www.opusklassiek.nl

Componisten/werken

Berlioz: l'Enfance du Christ op. 25

 

© Gerard Scheltens, december 2007

 

 
  Hector Berlioz (1803-1869)

Een zekere Pierre Ducré was - zo vertelde Hector Berlioz aan zijn vrienden - in 1679 maître de musique aan de Église Sain­te-Chapelle in Parijs, toen hij een herderskoor schreef. Het was een lieflijk, wiegend andante in 3/8 maat. Berlioz had het ergens opgediept en zorgde ervoor dat dit werk van de onbeken­de 17de-eeuwer werd uitgevoerd. Het was een mooi, strofisch lied voor meerstem­ming koor en het viel zo in de smaak, dat het eind 1850 regelmatig werd uitgevoerd. Postume hulde voor maître Ducré!

Toch waren er luiste­raars die het niet vertrouw­den. Aan het eind van de voorlaat­ste regel van elk strofe komt een geraffi­neerde modu­latie voor die de hoorder verrast en die niet bepaald behoort tot het muzika­le idioom van de 17de eeuw. Was de onbekende Ducré een geniale visionair geweest? Nee dus. Het ging om een mystificatie. Het stuk stamde niet uit 1679, maar uit 1850. En de componist was, tot veler ver­ras­sing, niet maître Ducré, maar Hector Berlioz zelf. De schepper van de hyperro­manti­sche, soms zelfs hysteri­sche Sympho­nie Fantas­ti­que, de massieve Grande Messe des Morts, de pompeu­ze Grande Symp­ho­nie Funêbre et Triomp­ha­le en het dram­atische La Damnati­on de Faust, was verantwoor­de­lijk voor dit bucoli­sche herders­ta­fe­reeltje in de style antique .

De aanleiding voor het vrome stukje was niet bepaald hoog­staand. Berlioz had op een ver­veeld mo­ment, tij­dens een spel­letje kaart, een vier­stemmig orgelstuk neerge­pend in het album van zijn vriend Joseph-Louis Duc. Omdat het hem wel beviel, be­sloot hij er woorden en een houtbla­zersbegeleiding bij te maken. Zo ontstond het Choeur des ber­gers de Bethléem qui chantent leurs adieux à l'Enfant Jésus alors que la Famil­le sainte s'appr­êtait en se rendre à Égypte , een lange en vrome titel voor een stuk met zo'n frivo­le aan­leiding.

De mystifica­tie was een geliefde grap van kunstenaars in de Romantiek (en ook daarna, zie Arnon Grun­berg), maar naar het schijnt was het Berlioz niet echt om een poets te doen. Hij leek zich eerder te scha­men voor dit mooie, maar voor hem onkarakteristieke stukje. Hij wilde niet graag toegeven dat hij het gecomponeerd had. Het duurde dan ook twee jaar voordat hij met de waarheid voor de dag kwam. Maar toen eenmaal was uitgekomen dat hijzelf de componist was, besloot hij het te inte­greren in een groter werk. het werd een kerstoratorium waar­voor geen externe aanleiding te traceren valt. Hoewel ge­plaagd door chro­nisch geldgebrek - geen wonder gezien zijn levens­stijl - stond hij zichzelf toe zich over te geven aan een compositie louter en alleen voor zijn ple­zier. Religieus was hij niet en voor hem was het kerstverhaal dan ook eerder een mooie legende dan een middel tot religieuze verheffing - al lijkt hij tegen het einde van zijn trilogie sacrée toch héél even in brave stichtelijkheid te vervallen.

