www.opusklassiek.nl

Componisten/werken

Johannes Brahms: de pianotrio's

© Gerard Scheltens, januari 2008

 

 
  Brahms in het park van het Arenberg Paleis in Wenen, 30 september 1894 © Maria Fellinger
   

Johannes Brahms werd niet gekweld door zo'n pathologische dosis zelf­kritiek als Paul Dukas, die slechts een tien­tal van zijn werken aan de open­baarheid durfde prijs­geven, maar hij was een goede tweede op dit gebied. Ook hij hield zijn haard­vuur brandend met grote hoeveelheden volge­schreven mu­ziekpa­pier. Voor ons is dat moeilijk te aan­vaarden. Was er dan zo weinig koren onder al dat kaf?

En dat is nog niet alles. Omdat niemand zijn probeer­sels ooit onder ogen mocht krijgen, ver­scheurde Brahms ook de kladma­nuscrip­ten van de composi­ties die wèl genade von­den. Daardoor tasten we groten­deels in het duister over het crea­tieve proces dat zich afspeelde in zijn hoofd.

Worsteling met de materie

Toch geeft de ontstaansgeschiedenis van sommige werken een aardige indicatie van Brahms' worsteling met de materie. Exem­plarisch is zijn ontzag voor het begrip symfo­nie . De eerste pogingen daartoe ondergingen diver­se trans­forma­ties voordat ze hun definitieve vorm vonden als Serenade voor orkest (opus 11) en Eerste Pianoconcert (opus 15). Het zijn tekenen van het buitensporige gebrek aan zelfver­trouwen van de compo­nist, die het pas in 1877 aan­durfde naar buiten te komen met een echte symfonie (opus 68), waaraan hij toen maar liefst vijf­tien jaar had ge­werkt.

Je zou denken dat Brahms zich wat vrijer zou bewegen in de intieme wereld van de kamermuziek, maar nee, ook daar moest heel wat muziek sneuvelen voor­dat hij een voldragen werk durfde pre­sente­r­en: het grote trio in B-groot op. 8 voor piano, viool en cello. Het ontstond in 1854, maar werd voorafgegaan door diverse andere. Zo speelde hij bij een huisconcert op 5 juli de pianopartij van een trio dat hij onder de naam 'Karl Würth' gecomponeerd had. Van een ander trio weten we dat hij het schreef als 'G.W. Marks'. Het is typerend voor zijn onzeker­heid dat hij het nodig vond pseudoniemen te gebruiken. Een 'Phan­tasie' voor pianotrio bracht hij op 4 oktober 1852 ten gehore bij één van zijn eerste bezoe­ken aan het huis van Robert en Clara Schumann.

Al die werken gingen spoorloos in rook op en dat geldt voor nog veel meer kamermu­ziek. Dank­zij de beroem­de violist Joseph Joachim bleef een 'Sonaten­satz' voor viool en piano bewaard als onder­deel van de F­.A.E. ( 'Frei aber einsam' ) sonate die Schu­mann, Brahms en Albert Diet­rich in 1853 gezamenlijk aan hem opdroe­gen. Dit weten we zeker, maar uit uitlatingen van Brahms zelf, bij­voorbeeld in brieven aan Schumann, valt af te leiden dat er waar­schijn­lijk nog vier viool­sona­tes (naast de bekende drie) en 'diverse' pianotrio's méér hebben be­staan, net als de twintig (!) s­trijk­kwar­tet­ten die Brahms zei te hebben geschre­ven voor­dat hij het twee­tal van opus 51 durfde publice­ren.

Wat wel bewaard bleef

Laten we niet te lang stilstaan bij de deprimerende gedachte aan al die gecre­meerde muzika­le schatten en blij zijn met wat er wel bewaard bleef. De 24 - misschien 25 - vol­waar­di­ge kamer­muziek­werken die de slachting hebben over­leefd, getui­gen van Brahms' na­tuurlij­ke dispositie voor dit genre. Zijn fasci­natie ervoor bracht hij al vroeg mee, want zijn vader Johann Jakob Brahms had zichzelf opgewerkt tot profes­sioneel hoor­nist en contra­bassist in een sextet.

Het was Schumann die opmerk­te dat Brahms de kamermuziek symfo­nisch behan­delde, en hoewel die uiteraard alleen de vroege werken gekend heeft - hij stierf in 1856 - geldt deze observa­tie ook voor het latere oeuvre. Al Brahms' kamermuziek­werken be­staan volgens Beetho­vens klas­sieke model uit vier duidelijk onder­scheiden delen, hecht van struc­tuur. Maar Brahms' strenge vormopvatting mag dan haaks staan op de hang naar vrijere vormen van de modale romanticus, zij staat een breed scala aan emoties niet in de weg.

