerbaar was. Maar helaas, die ‘bruikbare knapen’ zijn er niet meer.” Jan Leusink zet wel jongenssopranen in. “Wel in het koor, niet in de soli, zoals bij Bach. Maar afgezien daarvan
is Leusinks aanpak minder subtiel Is het niet zo dat de historisch
verantwoorde retoriek, zeg maar de wijze van muzikale uitdrukking, een
veel belangrijker element vertegenwoordigt “Zonder meer. Het gaat niet om pogingen om Bachs instrumentale en vocale bezettingen te imiteren en dan vervolgens te denken dat we daarmee dan het lek boven hebben. Het notenbeeld, dáár gaat het om, de wijze waarop we dáármee omgaan, dat in de praktijk gaan invullen. Dat is niet een kwestie van puur en alleen gevoel, maar van muziekwetenschappelijke onderbouwing. Dat behoort het vertrekpunt te zijn.” Hoe beschouw je de Joshua Rifkin-benadering? Zijn streven om de vocale bezetting als het ware uit te kleden, met een minimaal aantal zangers te volstaan? Dat is een ontwikkeling die ook Jos van Veldhoven en Andrew Parrott niet onberoerd hebben gelaten. “Ik vind dat daarvoor geen muzikale grondslag is. Aangetoond kan worden dat het anders in elkaar steekt. Bovendien zijn er onlangs in de bibliotheek van de Thomaskerk documenten aangetroffen die dit alleen maar bevestigen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het »Florilegium Portense« (een motettenverzameling uit het begin van de zeventiende eeuw die nog tot in het baroktijdperk in protestantse scholen en kerken in Midden- en Noord-Duitsland werd gebruikt. Uitgangspunt vormde de zangpraktijk in de Landesschule van Pforta bij Naumburg. De cantor Erhard Bodenschatz [1576-1636] stelde de bloemlezing samen aan de hand van Duitse, Frans-Vlaamse en Italiaanse motetten. In de »Florilegium Portense« voert het Latijnse achtstemmige, dubbelkorige motet de boventoon, AvdW). In dat boek met kleine motetjes hebben zangknapen een aantal keren de koorbezetting genoteerd. De namen komen te voorschijn en dan zie je dat zo’n koor zestien tot achttien jongens telt.” Violen I en II (ieder 2-3) Hij kon daarbij altijd rekenen
op de vaste organist, de 4 Stadtpfeiffer, 3 Kunstgeiger en enige Gesellen.
De continuogroep vormde daarbij de spil, gaf richting aan het geheel
en bood Bach klaagt in “Hij meldt daarin naar mijn gevoel: ‘stomme idioten, snap je het dan niet?’ Hij gaf aan wat hij minimaal nodig had. Hij heeft die stukken echter wèl uitgevoerd, dus hij had die bezetting uiteindelijk wel. Ik heb Rifkin een keer geconfronteerd met de cantates die we hadden opgenomen, waarvan ook de data bekend zijn waarop Bach ze zelf heeft uitgevoerd, een aantal daarvan zelfs tweemaal. Volgens Rifkin echter had Bach er vijfentwintig niet kunnen uitvoeren omdat de bezetting daarvoor niet toereikend was. Hij zat er aantoonbaar naast, wat alleen al in musicologisch opzicht zeer merkwaardig mag heten. Iemand met musicologische pretenties had beter kunnen en moeten weten.” Het lijkt een tendens te zijn: meer met minder. “Ik vind dat inderdaad onbegrijpelijk. Het ‘uitkleden’ van de bezetting leidt tot een soort muzikale vermagering die afbreuk doet aan Bachs – ik zeg het nog maar een keer: aantoonbare! - intenties. Tijdens de opname kan er dan wel technisch aan worden gesleuteld, bijvoorbeeld de stemmen versterken met gerichte microfoons en extra versterking van bepaalde instrumenten. Je kunt met elektronische hulpmiddelen een trompet net zo zacht maken als een fluit luider (waar vaak aan wordt voorbijgegaan is dat elektronische versterking afbreuk doet aan het inspanningskarakter van de muziek, AvdW). De werkelijkheid is echter de kerk, de ruimte waarin wordt gemusiceerd. Mijn ervaring is dat bijvoorbeeld de Thomaskerk in Leipzig een akoestisch slechte kerk is. Zo is het basregister qua klank akoestisch ingewikkeld en je hoort elkaar slecht.” Er is geen historisch verantwoorde motivering voor die afslanking, of beter nog: vermagering. “Nee. Een ander voorbeeld. Toen Bach solliciteerde voor de baan van Thomascantor had hij als een soort proeve van bekwaamheid een aantal stukken gecomponeerd, waaronder de cantate nr. 23 (Du wahrer Gott und Davids Sohn BWV 23, AvdW). Er is daarvan één partij in een bibliotheek in Krakow gevonden, waarin duidelijk staat aangegeven: fagotti, bassoni, violoncello e clavecimbalo. Dus tenminste twee fagotten en twee zeg maar contrabassen. Rifkin daarentegen beweerde bij hoog en bij laag dat slechts sprake was van één man één