www.opusklassiek.nl

CD-recensie

ICON - muzikale 'iconen' van EMI

 

© Paul Korenhof, november 2008 / april 2010


Voor uiterst schappelijke prijzen en in een smaakvolle presentatie startte EMI onlangs met een nieuwe reeks cd's waarin grote EMI-artiesten uit de 20ste eeuw in het zonnetje werden gezet. Daarbij natuurlijk ook diverse vocalisten, waarvan ik er meerderen de revue zal laten passeren. Ik hoop de lijst in de komende malen te kunnen aanvullen met steeds nieuwe uitgaven (afhankelijk van het tempo waarin EMI ermee doorgaat) en ik zal die steeds in de alfabetische volgorde opnemen. Ten dienste van regelmatig terugkerende bezoekers van deze site daarom hieronder de namen van de solisten die al aan de beurt zijn geweest.

Gewoon even aanklikken dus:

Victoria de los Angeles (EMI 2173082 - 7 cd's)

Janet Baker (EMI 2080872 - 5 cd's)

Jussi Björling (EMI 2173132 - 5 cd's)

Montserrat Caballé (EMI 2648452 - 4 cd's)

Franco Corelli (EMI 2648872 - 4 cd's)

Kirsten Flagstad (EMI 4553462 - 5cd's)

Mirella Freni (EMI 2062532 - 4 cd's)

Nicolai Gedda (EMI 4560952 - 11 cd's)

Walter Gieseking (EMI 2650812 - 8 cd's)

Beniamino Gigli (EMI 4556932 - 7 cd's)

Tito Gobbi ((EMI 4553782 - 5 cd's)

Jascha Heifetz (EMI 2173122 - 6 cd's)

Hans Hotter (EMI 2649012 - 6 cd's)

Fritz Kreisler (EMI 2650422 - 10 cd's)

Artur Schnabel (EMI 2650642 - 8 cd's)

Andrés Segovia (EMI 2080772 - 3 cd's)

Giuseppe di Stefano (EMI 2060752 - 3 cd's)

Menuhin & Grappelli (EMI 6985302 - 4 cd's)

Lucia Popp (EMI 6985152 - 7 cd's)

Richard Tauber (EMI 6985422 - 5 cd's)

Voor uitgebreide informatie omtrent het opgenomen repertoire verwijs ik naar
http://www.emi-icons.com/

Noot: ook elders op de site vindt u verscheidene Icon-uitgaven, van de pianisten Dinu Lipatti, Arthur Rubinstein en Solomon, de hoornist Dennis Brain, de violist Nathan Milstein en de dirigent Leopold Stokowski.

Besproken uitgaven:

 
  Victoria de los Angeles (EMI 2173082 - 7 cd's)

Victoria de los Angeles
De Spaanse sopraan Victoria de los Angeles was een van de opmerkelijkste vocalisten die de 20ste eeuw heeft voortgebracht. Zij zong het Italiaanse en het Duitse repertoire met evenveel gemak als het Spaanse en het Franse, zij was in de Duitse liedkunst even goed thuis als in de Spaanse zarzuela, zij overtuigde in Wagner net zo makkelijk als in Massenet of Falla, met minimale middelen suggereerde zij zowel tragiek of eenzaamheid als meisjesachtige schalksheid, en bij dat alles overheerste een timbre dat uit duizenden herkenbaar was, en dat gold als het summum van charme en élégance. En alsof dat nog niet genoeg was, kunnen we rustig stellen dat zij voor de Spaanse liedkunst evenveel heeft betekend als Maria Callas voor het bel canto of Boris Christoff voor de liederen van Moesorgski.

Toen Victoria de los Angeles Lopez Garcia, zoals zij voluit heette, op 15 januari 2005 op 82-jarige leeftijd overleed, had deze uit Barcelona afkomstige zangeres tijdens een carrière die bijna een halve eeuw omspande, een repertoire vastgelegd dat in breedheid en verscheidenheid  uniek genoemd moet worden. Haar opnamen van de Spaanse muziek liepen van de renaissance tot ver in de twintigste eeuw, haar Italiaanse repertoire reikte van Mozart tot Mascagni, Leoncavallo en Puccini, inclusief twee complete opnamen van Rosina in Il barbiere di Siviglia, en in het Franse repertoire zong zij twee andere mezzorollen, Carmen en Charlotte in Werther, naast onder meer Marguerite, Manon en Mélisande.

Opmerkelijk waren ook haar vertolkingen in het Duitse liedrepertoire, waarbij zij in haar grote tijd op één lijn stond met Elisabeth Schwarzkopf en Dietrich Fischer-Dieskau, en terecht werkten zij gedrieën mee aan het legendarische afscheid van de pianist Gerald Moore. Ik denk bovendien dat inmiddels menigeen haar 'pure' stijl in het Duitse lied zal prefereren boven zeer persoonlijke stijl van Schwarzkopf...). De enige belangrijke lacune in haar discografie betreft eigenlijk Elisabeth in Tannhäuser, de rol waarmee zij in 1961 Bayreuth aan haar voeten kreeg. Ook van La vida breve, Faust en Madama Butterfly maakte zij twee opnamen, maar helaas schijnen er geen geluidsbanden bewaard te zijn van haar enige operaoptreden in Nederland, als Salud in La vida breve tijdens het Holland Festival 1953.