Een omstreden trio

Het vroegste pianotrio van - misschien? - Brahms' hand, dat in A-groot, is omstre­den. Veel biografen en commentatoren noemen het niet of nauwelijks en de meeste ensembles lopen er in hun opnamen van de comple­te pianotrio's omheen, al heeft o.a. het Beaux Arts Trio het ooit op een Philips-lp gezet. Bij de omzet­ting naar cd is het gesneu­veld. Gelukkig hebben ook andere ensembles (zoals het Copen­ha­gen Trio op Kontra­punkt) er een opname van gemaakt.

Offi­cieel uitgege­ven werd het tijdens Brahms' leven niet. Als hij het inderdaad heeft gecom­po­neerd, is het aan zijn verzen­gend haard­vuur ont­snapt. Het probleem is dat het manu­script van een onbekende hand is. Het bevond zich in de ­col­lec­tie van de muziek­verzamelaar Dr.Erich Preiger in Bonn en beland­de na diens dood in 1924 op het bureau van de Keulse muziek­weten­schapper Prof. ­Ernst Bü­cken. Die dateerde het werk op 1853 en was ervan overtuigd dat Brahms het moest hebben geschreven toen hij in de buurt van Bonn logeerde bij de familie Deich­mann, die vaak huisconcerten organiseerde. Het was daar waar hij de muziek van Schumann leerde kennen en waarderen. Bückens baseerde zijn oordeel op zuiver stilis­tische gronden, want bewijzen zijn er niet. Jammer dat een titelblad ont­bree­kt: zou dit werke­lijk een trio kunnen zijn dat dankzij een onbe­kende kopiist voor het nage­slacht gered is?

We zullen waarschijn­lijk nooit weten of we met 'vin­tage' Brahms te maken hebben, maar ik kan me voor­stellen dat iemand die dit trio voor het eerst hoort, nauwe­lijks overtuigd hoeft te worden. Als de eerste twee delen (Moderato en Vivace) niet van de jonge Brahms zijn, welke tijdge­noot kon dan zó perfect zijn stijl naboot­sen? En wie zou de moeite nemen een stijlko­pie te maken van het werk van een jonge componist die zich nog moest ontwikke­len? De laatste twee delen (Lento en Presto) dragen overigens een minder duidelijk Brahms-stempel, maar hij schreef wel meer vroege werken waarin de invloed van Schubert en Schumann dominant is.

Wie het ook gecomponeerd heeft, dit apocriefe trio mag beslist ge­hoord wor­den. Dankzij het Copen­hagen Trio kunt u zich over­tui­gen van de bijzon­dere kwaliteit van dit raadsel­ach­tige werk, ongeacht wie het ge­schreven heeft. Als het wel van Brahms is, dan fun­geert het als een waardige tegen­hanger van het vermoe­de­lijk iets jongere opus 8.

Opus 8

Toen Brahms aan dat werk begon, had hij de Schumanns al per­soon­lijk leren kennen. Voor hem was dat een kennismaking die de richting van zijn leven en werk bepaalde. En omgekeerd waren Robert en Clara verrukt van de jonge componist, die al snel hun huisvriend werd. Schu­mann be­groette hem in zijn Neue Zeitschrift für Musik als een nieu­we Beetho­ven. Alléén maar leuk was dat overigens niet voor Brahms. Niet alleen werd hij daardoor een pion in de richtin­genstrijd tussen de Wagneria­nen en de Schu­mann-bende, boven­dien waren Schumanns hoge verwach­tingen niet goed voor zijn zelfver­trouwen. Zijn zelf­kri­tiek werd er alleen maar groter door en dat liet hij ook aan Schu­mann weten.