Het werk eraan verliep niet in de uitvoeringsvolgorde. Berlioz begon met het korte middendeel, La Fuite en Égypte 'mystère en style ancien' , met als centrale punt het bewuste herders­koor, dat hij liet voorafgaan door een Ouverture en volgen door een stuk voor tenor, Le Repos de la Sainte Famil­le. Als apart werk, verhalend over de vlucht van Josef, Maria en Jezus naar Egyp­te, werd het in 1852 uitgegeven. Een jaar later vond de eerste uitvoering plaats, en met suc­ces. Dat inspi­reerde hem verder te gaan om een avond­vullend kersto­rato­rium te compone­ren. Eerst schreef hij het derde deel L'arrivée à Saïs , waarin de Heilige Familie wordt opgeno­men door een Ismaëlitis­che fami­lie. Pas daarna volgde het eerste deel Le songe d'H­éro­de . Daarin wordt beschreven hoe Herodes de onschuldige kinderen laat vervolgen en vermoorden. Zo ontstond een Trilo­gie sacrée waarvan het middendeel verre­weg het kortste is. De teksten schreef Berlioz zelf in een gewild archaïserende, toegankelij­ke stijl. Bijbelteksten gebruikte hij welbewust niet; daardoor kon hij het kerstverhaal vertellen zonder gebonden te zijn aan uitwijdingen en commentaren die hem niet interesseerden.

 
  De affiche met de aankondiging van de première.

Eind juli 1854 was het hele werk klaar, maar het moest na­tuur­lijk wach­ten tot de kersttijd voordat het op passende wijze kon worden uitgevoerd. l'Enfance du Christ , zoals de titel luidde, be­leefde zijn première in Parijs. In de zaal zaten niet de geringsten: Giuseppe Verdi, Charles Gounod, Ambroise Thomas en Peter Cornelius. Wie deze keer ontbrak was de Eu­ropabrede premièreganger Franz Liszt, maar hij werd verte­genwoor­digd door zijn vrouw Marie d'Agoult en haar dochters Blandine en Cosima (Wagners latere echtgenote). Het succes was enorm: de hele zaal was diep ontroerd. Al spoedig waren er vele uitvoe­ringen, zowel in Frankrijk als daarbuiten.

Voor Berlioz - ondanks het lawaai dat hij maakte nooit zeker van zichzelf - was dat een verdachte zaak. Waarom hield men zo van dit toch ongevaarlijke werk? Werden zijn andere, veel spectaculairdere composities dan wel naar waarde geschat? Zou hij niet verdacht worden van een knieval naar het publiek? In zijn beroemde Mémoires schreef hij: "Sommigen meenden in deze partituur een complete omslag in mijn stijl en componeertrant te zien. Niets is minder waar. Het onderwerp leidde vanzelf­sprekend tot muziek die eenvou­dig was en juist daar­door des te aansprekender, los van het feit dat de smaak en intel­ligen­tie zich hebben ontwikkeld naarmate de tijd ver­streek. Twintig jaar geleden zou ik exact dezelfde Enfance du Christ heb­ben geschreven..."

Het klinkt alsof hij zich wilde veront­schul­digen voor het onschadelijke karakter van zijn oratorium: het was nu eenmaal het onderwerp dat hem 'vanzelfsprekend' tot deze muziek had gebracht. Het typeert de onzekerheid waarin Berli­oz, toch al een twijfelaar aan zichzelf, verkeerde.

Hij had dan ook turbulente jaren achter de rug: de periode 1846-50 markeert een belangrijke wending in zijn leven. La Damnation de Faust was in Parijs geflopt. Zijn huwelijk met zijn 'eeuwige geliefde' Harriet Smithson - inspi­ratiebron voor de Symphonie Fantastique - was op de klip­pen. De revolu­tie van 1848 had grote indruk op hem gemaakt. Veel nieuwe indrukken deed hij op bij zijn reis naar Rusland. Hij zag een opvoering van Hamlet die de herinnering terugbracht aan het werk dat hem twintig jaar eerder had overrompeld. Dan stierf ook nog zijn vader. Het werd hem allemaal bijna teveel. Om dit alles te boven te komen zette hij zich aan het schrij­ven van zijn Mémoires, één van de boeiend­ste en lees­baarste autobio­grafieën ooit geschre­ven. Hij begon aan het Te Deum en deed zijn eerste verkenningen in Vergilius' Aeneas, die een paar jaar later de immense opera Les Troyens zouden opleveren.

 
  La salle Herz, waar de première plaatsvond.