Uit het door haar opgenomen repertoire had EMI met gemak twee keer zoveel cd's kunnen samenstellen als de zeven die we nu in de ICON-serie vinden, maar eerlijk is eerlijk: haar repertoire is in de volle breedte vertegenwoordigd. De eerste drie cd's geven vooral een beeld van haar operarepertoire, zowel in losse aria's als in fragmenten uit complete opnamen, cd 4 en 6 bevatten een veelheid aan liederen alsmede aria's uit zarzuela's, cd 5 is geheel gewijd aan de Chants d'Auvergne van Canteloube, een opname uit de jaren zeventig die door de lichtheid en de natuurlijkheid in de zang van De los Angeles waarschijnlijk nooit meer overtroffen is, en de uitgave besluit met bijna tachtig minuten Spaanse liedkunst. Alles bij elkaar een groots eerbewijs aan een heel bijzondere zangeres.

 
  Janet Baker (EMI 2080872 - 5 cd's)

Janet Baker
Een zangeres die in een selectie van het nog altijd Britse EMI natuurlijk niet mag ontbreken, is de Engelse alt Janet Baker. De vijf cd's die aan haar werden gewijd, geven echter meteen het probleem aan waarop zo'n serie kan stuiten. Baker maakte het merendeel van haar opnamen in een tijd toen de exclusieve contracten op de achtergrond raakten en dat betekende dat zij haar activiteiten over meerdere labels verspreidde. Dat zou op zich niet zo'n probleem zijn, maar het toeval wilde dat daarbij ook repertoiregrenzen meespeelden. Op een enkele uitzondering na vinden we al haar opera-opnamen op andere labels, waardoor EMI kennelijk maar besloot zich te beperken tot liederen, oratoria en andere concertmuziek. Geen probleem voor de verzamelaar, maar wie zoekt naar een compleet beeld van deze zangeres, komt hier niet helemaal aan zijn trekken.

Gelukkig heeft ieder nadeel zijn voordeel en in dit geval betekent dat een monumentaal en bijzonder homogeen geheel, varend onder de vlag van zes grote namen, waarvan diverse onlosmakelijk met Dame Janet verbonden zijn: Mahler, Elgar, Berlioz, Chausson, Schubet, Schumann, Bach en Handel. Er is echter meer, want de eerste cd opent met vertolkingen van muziek van Brahms (Alt-Rhapsodie), Wagner (Wesendonk-Lieder) en Strauss (liederen) in vertolkingen die zonder meer monumentaal genoemd kunnen worden, en dat geldt zeker voor Brahms Alt-Rhapsodie, een opname onder Boult uit 1970 die voor mij toonaangevend is gebleven.

Niet minder monumentaal zijn diverse opnamen van Baker met Sir John Barbirolli met zowel het Hallé Orchestra als het Philharmonia Orchestra, met als centraal moment natuurlijk de derde cd die geheel gewijd is aan Mahler: Kindertotenlieder (1967), Fünf Rückert-Lieder (1969), Lieder eines fahrenden Gesellen (1967) en een 'losse' opname van 'Ich bin der Welt abhanden gekommen' (1967), terwijl de cd besloten wordt met 'Uhrlicht' uit de Tweede Symfonie in een opname uit 1986 onder Rattle.

Waar het grotere of cyclische werken betreft horen we verder onder meer de Sea Pictures van Elgar, Berlioz' Les Nuits d'été en Shéhérazade van Ravel onder Barbirolli (1965-1967) en het Poème de l'amour et de la mer van Chausson onder Previn (1977). De laatste twee cd's zijn gevuld met enkele aria's uit oratoria en een uitgebreide selectie liederen van Engelse (Purcell, Boyce, Monro, Arne) als Duitse (Schubert, Schumann, Mendelssohn, Liszt) liederen met daarin een opname die zij - vreemd genoeg verspreid over de jaren 1968-1975 - met Daniel Barenboim maakte van Schumanns Frauenliebe und -leben. Al met al een waardig eerbetoon aan een groot zangeres die afgelopen zomer 75 jaar is geworden.

 
  Jussi Björling (EMI 2173132 - 5 cd's)

Jussi Björling
Sommigen vinden hem koel, maar ik heb nooit goed kunnen achterhalen of dat werd veroorzaakt door zijn gedistingeerde timbre of door het ontbreken van ieder spoor van goedkoop 'verisme' in zijn zang. Voor mij blijft Jussi Björling onbetwist een van de vijf grootste tenoren van de twintigste eeuw en een zanger die in de totale breedheid van het spinto-repertoire uitsluitend werd overtroffen door Enrico Caruso. De overeenkomsten in hun repertoire zijn opmerkelijk. Beiden excelleerden in lyrische en lyrisch-dramatische Italiaanse en Franse rollen, waaraan Björling in zijn jonge jaren ook nog Don Ottavio in Don Giovanni had toegevoegd, en beiden stierven kort voor hun 50ste en voordat ze zich aan Otello hadden kunnen wagen. Beiden waren perfect op hun plaats in verdiaanse spintopartijen als Manrico en Radames, die zij beiden bovendien volkomen lyrisch benaderden zonder dat dit afbreuk deed aan de klaroenachtige helderheid van hun timbre, en beiden waren de volmaakte vertolkers van wellicht de verraderlijkste aller Verdi-rollen: Riccardo/Gustavo in Un ballo in maschera. Beider zang frappeert bovendien na al die jaren nog steeds door het gemak, de gezonde vocalistiek en de helderheid van hun dictie.  Hier lijkt zingen zo makkelijk!