Het trio op. 8 in Bes-groot componeerde Brahms in januari 1854, toen hij in Hannover op bezoek was bij Joseph Joachim. Het was in zijn oorspronke­lijke vorm een doorwrocht stuk muziek. Meteen al het mar­kante openings­thema van de piano haakt zich in het geheu­gen vast als een typisch brahmsiaanse, lange melodie, lyrisch en krachtig tegelijk. Verderop wordt het verloop wat langdra­dig en hier en daar onbeholpen, zoals bij de overgang van de expositie naar de doorwer­king. Dit eerste deel bevat een complete fuga: typisch een product van een jonge componist die wil bewijzen hoe hij zijn métier beheerst. Het markante scher­zo is een fraai staaltje van integratie van scherzo en trio, want de thema's gaan soepel in elkaar over. In het derde deel duikt een onbedoeld citaat op uit Schu­berts lied Am Meer (één van de Heine-liederen uit Schwa­nengesang. Een hartstochtelijke finale sluit dit expansieve pianotrio af dat drie kwar­tier duurt, erg lang voor een kamermuziekwerk.

Voor een 20-jarige componist een knappe prestatie, maar zelf is Brahms er nooit tevreden over geweest. Clara Schumanns oordeel zal daartoe hebben bijgedragen, want ook zij had de nodige kri­tiek. Toch was het door haar bemiddeling dat het trio in 1854 door Breit­kopf und Härtel werd uitgegeven. Maar al datzelfde jaar ver­telde Brahms aan Joachim dat hij wilde dat dit niet gebeurd was. Had hij het maar niet uit handen gegeven! Hij zou het zeker hebben omge­werkt (of vernietigd?), maar daarvoor was het nu te laat.

Nieuwe versie

De herkansing kwam in 1888. Toen kocht uitgever Fritz Simrock de rechten van Brah­ms' eerste tien opusnummers. Hij bereidde een heruitgave voor en bood Brahms de gele­genheid deze vroege werken te reviseren. Tot zijn schrik - want uitgevers maken niet graag nieuwe drukplaten - nam die het aanbod met beide handen aan. Hij toog aan het werk om het 25 jaar oude opus 8, waar­over hij nooit tevreden was ge­weest, aan te passen aan zijn veranderde inzichten. Het is deze nieuwe versie van 1889, gepubliceerd in 1891, die tegenwoordig meestal wordt gespeeld, maar gelukkig is ook de eerste versie niet uit het repertoi­re verdwe­nen. In strijd met zijn gewoonte pleitte Brahms er zelfs voor dat beide versies eventu­eel zou worden herdrukt.

Aan de nieuwe versie valt goed te merken dat Brahms het stadi­um van jonge hond ver achter zich heeft gelaten. De onhandig­heden zijn verdwenen en alleen het scherzo bleef gro­ten­deels onge­moeid. Bij het eerste deel en de finale lijkt het erop alsof de voorgevels (de openings­thema's) zijn blijven staan, terwijl er een totaal nieuw bouwwerk achter werd ge­plaatst.­ Ook het Adagio onderging een flinke renovatie; zo verdween het Am Meer-citaat. In deze versie, die een derde korter is, wordt het trio meestal gespeeld en opgenomen, maar het Altenberg Trio (Channel) en het Trio Opus 8 (Arte Nova) bieden de gele­genheid tot een leerzame vergelijking die in­zicht geeft in Brahms' ontwikkeling in 35 jaar tijd.

Een verdwenen en een behouden trio

Als we het zeer bijzondere Trio voor piano, viool en hoorn uit 1865 buiten beschouwing laten, duurde het tot 1880 voordat Brahms terug­keerde naar het pianotrio. Terwijl hij de zomer doorbracht in Bad Ischl begon hij zelfs aan twee tege­lijk: één in Es-groot en een ander in C-groot. Schumann was toen al 24 jaar dood, maar met de bewonderde Clara had de altijd ongetrouwd gebleven Brahms nog altijd nauw con­tact. Hun relatie is altijd object geweest van speculatie, maar het staat wel vast dat van háár kant slechts gevoelens van oprech­te vriendschap een rol speel­den.

Toen Clara in september haar verjaardag vierde in Berchtes­gaden, zocht Brahms haar op. "Jo­han­nes was in zo'n goede en vriende­lijke bui, dat ik geno­ten heb van zijn bezoek" noteerde ze in haar dag­boek, "Hij speelde me ook twee nieuwe eerste delen van pianotrio's voor, waarvan dat in Es-groot me het meest beviel" . Ook Theodor Billroth, een vriend aan wie hij de muziek had gestuurd om die te laten kopiëren, gaf de voorkeur aan het kwartet in Es, maar Brahms beruchte faalangst had weer eens toegeslagen. Beide trio's liet hij liggen tot twee jaar later. Pas in het voorjaar van 1882 werden ze voltooid, en daarna verdween het werk in Es alsnog in de kachel. Doodzonde dat Brahms zo'n werk uit zijn rijpere periode, waarover ande­ren enthousiast waren, aan het nageslacht onthield. We zullen dus nooit horen wat Clara zo goed beviel...