In dat geheel aan indrukken en stemmingen die Berlioz bespron­gen, is de inspiratiebron voor L' Enfance du Christ onge­woon bescheiden. Dat het epicentrum ervan voortkwam uit een moment van verve­ling bij een kaartspelletje, neemt niet weg dat dit kerstora­torium een intiem monument van vroomheid is. De in­strumentatie is voor Berlioz' doen bescheiden. Meestal is er een wisselwer­king tussen strijkers, aangevuld met hoorns ener­zijds met de houtblazers anderzijds. Aan het eind van het eerste deel, in het Choeur des Anges , geeft het melodi­um van Alexandre (een soort kamerorgeltje) een aparte klankkleur die nogal aan huise­lij­ke vroomheid herinnert. Het is een onver­wachte kant van de door­gaans zo extravagan­te en megalomane Berlioz, die traditio­ne­le religiosi­teit verafschuwde. Eerder in datzelfde deel, als Herodes de moord op de onschuldige kinde­ren beveelt, krijgen we toch onze portie echte Berlioz-drama­tiek. Er wordt daar een groter orkest verlangd, dat met maximale midde­len wordt inge­zet. Het is de enige keer dat de klein­schalige vroomheid doorbroken wordt.

Door de volgorde van de totstandkoming zou je denken dat l'Enfance du Christ een verzameling karakterstukjes moet zijn geworden zonder innerlijke cohesie. Toch is er wel dege­lijk een samenhangende structuur, vooral dankzij de bindende rol van de Récitant (te­nor) die de gebeurtenissen aan elkaar 'praat'. Een belangrij­ke factor is ook het gebruik van dezelf­de motieven door het hele werk. Logisch voor een compo­nist die het muzikale idée fixe tot zijn handelsmerk had gemaakt, al gebeurt het hier niet zo dwi­ngend als in de Fan­tastique. Daarnaast is de lichtelijk archa­ïserende componeer­trant die het Choeur des bergers verrassend maakte, consequent volgehou­den, met een ruimhartig gebruik van fugatische elemen­ten.

Naast koor, orkest en de Récitant zijn er nog zes rollen; door dubbelrol­len zijn er in veel opnamen niet meer dan vijf solis­ten in totaal.

Ondanks de bindende structuur heeft elk van de drie delen zijn eigen atmosfeer. Het eerste deel, Le Songe d'Hérode , be­schrijft met passende midde­len de dramatische gebeurtenissen rond de nachtmerrie van Herodes die gaat leiden tot de massale kindermoord. Na een openingsrecitatief worden in de Marche nocturne patrouil­lerende soldaten uitgebeeld. Heeft u weleens solda­ten fuga­tisch zien marcheren? Het is de eerste van de vele fuga's in dit werk - het lijkt alsof Berli­oz zijn vaar­digheid op dit gebied wilde bewijzen tegenover degenen die hem ervan beschuldi­gden de polyfonie niet te beheersen.

Inhoud

Comman­dant Polydorus be­klaagt zijn lot koning Herodes te moeten dienen. Vervolgens is er een klein tussen­spel waarin de snel module­rende strijkers Herodes' paniek weergeven. Op het ver­twijfelde recitatief 'Toujours ce rêve!' volgt de rusteloze aria 'O misère des rois'. Hier wordt de koning neergezet als een mens die wordt verscheurd door de dilemma's van de macht waarmee hij is bekleed. Bijzonder is de instrumentatie, waar­bij Herodes wordt ondersteund door trombones. Hiermee wordt een duidelijk verband gelegd met La Damnation de Faust, waarin Méphistopheles op dezelfde manier wordt behandeld. In 'Hérode et les Devins', een sinister stuk, horen we de compo­nist van de heksensabbat (Fantastique) in volle glorie, met een kabba­listische processie in 7/4 maat en exorcistisch geschreeuw dat uitloopt in Herodes' fatale beslissing. Een trompetfanfare eindigt op een verminderd septiemakkoord, waarna de abrupte over­gang naar de lieflijkheid van L'étable à Bethléem een maximaal effect sorteert. Berlioz was een man van con­trasten! Mari en Josef bezingen hun pasgeboren kind in een roerend duet en in de Hosanna's van het erop volgende engelenkoor ebt de muziek effectvol weg. Hier schreef Berlioz een combinatie van vrouwen- en kinderkoor voor.