Een groot pluspunt voor de vijf cd's die EMI aan de Zweedse tenor wijdde, is het feit dat daarbij minder gebaande paden konden worden betreden dan men zou verwachten van een zanger die toch altijd zo duidelijk het 'grote repertoire' heeft gezongen. Zo kon een hele cd's worden gevuld met 'Zweedse' opnamen, zowel populaire operafragmenten in het Zweeds en origineel Zweeds liedrepertoire als vroege opnamen van fragmenten uit operettes. Ook de beide cd's met opnamen uit de jaren veertig en vijftig bieden een aangename melange, en hetzelfde geldt voor de vierde cd met liederen van componisten van diverse pluimage. In feite is alleen de cd met delen uit zijn complete opnamen van Pagliacci, La Bohème en Madama Butterfly enigszins voorstelbaar. Tegelijk is het jammer dat we geen delen horen uit de complete opnamen van bijvoorbeeld Il trovatore en Aida, twee legendarische uitgaven uit de jaren vijftig met Milanov, Barbieri en Warren als zijn partners, maar wellicht spelen hier labelbelangen een rol. In ieder geval is mij nooit helemaal duidelijk geworden hoe de belangen van EMI en RCA in de jaren vijftig precies verdeeld waren. Een punt blijft wel dat juist de opname van Madama Butterfly, een van zijn laatste vóór zijn dood, iets afstandelijker klinkt dan we gewend zijn en ook de superioriteit mist van bijvoorbeeld zijn Calaf uit dezelfde periode. Aan de andere kant: welke hedendaagse Pinkerton slaagt erin zo ver boven de noten uit te stijgen?

Dat ik altijd een groot bewonderaar van Björling ben geweest, mag duidelijk zijn. Een van mijn eerste platen was zelfs een ep'tje waarop hij vier aria's van Puccini zong. Kort daarna ontdekte ik twee singletjes, de eerste met duetten met de onlangs overleden sopraan Hjördis Schymberg (Rigoletto en La Bohème), de tweede met aria's uit Faust en Roméo et Juliette van Gounod. Die vier fragmenten zijn gelukkig in deze box terug te vinden, samen met enkele andere onvergetelijke momenten (o.a. de aria uit La belle Hélène en Der Bettelstudent in het Zweeds), maar ook hier ontbreken helaas enkele RCA-opnamen, in het bijzonder de reeks duetten die hij in het begin van de jaren vijftig opnam met Robert Merrill, waaronder wellicht de populairste versie van het duet uit 'De Parelvissers', ooit de hit van 'Moeders wil is wet' en 'Arbeidsvitaminen'.

 
  Montserrat Caballé (EMI 2648452 - 4 cd's)

Montserrat Caballé
In een smal straatje in het oude centrum van Barcelona, vlak naast een van de gezelligste churreria's van de stad, vermeldt een enorme gevelsteen op ooghoogte, dat in dat huis Montserrat Caballé werd geboren. Zo wordt in Barcelona niet iedere operazangeres geëerd, maar Caballé is niet zomaar een zangeres. Geboren op 12 april 1933 heeft zij nu een carrière van ruim een halve eeuw achter de rug en nog steeds staat zij op het toneel - en niet alleen in kleine rollen! Na twaalf jaren in het Duitse en Italiaanse standaardrepertoire beleefde zij in 1967 een sensationele doorbraak, toen zij in New York tijdens een concertante uitvoering de titelrol in Donizetti's Lucrezia Borgia vertolkte. In de jaren die volgden, groeide zij uit tot een waar belcantofenomeen, maar het grote Verdi-repertoire verwaarloosde zij niet  en ondertussen drong zij ook steeds verder door in het Duitse dramatische repertoire. Dat haar stem en haar techniek - met de mogelijkheid tot een uitzonderlijk, ragfijn pianissimo - dat alles doorstonden, is een minder groot wonder dan het feit dat zij ondanks diverse problemen (onder andere suikerziekte) zo'n carrière ook fysiek wist te doorstaan. Haar EMI-discografie geeft van dit alles helaas een ietwat eenzijdig beeld en de vier ICON-cd's laten haar vooral in Italiaans repertoire horen, met de nadruk op het bel canto uit de eerste helft van de 19de eeuw (onder meer duetten met Plácido Domingo, Alfredo Kraus en echtgenoot Bernabé Marti), aangevuld met enkele Franse aria's en een paar Spaanse liederen. Dat haar favoriete Richard Strauss ontbreekt, blijft een gemis, maar alles wat wel aanwezig is, geeft ons een beeld van een unieke belcantopersoonlijkheid. Daarnaast vormen deze cd's vijf uur technische perfectie, verplicht studiemateriaal voor aankomende zangers en zangeressen!

 
  Franco Corelli (EMI 2648872 - 4 cd's)

Franco Corelli
Naast de veelzijdigheid, de enorme carrière en de technische finesses van een sopraan als Montserrat Caballé vormt het portret van Franco Corelli (1921-2003) een ander uiterste. Zijn sterkste punt was het Italiaanse repertoire (als hij Frans zong, had dat stilistisch weinig met de Franse zangkunst te maken) en het zwaartepunt lag daarbij op de tweede helft van de 19de eeuw en het verisme. Subtiel bel canto was in zijn vertolkingen meestal ver te zoeken. Zijn stralende, bijzonder viriele klaroengeluid leek vooral bedoeld om hem op volle kracht boven het grootste orkest uit te tillen en ieder publiek in extase te brengen. Begrijpelijk. Vocaal was Corelli een van de imponerendste tenoren aller tijden en daarbij beschikte hij ook nog eens over een uiterlijk waarop menige filmster jaloers zou kunnen zijn. Vier cd's op windkracht tien is echter iets te veel van het goede, zeker met anderhalf uur lang populaire Italiaanse liederen aan het slot. Het liefste hoor ik toch de jonge Corelli die in de jaren vijftig diverse opnamen voor de Italiaanse radio en het label Cetra maakte, maar ook aan die periode horen we hier enkele herinneringen, onder andere een mij onbekende opname uit Un ballo in maschera uit 1958 en een fascinerend 'A te, o cara' uit I puritani in een opname uit 1962.