Het werk in C mocht overle­ven en werd op 29 december 1882 voor het eerst in Frank­furt uitgevoerd met Brahms aan de piano. We kennen het als opus 87. "Je hebt van mij nog niet zo'n prach­tig trio gekregen en het is hoogst onwaarschijnlijk dat je in de komende tien jaar iets zult publiceren dat ermee gelijk is" , pochte hij - geheel tegen zijn natuur - tegen zijn uitge­ver Simrock. Maar Clara was minder enthousiast. Vooral het scherzo vond ze "meer bedacht dan gevoeld" . Een merk­waar­dig oordeel, want juist dit schimmi­ge, wegvluchtende scherzo, met dat trio waarin de zon voorzichtig door­breekt, vind ik het hoogtepunt van dit werk, dat vergeleken met de soms onstui­mige atmo­sfeer van opus 8 een intie­mer karakter vol ingehou­den, herfstachtige charme heeft.

Door en door vernuftig

Ook het derde en laatste pianotrio in c-klein op.101 werd geschreven tijdens een vakantie, ditmaal aan de Thunersee in 1886. Het is onderdeel van een trits waarvan ook de celloso­nate op.99 en de vioolsonate op.100 deel uitmaken. En opnieuw heeft Clara in haar dagboek commentaar gele­verd. "Ik onder­ging mijn grootste genoegen op de 20ste, toen ik me goed genoeg voelde om het prachtige ontroerende trio in c-klein te probe­ren. Wat een compositie is dit! Door en door vernuftig in z'n pas­sie, z'n inhoudelijke kracht, z'n charme en expres­sie! Geen enkel ander werk van Johannes heeft me zo totaal overrom­pe­ld" . Vooral het scherzo, een lieflijk Presto non assai, beviel haar: " ik ben geluk­kiger dan ik in lange tijd geweest ben!" .

Inderdaad heeft Brahms hier een uiter­ste aan rijpheid en concen­tratie be­reikt: er is geen noot teveel, alles staat in dienst van een maximum aan zeg­gings­kracht. In het andante, een delicaat vraag-en-antwoordspel van de piano met de strij­kers, treft de bijzonde­re ritmiek. Deze delen worden omlijst door stormachtige hoek­delen waarin de emotie toch weer - op Brahms' typerende wijze - beheerst blijft. Dit werk, net als de andere twee behorend tot de hoog­tepunten van de hele pianotrio-lite­ra­tuur, is in zijn compact­heid het stralende eindpunt van een ontwikkeling die bij Haydn, Mozart en Beetho­ven begon.

Opnamen

Je kunt Brahms' pianotrio's in allerlei uitvoeringen krijgen, zowel van gelegenheidsensembles van grote namen als van trio's die door jaren­lange samenwerking een hoog niveau van samenspel hebben bereikt. Beide categorieën hebben mees­terlijke resulta­ten opgeleverd, bijvoorbeeld Stern-Isto­min-Rose (op Sony-cd zowel als EMI-dvd) en Kätchen-Suk-Starker (Decca) aan de ene en het Beaux Arts Trio (Philips) aan de andere kant.

De Capuçon -broers en pianist Ange­lich (Virgin), veel jonger dan bovengenoemde esembles maar wel al uitstekend op elkaar ingespeeld, vallen in de tweede catego­rie. Dit is ka­mermu­ziek op hoog niveau, want in hun aanpak van Brah­ms zijn deze musici bij­zon­der fijn­zinnig. Het samen­spel is homo­geen en de sfeer is goed ge­troffen. De opnameklank is bijna perfect: mooi vol en toch licht omfloerst, wat heel goed past bij Brah­ms.

Luister hoe subtiel deze strijkers omgaan met een pizzica­to, hoe sprankelend de pianist een gebroken akkoord laat klinken en hoe zij alle drie zo op elkaar zijn ingespeeld dat de indruk van een organisch geheel ontstaat. In de meer on­stuimige passages van vooral de hoekdelen zou een tikje minder beschaving overigens best mogen. Deze uitvoerin­gen beveel ik graag aan: naar mijn smaak vinden zij, naast de bove­n­staande vetera­nen, alleen het Altenberg Trio Wien (oorspronkelijk op Vanguard, nu op Challenge Classics) boven zich. Dat is baas boven baas.

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links