partij, totdat dan die partij in Krakow opduikt! In mijn discussies met hem heeft hij daarop nooit gereageerd; wel op andere dingen, typisch de houding van ‘the devil’s advocate’. Als hij gelijk zou hebben gehad, zou ik het veranderd hebben, want de eerlijkheid gebiedt dat gewoon. Dan is er Andrew Parrott die in zijn boek »The Essential Bach Choir« wederom aantoonbaar teksten uit zijn verband rukt, ze simpelweg naar zijn hand zet of halve teksten afdrukt. Dat werd door vrijwel iedereen gerecenseerd als ‘fantastisch’, terwijl niemand erbij vermeldt dat het zo mooi is omdat het zo goedkoop is! Er is een puur financiële reden om het zo te doen, de dure koor- en orkestpartijen op die manier gewoon af te slanken. Op het moment dat ik vier solisten heb en ik laat ze in het koor zingen, dan kost het me niets méér. Al die mensen reizen, er moet verblijf voor ze worden geregeld, ze moeten worden betaald, dat is kostbaar, dat kost veel geld. Ik heb begrip voor economische redenen om af te slanken, maar kom er dan ook eerlijk voor uit, in plaats van te beweren dat het ‘authentiek’ is en dat het daarom zo moet. Want dan begeef je je op drijfzand. Ik ken nog meer cantates die qua bezetting in feite afrekenen met de meningen van Rifkin en Parrott. Ik heb er in het »Bach-Jahrbuch« ook een artikel aan gewijd. Dat is eigenlijk het enige dat ik hiermee bedoel te zeggen.” Geeft Bachs leiding over het Collegium Musicum nog bepaalde aanwijzingen? “Dat is zeer interessant
.Toen Bach in 1729 de leiding kreeg over het Collegium Musicum, kreeg
hij de beschikking over 46 extra mensen, merendeels muziekstudenten.
Inmiddels waren de vele fondsjes om de studenten een beurs te geven
afgeschaft , want er moest bespaard worden. Ik denk dat Bach toen veel
moeite deed om de studenten tóch voor zich te winnen, door aardig te
zijn en voor hun belangen op te komen, waarbij het best gênant moet
zijn geweest dat ze voor en met hem speelden zonder er een cent voor
betaald te krijgen. Maar ze deden het wel, want ze konden niet anders.
Als je Bach was ook praktisch ingesteld. “Nou en of. Toen hij in Leipzig het koor van Kuhnau overnam, was de kwaliteit ervan zo slecht dat Bach koraalcantates schrijft: de sopranen zingen helemaal niet! Maar als je uiteindelijk de keus hebt uit 56 knapen is het niet zo moeilijk meer om er 4 uit te halen die een sopraanpartij goed kunnen zingen, dat moet kunnen. En een alt (countertenor) van de Thomasschool had hij al. Zingen als countertenor was in die tijd normaal, dus misschien waren er nog wel meer, zoals altzangers die van de universiteit afkwamen. De problemen bij de koorbezetting was dus feitelijk relatief klein. Op die manier kom je tot totaal andere inzichten. Bach heeft daar in Leipzig echt wat laten horen, zoals ook blijkt uit de rijke bezetting van menige cantate.” Men heeft je weleens ‘aangevallen’ op het punt van de ‘te kleine koorbezetting’. “Ja, mijn koor was veel te klein, zo werd eerst gezegd. Toen kwamen er weer critici – natuurlijk met de op drijfzand gestoelde beweringen van Rifkin in gedachten - die het koor weer veel te groot vinden. Daar zit je dan tussenin. Je moet dan wel een standpunt gaan kiezen, nadat eerst de beschikbare gegevens zijn bekeken, musicologische inzichten zijn getoetst. Vervolgens schreef ik er een aantal artikelen over, niet ter verdediging van mijn aanpak, maar ter uitleg. Ik heb met Rifkin een paar keer een podiumdiscussie gehad maar je ziet zulke mensen niet van standpunt veranderen, want hij heeft zijn carrière nu eenmaal op zijn inzichten en veronderstellingen gebouwd. Je ziet tijdens een concert zijn mensen letterlijk brúllen, om bijna aan het einde van dat concert dan volkomen kapot te zijn. En dan moeten ze nog een Benedictus of Agnus Dei zingen! Er zijn opnamen waarop je dat ook kunt horen, zangers met enorm harde stemmen. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Rifkin er zelf in gelooft, maar het is wel zijn handelsmerk geworden. Er wordt geld bespaard, het is goedkoop, en wie je erover spreekt, reageert dan met ‘het is lekker makkelijk.’ Om de waarheid schijnt het in ieder geval niet meer te gaan. Wij speelden in Leipzig in de Nieuwe Kerk – jij was erbij, geloof ik – en Rifkin dirigeerde het Magnificat in de Thomaskerk. Wat ik daar hoorde was alleen de tenor (die bij ons trouwens ook weleens meedoet). Alle anderen waren – tenzij ze heel hoog zongen – niet te horen.” Als je de koorbezetting vermindert, moet je de orkestbezetting ook aanpassen. “Dat doe ik ook wel. Minder eerste violen bijvoorbeeld, maar de trompetten zijn zo hard als ze zijn. Dat is ook iets om eens goed over na te denken! Want als de koorbezetting wordt uitgekleed in een cantate met alle toeters en bellen, zoals trompetten en pauken, ontstaan er toch gróte balansproblemen, of worden belangwekkende passages gewoon overstemd, zelfs onhoorbaar. Dit lijkt mij dan toch geen schoolvoorbeeld van authentiek musiceren te zijn.” Bach had eigenlijk ‘gewone’ zangers, d.w.z. voor hun taak berekend, maar niet uitzonderlijk? “Ja., bij Bach waren