 
  Kirsten Flagstad (EMI 4553462 - 5 cd's)

Kirsten Flagstad

Voor de meeste operaliefhebbers geldt Kirsten Flagstad (1895-1962) als de zangeres met de 'grootste stem' van de twintigste eeuw. Die mening deelt de grote Duitse zangspecialist Jürgen Kesting. In zijn vierdelige Die grossen Sänger wijdt hij maar liefst tien volle pagina's aan de Noorse sopraan, waarbij hij zijn oordeel onderbouwt met talloze getuigenissen. Dat moet ook wel, want er zijn niet veel mensen meer die haar stem nog in het theater gehoord hebben en dat levert in dit geval zeker een probleem op. Muzikaliteit, techniek, persoonlijkheid en interpretatievermogen van Flagstad kunnen nog worden opgemaakt aan de hand van haar opnamen, maar de verhalen over haar fenomenale vocale volume zijn niet meer controleerbaar.

Op het hoogtepunt van haar carrière moet Flagstad moeiteloos de grootste orkestrale climaxen de baas zijn geweest, en met 'moeiteloos' bedoel ik ook letterlijk 'moeiteloos', zonder haar stem ook maar enigszins onder druk te zetten. Het gevolg daarvan was - en dat is wel in haar opnamen te horen - dat zij na ieder fortissimo op basis van 'ontspannen' zingen een subtiel en kleurrijk piano kon realiseren, en dat is precies waar bijna iedere andere dramatische sopraan het laat afweten. Kesting analyseert één voorbeeld: de frase 'Er sah mir in die Augen' in de eerste akte van Tristan und Isolde, en constateert dat geen enkele zangeres uit later jaren erin geslaagd is de 'e' van 'Augen' na een dalende octaafsprong met een vol, goed geïntoneerd en fraai afgerond piano te zingen. Flagstad lukte dat wel, waarmee zij - aldus Kesting - gestalte gaf aan de uitspraak van Karajan: 'Zij zingt een piano als was het een fortissimo!'

Het blijft een wonder dat die unieke stem pas tot ontplooiing kwam toen Flagstad na circa twaalfhonderd voorstellingen van zeventig verschillende rollen pas in 1932 haar eerste Isolde zong. Daarna zou het nog duren tot 2 februari 1935, eer zij bij haar Met-debuut als Sieglinde in Die Walküre de volledige omvang van die stem liet horen. Daarvoor geeft Kesting de verklaring dat het voordien eenvoudig niet nodig was geweest en zelf zou ik eraan willen toevoegen: het was zelfs beter dat zij zich al die tijd heeft ingehouden. In het gemiddelde Europese theater van die tijd, inclusief Bayreuth met zijn bijzondere akoestiek, en zeker bij de toen gebruikelijke omvang van de operaorkesten zou een 'uitzingende' Flagstad de balans van een normale voorstelling juist verstoord hebben, maar in de oude Met, die plaats bood aan 4660 toeschouwers, lagen de verhoudingen anders. Die zaal vroeg om 'grote stemmen' en de eerste optredens van Flagstad, eerst als Sieglinde en enkele dagen later als Isolde, moeten voor de aanwezigen een sensatie van de eerste orde zijn geweest. Van beide voorstellingen zijn geluidsbanden bewaard gebleven en het effect is inderdaad elektriserend!

De vijf cd's in de ICON-box bevatten natuurlijk uitsluitend EMI-opnamen, maar die vormen al een rijkdom op zich. De laatste helft van deze selectie bestaat uit Wagner-opnamen met op de laatste cd bijna tachtig minuten uit haar monumentale Furtwängler-opname van Tristan und Isolde uit 1952. Soms klinkt zij daar zelfs iets te monumentaal, maar deze studio-opname is wel de meest bevredigende die zij van deze muziek heeft nagelaten. Mijn eigen voorkeur gaat uit naat twee andere EMI-opnamen: de slotscène uit Götterdämmerung in een opname onder Furtwängler uit 1948 en een ontroerend breekbare Dido van Purcell in een opname van de sterfscène onder Braithwaite uit datzelfde jaar. De fluwelen intensiteit waarmee Flagstad daar het recitatief 'Thy hand, Belina' inzet, is voor mij door geen andere zangeres geëvenaard. De grootste Wagner-zangeres van de eeuw als het ultieme voorbeeld van eenvoud en menselijkheid!

De overige opnamen vormen een mengeling van voor- en naoorlogse opnamen met muziewerken van Bach, Händel en Gounod in imponerende maar soms ook louter curieuze vertolkingen, en met een groot aantal Scandinavische liederen. Wat mij betreft had EMI er rustig een cd aan mogen toevoegen met live-opnamen, bijvoorbeeld met delen uit de Tristan und Isolde uit 1937 onder Beecham die dat label eveneens op de plank heeft liggen. Nu doet dit portret denken aan de Venus van Milo: onvergelijkelijk maar onaf. O ja, en wie die Tristan onder Furtwängler nog niet kende, moet ook even naar Ludwig Suthaus luisteren. Flagstad was niet de enige grootheid in die jaren!