In het relatief korte centrale deel (La Fuite en Ëgypte) is de instrumen­tatie veel bescheidener; koperblazers ontbreken. Na de fugati­sche Ouver­ture volgt het beroemde herderskoor, maar minstens zo roerend is Le Repos de al Sainte Famille, waarin Maria zich verheugt een rustplaats te hebben gevonden. Het engelenkoor sluit opnieuw af met een Alleluia.

Het slotdeel (L'Arrivée à Saïs) is geschreven voor dezelfde instrumentale bezetting als het vorige deel, maar er zijn fagot­ten en pau­ken toegevoegd. De angst en bezorgdheid van de Heilige Familie, die geen onderdak kan vinden, is treffend uitgebeeld in een thema van de altviool, waarbij elke sequens symbool staat voor de zoveelste afwijzing. Als er eindelijk hulp wordt geboden door een Ismaëlitische fami­lie, wordt de vreugde uitgebeeld door een ingenieuze koorfuga. De vader van het gezin vraagt om muziek en twee flui­ten en een harp spelen een zoetig stukje, waarna het koor de Heilige Familie een goede nachtrust toe­wenst. Hier lijken we alsnog in een kneute­rig, senti­menteel tafereeltje te zijn beland, maar de af­slui­ting, waar­bij de Récitant uitbarst in 'O mon âme', plaatst het geheel toch in een breder perspectief. De engelen hebben opnieuw het laatste woord.

De opnamen

Aldus Berlioz' opvatting van het kerstverhaal, met voor zijn doen bescheiden middelen en getuigend van een intiem soort vroomheid. Hoe dit te uit te voeren? Afgezien van het Choeur des bergères, dat een evergreen is geworden dat bij geen kerstkoorzang mag ontbreken, wordt l'Enfance du Christ door­gaans als oratorium uitgevoerd. Toch heeft het, meer dan Bachs Weinachtsoratorium dat volop de ruimte geeft aan beschou­wing, ook opera-kwaliteiten. Dirigenten als Matthew Best en Roger Norrington willen dat in hun opnamen expliciet laten horen, niet alleen inter­pretatief, maar ook door de opstelling van de micro­foons. De personages zingen elkaar toe in een opzettelijk stereo-effect. Het kan. Maar de meeste dirigenten kiezen, zeker voor het tweede en derde deel, toch voor een intieme aanpak als bij een cantatedienst.

In het lp- en cd-tijdperk zijn er mooie opnamen van L'énfance du Christ gemaakt, maar het is jammer dat er dit moment enkele beroemde uitgaven niet in de handel zijn. Voor de miniverge­lijking kunnen ze dan ook niet in aanmerking komen. Dat geldt ook voor de wèl verkrijgbare uitvoering van het Ensemble Carpe Diem (Ambroisie AMB993­9), die een op één cd passende, ingekorte bewerking is voor kameren­semble met toegevoegde bijbelteksten.

De andere wil ik toch kort noe­men, temeer omdat ze hier en daar toch nog wel te vinden zijn. Dat geldt in de eerste plaats voor de twee opna­men van Colin Davis, Berlioz-specia­list bij uitstek. Op Decca (443 461 2) verscheen zijn eerste, indruk­wekkende opname uit 1961 met o.a. Peter Pears en Elsie Morri­son, die gevolgd werd door een tweede met Janet Baker die daarvoor nauwelijks onder­doet (Philips 416 949 2). Charles Dutoit beschikte over Franç­ois le Roux en Susan Graham voor een zeer expressie­ve en roerende uitvoering (Decca 458 915 2) die opnametech­nisch verbluffend is. Dan is er nog Philip Ledger, ook met Rolfe-Johnson als Récit­ant en verder met Fiona Kimm en Richard Van Allen. Ook deze opname heeft zijn verdiensten, maar vooral opnametechnisch valt hij toch een beetje af (ASV CD DCD 452). In elk geval verdienen al deze opnamen het om terug te keren in de schappen van de platenwinkels. Hoe meer keus hoe liever, en echt slech­te uitvoeringen heb ik niet gevonden van Berlioz' roerende uiting van vroomheid-tegen-wil-en-dank.