het normale, helemaal niet professionele zangers, die echt niet de longen
bijna uit het lijf moesten zingen. Dus eigenlijk geen concessies van jouw kant, noch wat het koor, noch wat het orkest betreft? “We gingen eens op tournee met koor en een orkestje. We hadden drie blokfluiten bij ons voor een episode van niet meer dan 20 seconden. In diezelfde cantate speelden vervolgens drie hobo’s en drie trompetten. Het waren dezelfde mensen, het was kostenbesparend! Vandaag de dag loopt dat wel iets anders.” Het is mij opgevallen dat je door de tijden heen bij dezelfde werken verschillende tempi hanteert. Heeft dat iets te maken met gewijzigde opvattingen, of het bioritme, of de akoestische omstandigheden waaronder gemusiceerd wordt? “Om met dat laatste te beginnen: nee. Tempoaanpassingen bieden voor bijvoorbeeld een zwembadakoestiek geen enkel soelaas. Daarmee maak je niet iets beter dat fundamenteel gewoon slecht is. Dat is een verloren strijd. Als je muziek in het halve tempo gaat uitvoeren kun je geen muziek meer maken. Je kunt er natuurlijk verschillende tempi opnahouden. In het orkest zeggen ze weleens: ‘hij heeft een dubbele espresso gehad, of juist minder.’ Het zal best wel ergens met het biologische ritme te maken hebben, maar het is bekend dat toen Bach 56 was van hem werd gezegd dat hij even snel met zijn voeten kon spelen (op het orgel, AvdW) als een ander met zijn handen, en dat ook deed. Zo zijn er meerdere feiten en feitjes die natuurlijk niets zeggen over metronoomgetallen, maar wel iets over het tempo in die dagen. Ik zou in ieder geval een slechte balletdirigent zijn, want ik pak het tempo zoals ik het voel. Bij de Matthäus-Passion in Amersfoort hadden we voor de dvd-opname in de middag wat extra opnamen gemaakt. Voor het geval dat. Die bleken later echter niet bruikbaar omdat de tempi nét iets afweken van het concert op die bewuste twee avonden. Om dit probleem op te lossen konden we evenmin een langere ‘track’ gebruiken omdat er op die middag geen en die avonden wel publiek in de kerk zat. Het was trouwens curieus dat de tempi op die twee avonden nauwelijks van elkaar verschilden. Dat betekende dus wel dat we voor de eindmontage van die productie wèl van het op die avonden opgenomen materiaal gebruik konden maken.” Er vallen tempoverschillen aan te wijzen tussen ‘studio’- en live-opnamen. “Ik heb zelf gemerkt dat dit verschil er wel degelijk is. In de ‘studio’ (meestal een kerk, AvdW) kan in alle rust worden gewerkt, ook in de zekerheid dat minder goed zittende passages overgedaan kunnen worden. Dat geeft een relaxt gevoel. In het geval van de Matthäus-Passion in Amersfoort geeft die uitvoering een grote spanning, maar zij is iets sneller uitgevallen dan bij een studio-opname. In de studio neem je de delen ook los op. Dat is ook een belangrijk verschil tussen studio en live (‘aus einem Guss’). Dan is er nog een andere belangrijke factor. In de aria’s heb je te maken met zangers, met solisten. Met hen moet je rekening houden, want zij moeten het zingen.” Wat vind je doorgaans van live-opnamen? “Ik ben er geen voorstander van, al kon het wèl bij de Matthäus-Passion. Sterker nog, als er van camera’s sprake is moet het wel. Zeker, het voordeel van een live-opname is de drive die erin kan zitten, maar het nadeel ervan is dat je gewoon ziet dat mensen bètablokkers gebruiken, en dat haat ik, dat is een onmuzikaal element. Dat komt door de angst voor het falen, voor een opname die niet meer kan worden overgedaan. Je moet als het ware het recht hebben om gewéldig muziek te maken, maar ook om pech te hebben, met de mogelijkheid om te corrigeren.” Hoe loopt je Buxtehude-project en wat zijn je verdere plannen? “Internationaal
slaat het nog beter aan Literatuurverwijzing
Websites
index | |||||||||||||||||||||