 
  Mirella Freni (EMI 2062532 - 4 cd's)

Mirella Freni
Over haar kwaliteiten is geen twijfel mogelijk: Mirella Freni was een van de charmantste en meest ontwapenende verschijningen die we de afgelopen halve eeuw op het operatoneel hebben meegemaakt (zij heeft het er trouwens ook bijna een halve eeuw uitgehouden!). Zij bezat bovendien een stem die zich in lyriek en stemschoonheid ergens Toti del Monte en de jonge Renata Tebaldi bevindt, maar dan zonder het specifiek meisjesachtige van de eerste en de vrouwelijke sensualiteit van de tweede. Er is echter een 'maar': buiten een tamelijk vast omlijnd kader toonde zij een zeker gebrek aan persoonlijkheid. Dat viel niet op in rollen als Mimì, Liù, Suzel, Desdemona, Micaëla, Marguerite of Juliette, waarin zij haar meisjesachtige charme volledig kon uitspelen. Bij de uitbreiding van haar repertoire met 'oudere' rollen werd zij daarentegen niet ieders favoriete Traviata en je hoefde echt Magda Olivero niet op het toneel gezien te hebben om al bij de eerste opkomst van Fedora te weten, dat de vertolking van Freni nooit op hetzelfde niveau zou komen.

De opnamen die Freni voor EMI maakte, omspannen enkele decennia en laten haar horen in uiteenlopende rollen, van Mimì en Zerlina (in 1966 met haar latere echtgenoot Nicolai Ghiaurov als Don Giovanni) tot Aida en de Forza-Leonora, maar gelukkig maakte zij die laatste twee opnamen onder respectievelijk Karajan en Muti, en die legden met het orkest voldoende kracht in de partituur om eventuele vlakheden in de vertolking van Freni te kunnen compenseren. En eerlijk is eerlijk: ook als het misschien beter is de vier cd's niet achter elkaar te draaien, vocaal is het allemaal schitterend!

Doordat haar vroege opnamen (vaak haar mooiste!) over verschillende labels verspreid zijn, ontbreken hier helaas enkele van haar belangrijkste rollen uit die periode: Susanna in Le nozze di Figaro en Nannetta in Falstaff. Wel horen we een aantal vroege opnamen van losse aria's, gedirigeerd door haar eerste echtgenoot Leone Magiera, en enkele los opgenomen duetten uit die periode met Nicoali Gedda. Meer dan alleen haar twee solo's uit La Bohème, de opera waarin zij al in de jaren vijftig Amsterdam veroverde, en die decennia lang haar visitekaartje zou blijven, was echter welkom geweest. Dit gebrek is een van de schoonheidsfoutjes die wijzen op weinig deskundigheid bij de samensteller van deze uitgave. Dat blijkt ook uit enkele lelijk abrupt afgebroken fragmenten (o.a. het tweede duet uit L'elisir d'amore) en helemaal uit het ontbreken van de helft van het 'kersenduet' uit L'amico Fritz in de opname met Luciano Pavarotti - en dat laatste is echt een misser van de eerste orde!

 
  Nicolai Gedda (EMI 4560952 - 11 cd's)

Nicolai Gedda

Een uitzonderlijk muzikale polyglot die zich thuis voelde in iedere taal, in iedere stijl en in ieder tenoraal stemvak behalve dat van de echte 'heldentenor'. Die handschoen past Nicolai Gedda (*1925), een Zweedse zoon van een Russische vader en in het begin van de jaren vijftig ontdekt door Walter Legge, die hem in eerste instantie inzette voor Back, Mozart en Pinkerton in Madama Butterfly. Snel daarna volgden het Franse repertoire, van Rameau tot Massenet, het Russische repertoire, de Duitse romantische opera (Lohengrin!), de Duitse operette, de 19de-eeuwse Italiaanse opera van Rossini's Barbiere tot Rodolfo in La Bohème, de Duitse, Franse, Russische en Scandinavische liedkunst en wat zich verder maar aanbood. Bij dat alles was de stem van Gedda uit duizenden te herkennen door een egaal, fluwelig timbre, een perfecte techniek en een vlekkeloze articulatie. Al die kwaliteiten bleven bovendien tot op hoge leeftijd behouden, zoals iedereen kan bevestigen die hem de afgelopen jaren nog in het theater of de orkestzaal gehoord heeft.

Aan alle hierboven geschetste kwaliteiten kleeft echter ook een nadeel. Gedda is de volmaakte muzikale kameleon, maar bij al mijn bewondering heb ik toch vaak het gevoel dat zijn kleuren niet helemaal 'echt' over. Hij blijft altijd Nicolai Gedda in een volmaakte vertolking, maar echt overtuiging doet hij mij eigenlijk alleen in Russische muziek, het lyrische Franse repertoire (inclusief Benvenuto Cellini) en - heel opmerkelijk - de Duitse operette. Dat EMI hem een doos met maar liefst elf cd's gunde, is begrijpelijk. Afgezien van enkele uitstapjes - onder meer naar DG (Palestrina), RCA (Vanessa) en Scandinavische labels (vooral liederen) is hij dat label door de decennia heen trouw gebleven en uit de overdaad aan opnamen die hij maakte, horen we hier een genereuze selectie.