Berlioz: l'Enfance du Christ
John Aler (Récitant), Margarita Zimmermann (La V­ierge Marie), Eike Wilm Schulte (Joseph), Stanford Dean (Hérode/Le Père de la Famille) ), Chor des NDR Hamburg, Kölner Rundfunkchor, Radio-Sinfonie-Orchester Frankfurt o.l.v. Eliahu Inbal.
Brilliant 99999/7-8 (2) · 1.31' ·

Deze cd's bevinden zich in een Kruidvatdoosje met alle grote werken van Berlioz (totaal 11 cds') als heruitgave van Inbals Denon-opnamen. Hij is geen subtiele diri­gent, en dat is bij een werk als dit wel nodig. Wel toont hij aandacht voor   fraaie details, waardoor je plotseling toch geboeid raakt, maar dat kan ook verkeren in ergernis: bijvoorbeeld bij de hobo's die in het Choeur des bergers kwakende eenden lijken uit te beelden. Meestal blijft het een wat pompeuze aanpak, waar­bij mijn grootste bezwaar is dat de zangers geen ensemble vormen. Dat geldt zowel voor de solisten als voor het kooraan­deel. De opnameklank, over het algemeen goed en mooi ruim, doet in sommige koorgedeelten wat provin­ciaals aan.

Berlioz: l'Enfance du Christ
Jean-Luc Viala (Récitant), Michèle Lagrange (La V­ierge Marie), Michel Piquemal (Joseph), Fernand Bernardi (Hérode), Antoine Garcin (Le Père de Famille), Choeur Régional Vittoria de l'Île de France, La Maîtr­ise de Radio France, Orchestre Nationale de Lille o.l.v. Jean-Claude Casadesus.
Naxos 8.553650-51 (2) · 1.33' ·

Zeker geen topuitvoering, maar met mooie momenten. De zangers drukken het orkest, met onzuiver klinken­de blazers als in een harmoniekapel, nogal naar de achter­grond. Het duet van Joseph en Marie klinkt gewoontjes, opera-achtig. Ook de andere zan­gers vallen niet bijzonder op, afge­zien van de fraaie bas Jean-Louis Serre die het rolletje van Polydo­rus zingt. Maar de koorgedeelten zijn mooi en genuan­ceerd en Casadesus heeft gevoel voor de sfeer van deze partituur. Deze uitgave heeft zeker zijn verdiensten, maar kan de concurrentie met sommige andere toch niet aan.

Berlioz: l'Enfance du Christ
John Aler (Récitant), Jean Rigby (La V­ierge Marie), Gerald Finley (Joseph), Alastair Miles (Hérod­e), Gwynne Howell (Le Père de Famille), Corydon Singers, Corydon Orchestra, St.Paul's Cathedral Choristers o.l.v. Matthew Best.
Hyperion CDA66991/2 (2) · 1.41' ·

Matthew Best kiest expliciet voor een opera-aanpak en zegt dat ook in zijn toelichting. Dat bete­kent een maximale aandacht voor expressie en con­trast en een microfoonopstelling waardoor de zangers elkaar toe lijken te zingen. Aan die zangers is soms te horen dat het niet om Fransen gaat, al is Miles in­drukwekkend in zijn uitbeelding van de getormenteerde Herodes. Schitterend is ook de intimiteit van Rigby en Finley in hun duet. De tremolerende Aler valt tegen. Het koor is goed, maar ik vind de opname wat onhelder, waardoor het geheel niet al­tijd in detail te volgen is.