Toch zal het al met al moeilijk kiezen zijn geweest en onvermijdelijk ontbreekt er dus het een en ander. Zo had ik dolgraag dat legendarische Franse recital uit 1953, waaruit nu slechts een enkele aria is opgenomen, compleet gehoord, en zo zal iedereen wel zijn wensen hebben. Laat ik daarom niet ondankbaar zijn: we horen hier ruim twaalf uur lang de stem van wellicht de muzikaalste en veelzijdigste tenor van de twintigste eeuw, aan het slot gevolgd door open en soms hilarisch interview uit 1995 met diverse muzikale illustraties. Daarin horen we details over het verloop van zijn carrière, anekdotes (onder meer over de Carmen onder Beecham), overpeinzingen over zowel zangtechniek als het moderne muziektheater, maar ook enkele opmerkelijke feiten. Zo vertelt Gedda onder meer dat Karajan en Legge hem in 1954 kort achter elkaar Ferrando in Così fan tutte als Bacchus in Ariadne auf Naxos hadden willen laten zingen. Een vreemde keuze die de stem van de jonge Zweedse tenor onherstelbaar had kunnen beschadigen. Al met al een heel bijzondere uitgave!

 
  Walter Gieseking (EMI 2650812 - 8 cd's)

Walter Gieseking
Door de jaren heen heeft het spel van Walter Gieseking (1895-1956) mij altijd uitermate gefascineerd zonder dat ik precies kon zeggen waarom, en toen ik het begeleidende boekje bij deze ICON-uitgave las, ging mij opeens een licht op. In mijn gedachten was Gieseking altijd een 'Duitse' pianist geweest (ik had mij nooit zo in zijn biografische details verdiept), en natuurlijk was hij dat ook, maar dan wel Duits met een sterk mediterraan karakter. Niet eens zozeer dankzij een jeugd die hij grotendeels in Frankrijk en Italië had doorgebracht, maar meer nog vanwege de mentaliteit die hij in diezelfde periode had ontwikkeld. Artistiek was Gieseking een individualist en ten dele ook een autodidact, zeker in zijn jonge jaren, die gewend bleef zijn eigen weg te gaan. In zijn spel overheerst doorzichtigheid en zijn subtiele poëzie blijft altijd ver van zware Duitse romantiek. Bij de breedste aaneenschakeling van akkoorden blijft de horizontale lijn een constante die de meest complexe harmonieën de schijn van zangerige eenvoud geven. Zijn opnamen met Karajan (Mozart, Grieg) zijn exemplarisch, maar het betoverende effect van zijn spel zal echter zeker ook te danken zijn aan producer Walter Legge die het merendeel van deze opnamen (overwegend Mozart, Beethoven en Debussy, en alle uit de jaren vijftig) op zijn naam heeft staan.

 
  Beniamino Gigli (EMI 4556932 - 7 cd's)

Beniamino Gigli
De grootste verrassing voor nieuwere generaties verzamelaars is wellicht het feit dat de jongste opnamen van de tenor Beniamino Gigli (1890-1957) stammen uit de jaren vijftig, toen de populairste Italiaanse tenor van de twintigste eeuw de zestig hoorbaar al lang en breed gepasseerd was. Inderdaad de populairste. Caruso was en blijft de grootste door de combinatie van weergaloze artisticiteit met een stemtechniek die nog geheel 19de-eeuws was. De meer veristisch geschoolde Gigli werd de zanger voor het grote publiek, voor miljoenen mensen die nooit een operatheater van binnen hebben gezien, die soms niet eens wisten waar een aria over ging, maar voor wie dankzij de 78-toerenplaat de stem van deze tenor uitgroeide tot de ultieme Italiaanse tenorklank. Misschien  bereikte Gigli een zelfs nog groter publiek met zijn talloze Italiaanse liederen als 'O sole mio' en 'Torna à Surriento' en 'liedjes' als het ooit immens populaire 'Mamma' dan met zijn talloze operaopnamen. Toch was hij ook een van de grootste operazangers van zijn tijd, onvergetelijk dankzij zijn vroege opnamen, onder meer met andere grootheden als Titta Ruffo, Amelita Galli-Curci en Giuseppe de Luca, maar ook dankzij een tiental complete opnamen, waaronder uitvoeringen van La Bohème, Tosca, Madama Butterfly, Aida en Andrea Chénier die onder kenners nog altijd tot de beste opnamen van die werken behoren. Zijn fluwelen lyriek was betoverend, maar meer nog zijn gave om uiterst delicate lijnen te trekken in het gebied van piano, pianissimo, mezza voce en voix mixte. Een opname uit 1941 (de zanger was toen al 51 jaar oud) van Federico's 'E la solita storia' uit L'Arlesiana van Cilea geeft daarvan een paar van de delicaatste voorbeelden, maar laat tegelijk ook horen waarom diezelfde Gigli zo vaak bekritiseerd is. Hij was namelijk geen groot interpreet en zijn pogingen om gevoel te suggereren door aspiraties, halve snikken en het doorbreken van zowel melodische als ritmische lijnen komen soms zelfs bijna ordinair over. Zijn ergste opname, het slot van de derde akte Manon Lescaut, waar hij na een uitgebreide snotterpartij zelfs woorden interpoleert ('Grazie! Grazie!') is in deze ICON-box terecht niet opgenomen, maar in de loop van zeven cd's trekken voldoende andere voorbeelden aan ons voorbij. Op een geheel van bijna tien uren met een van de mooiste stemmen uit de fonografische industrie in merendeels wel uitstekende uitvoeringen, is dit gelukkig is verwaarlozen. En Gigli op zijn best, in zijn jonge jaren, maar ook nog in latere opnamen en zeker in complete opera's onder dirigenten als Tullio Serafin en Oliviero de Fabritiis, is nog altijd moeilijk te evenaren. Alles bij elkaar dus een meeslepend en tegelijk ook representatief eerbetoon aan een van de mooiste stemmen van de vorige eeuw, die helaas niet gehanteerd werd door een van de grootste artiesten van de vorige eeuw.

 
  Beniamino Gigli (EMI 4553782 - 5 cd's)

Tito Gobbi
Omgekeerd liggen de zaken bij de bariton Tito Gobbi (1913-1984). Niet dat hij geen 'mooie' stem had, want vooral de opnamen uit zijn eerste periode verrassen steeds weer door een soepel en fraai gepolijst timbre, op het eerste gehoor slanker dan dat van 'bronzen' baritons als Ruffo, Battistini en Bastianini. Gobbi frappeerde echter van meet af aan meer als artiest dan als zanger, hoewel ook zijn zeldzame uitstapjes in het belcantorepertoire bijzonder fraaie resultaten heeft opgeleverd. Zijn Belcore in L'elisir d'amore blijft exemplarisch, evenals zijn Ashton in Lucia di Lammermoor. Uit de periode daarvóór hebben we helaas alleen zijn Barbier van Sevilla en dat is bijzonder jammer. Zijn vertolkingen van Don Giovanni en zowel Figaro (helaas alleen een paar aria's) als Almaviva in Le nozze di Figaro worden door verzamelaars gekoesterd en we kunnen ons alleen maar voorstellen hoe zijn Don Alfonso in Così fan tutte geklonken kan hebben. Zijn grote tijd brak aan in de jaren vijftig, toen hij een vaste plaat-partner werd van Maria Callas (in het theater hebben zij alleen in Tosca en de Barbiere naast elkaar op het toneel gestaan) en uit die periode dateren vertolkingen van Rigoletto, Amonasro (Aida) , Renato (Ballo), Tonio (Pagliacci) en Scarpia (Tosca) die nog altijd tot de best denkbare behoren zijn. Ik durf zelfs te stellen dat zijn complete Rigoletto en zijn Scarpia in de Tosca onder De Sabata onovertroffen zijn, maar dat geldt voor mij eveneens voor enkele EMI-opnamen die hij zonder Callas maakte: Falstaff, Michele in Il Tabarro, Sharpless in Madama Butterfly en Rodrigo in Don Carlos. Eigenlijk hoort in dit rijtje ook Simon Boccanegra, zijn lievelingsrol, maar hier is hij zo mogelijk nog overtroffen door Piero Cappuccilli in de opname onder Abbado. Gelukkig zijn al deze rollen terug te vinden op de vijf cd's die EMI aan hem wijdde en daarop treffen we eveneens zijn losse opnamen aan, zowel uit de 78t-periode als uit het lp-tijdperk, met opvallend veel liederen in opmerkelijk vitale en intense vertolkingen, en met enkele juweeltjes uit het operarepertoire, waaronder een sublieme monoloog van Michonnet uit Adriana Lecouvreur. Er is ook een misser: een in het Italiaans gezongen fragment uit La Damnation de Faust waarin hij de plank finaal mis slaat. Een leuke curiositeit waarmee ik vrede zou hebben, als op deze cd's niet net te weinig ruimte was geweest voor het complete duet met Victoria de los Angeles uit Simon Boccanegra.

 
  Jascha Heifetz (EMI 2173122 - 6 cd's)

Jascha Heifetz
Mijn vioolleraar - toen veel ouder dan ik - zei ooit: "Let op, sommige van de grootste dirigenten zul je ooit verouderd vinden, en veel solisten ook, zelfs als we ze nu tot de allergrootsten rekenen, maar Heifetz blijft een unicum, tot in lengte van dagen!" Inmiddels zijn we enkele decennia verder en denk ik over sommige solisten en dirigenten duidleijk anders dan toen, maar ondanks het feit dat ik tussendoor ook aan een kleine 'Heifetz-dip' geleden heb, ben ik steeds meer geneigd hem gelijk te geven. Die 'dip' houdt waarschijnlijk verband met het feit dat ik een tijd lang interpretatie verward heb met persoonlijkheid, de tijd waarin ik vond dat musici dat befaamde 'persoonlijke stempel' op muziek moesten drukken, want dat is juist wat Heifeitz niet doet. Hij drukt geen stempel en zeker geen 'persoonlijk' stempel. Je kunt je bij hem zelfs afvragen of er wel sprake is van iets als 'interpretatie'. Bij Heifeits lijkt de muziek een eigen leven te leiden. 

In zijn toelichting bij het doosje met de zes cd's die EMI in de ICON-serie aan Heifetz wijdt, begint Julian Haylock met een analyse van de techniek van dit vioolfenomeen, waarbij hij vooral wijst of de sterke fysieke afstand tussen vingers en snaren en een stokvoering die 'meer in de diepte dan in de breedte' gaat: relatief korte streken in combinatie met een grote intensiteit. Op basis daarvan ontwikkelde hij een fenomenale techniek die uitmuntte door precisie. Ik draaide deze cd's kort nadat ik geluisterd had naar de recente Tsjaikovski-cd van Janine Jansen en met alle waardering voor onze landgenote: als zij in sommige oren 'romantischer' klinkt, kan dat wellicht als 'weker' vertaald worden (ik bedoel dat niet negatief, maar helaas heeft het woord 'week' in onze taal tegenwoordig een bijklank die niet mijn bedoeling is). Nog opvallender was echter het verschil in articulatie, want op dat punt blijft Heifetz toch de absolute grootmeester. Iedere noot lijkt bij hem een individuele waarde te krijgen zonder dat daarbij overigens sprake is van een gebrek aan legato.