Berlioz: l'Enfance du Christ
Mark Padmore (Récitant), Christiane Oelze (La V­ierge Marie), Christopher Maltman (Joseph), Ralf Lucas (Hér­ode­), Mikhael Nikiforov (Le Père de Famille), SWR Voka­lensem­ble Stuttgart, Radio-Sinfonieor­chester Stuttgart des SWR o.l.v. Roger Norrington.
Hänssler CD 93.091 (2) · 1.31' ·

Norringtons Fantastique heb ik nooit erg kunnen waarderen, maar in het kleinschalige idioom van L'en­fan­ce du Christ is hij duidelijk beter thuis. Zijn aandacht voor frasering doet recht aan Berlioz en hij maakt gebruik van de karakteristieken van elk (tijdgebonden) instrument. Er zijn sterke con­trasten in dynamiek, maar vooral in het eerste deel zijn de blazers soms lomp. Padmore is een geweldige Récitant; jammer dat Oelze in het duet nogal dicht bij de microfoon lijkt te staan. Soms is er een ping-pong effect zoals in de begindagen van de stereo­fo­nie, maar net als bij Best is dat vermoedelijk opzet­telijk gedaan om de dialoog uit te beelden. Het is een opvat­ting, maar je kunt je afvragen of het specifieke karakter van L'en­fance niet verloren gaat als het teveel op Berlioz' andere werk gaat lijken.

Berlioz: l'Enfance du Christ
Paul Agnew (Récitant), Véronique Gens (La V­ierge Marie), Olivier Lalouette (Joseph), Laurent Naouri (Hérode), Frédéric Caton (Le Père de Famille), La Chapelle Roy­ale, Collegium Vocale Gent, Orchestre des Champs Élysées o.l.v. Philippe Herreweghe.
Harmonia Mundi HMX2901632-33 (2) · 1.34' ·

Bij afwezigheid van Davis, Dutoit en Gardiner, die - hoe verschillend onderling ook - zeker hoog geëindigd zouden zijn, mijn eerste keuze naast Gardiner. Herreweghe is niet opera-achtig zoals Best, maar meer 'religi­oso'. Misschien vindt u zijn opvatting daardoor wat minder meesle­pend en te 'beschaaf­d', maar de sfeer die Herre­weghe oproept weegt daar ruim­scho­ots tegenop. Het gebruik van oude instru­menten geeft een subtiliteit die ik bij Nor­rington mis. En bij de zangers zitten geen zwakke plekken. Het koor is homogeen, en in het aandeel van de solisten zit bij alle verfijning genoeg dramatiek. Als ik voor u zou moeten kiezen, zou het zeker deze worden, of:

Berlioz: l'Enfance du Christ
Anthony Rolfe-Johnson (Récitant), Anne Sofie von Otter (La Vierge Marie), Gilles Cachemaille (Joseph), José van Dam (Hérode), Jules Bastin (Le Père de Famille), Monetverdi Choir, Orchestre de l'Opera de Lyon o.l.v. John Eliot Gardiner.
Erato 2564 69764-6 of 2292-45275-2 of 3984-25595-2 · 1.34' ·

John Eliot Gardiner maakte deze opname, die in onlangs opnieuw werd uitgebracht in Warners Erato-serie (catalogusnr. 2564 69764-6), in 1987 in de akoestisch ideale Église de Sainte-Madeleine van Pérouges. Hij koos daarvoor, naast zijn bijna perfecte Monteverdi Choir, het orkest van de opera van de Lyon; pas later zou hij zijn andere Berlioz-opnamen maken met het 'tijdeigen' Orchestre Révolutionnaire et Romantique, maar alle kenmerkende eigenschappen van deze dirigent zitten er al helemaal in. De tempi zijn relatief hoog en de nadruk valt op ritmische puntigheid, zonder dat die al te zwaar benadrukt wordt. Integendeel: deze uitvoering heeft een stralend lichte, 'kerstige' atmosfeer. In vocaal opzicht beschikt Gardiner over een meer dan bevredigende cast die kan bogen op Anthony Rolfe-Johnson, Anne Sofie von Otter en José van Dam, waarmee het hoge vocale gehalte van deze opname wel is getypeerd. Ster onder de sterren is Von Otter als een ontroerende, onopgesmukte maagd Maria; daarvoor hebben de Fransen het woord 'ingénue' uitgevonden. Ook na twintig jaar - en een aantal mooie vertolkingen verder - heeft Gardiners vertolking zijn oorspronkelijke originaliteit en frisheid deze uitvoeringen behouden.

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links