Een jaar of vijftien geleden bracht RCA in een tientallen cd's omvattende reeks alle opnamen van Heifeitz voor dat label op de markt (gelukkig maar, want zo'n project zou nu niet meer kunnen) en dus dringt de vraag zich op of deze EMI-doos wel zin heeft. Het antwoord is een volmondig 'ja' en niet alleen omdat voor menigeen die RCA-uitgave te omvangrijk en daarmee te prijzig is geweest. Wie toen wel de RCA-compilatie heeft aangeschaft, moet deze ICON-doos er namelijk meteen naast zetten - en wie nog weinig van Heifetz heeft, mag helemaal geen moment aarzelen. Hier vinden we enkele uitvoeringen die geen bewonderaar van deze violist mag missen, en dan denk ik op de eerste plaats aan de opnamen die Heifetz in de jaren dertig en veertig maakte met Barbirolli en Beecham. Vooral de sessies met Barbirolli (Tsjaikovski, Glazoenov, Mozart, Wienawski, Vieuxtemps) bleken uitzonderlijk door de chemie tussen beide musici. Natuurlijk, het zijn opnamen op leeftijd, maar ik heb genoten! Daarnaast biedt deze uitgave alles bij elkaar twee cd's met 'korte stukken', waarbij Heifetz begeleid wordt door diverse pianisten onder wie Benno Moiseiwitsch (Beethoven, Kreutzer-sonate) en Arthur Rubinstein (Franck, Vioolsonate in A). Opnamen met gouden randjes en alle respect voor de dubbings, maar dat geldt voor de hele uitgave!

 
  Hans Hotter (EMI 2649012 - 6 cd's)

Hans Hotter
De Duitse media besteedden dit jaar al uitgebreid aandacht aan Hans Hotter (1909-2003), een van de grootsten (ook letterlijk) onder de liedzangers en Wagner-vertolkers van de vorige eeuw, die in januari honderd jaar oud zou zijn geworden. Gelukkig zijn naast veel van zijn liedvertolkingen ook zijn belangrijkste Wagner-interpretaties altijd wel voorhanden gebleven en Testament voegde daar na de eerste Bayreuther Keilberth-Ring uit 1956 onlangs een Götterdämmerung uit datzelfde jaar aan toe, waarin Hotter als Gunter te horen is. (Wie op zoek is naar een door mij nog altijd gekoesterde, in het Duits gezongen Falstaff uit 1939, zal echter heel erg zijn best moeten doen!)

In de ICON-reeks mocht Hotter natuurlijk niet ontbreken en EMI eerde hem met zes cd's met opnamen uit de jaren vijftig, toen de zanger vocaal nog op zijn hoogtepunt stond. Daarbij moest men zich natuurlijk beperken tot het repertoire uit de eigen catalogus. Aan de andere kant is dat maar gelukkig, want het betekent in ieder geval dat we een paar van Hotters beste en belangrijkste opnamen hier integraal horen. Om te beginnen een Winterreise die hij in mei 1954 in London opnam met Gerald Moore aan de vleugel. Om de een of andere reden is die opname mij altijd ontgaan, maar de verrassing was des te groter. Niet 'mooi' (Hotter, met zijn kruidige, soms ook ietwat astmatische bas-bariton zong niet 'mooi'), niet gelikt, niet gepolijst, maar wel heel direct, van een ontstellende eerlijkheid en aangrijpend in ieder woord, iedere noot en iedere kleurnuance. De verstilling waarmee hij in Der Leiermann Schuberts cyclus besluit, komt zelfs na de 23 voorgaande liederen nog over als een mokerslag.

Een niet minder indrukwekkende voltreffer is de laatste, geheel aan de opera gewijde cd. Na een fragment uit Der Mond van Orff en twee monologen uit Die Meistersinger von Nürnberg vinden we daarop de twee grote Wagner-scènes die Hotter in 1957 onder Leopold Ludwig opnam met een relatief jonge Birgit Nilsson als zijn partner. Het duet uit Der fliegende Holländer en de bijna veertig minuten durende slotscène uit Die Walküre (vanaf 'War es so schmählich') behoren voor mij tot het beste wat Hotter ons heeft nagelaten, maar ook tot de indrukwekkendste opnamen die ooit van deze muziek gemaakt zijn. Mede dankzij Leopold Ludwig, het Philharmonia Orchestra en natuurlijk de onvergelijkelijke producer Walter Legge!
Ook deze cd is derhalve een absolute must voor de liefhebber - maar tot die groep behoort waarschijnlijk niet de 'operakenner' die enkele jaren geleden voor de NPS-microfoon over Hotters Walküre-Wotan verklaarde, dat hij blij was dat er nu niet meer zo gezongen werd (sic!). Vanuit zijn standpunt had hij overigens gelijk. Niet alleen houden moderne regisseurs meestal niet zo van zangers met een eigen persoonlijkheid, maar een vertolking die tekst en muziek centraal stelt, kunnen zij vaak al helemaal niet gebruiken...

Een derde reden om deze box aan te schaffen is de vijfde cd met liederen van Wolf, wederom met Moore aan de vleugel, terwijl twee andere cd's met liederen gevuld zijn met andere composities van Schubert (o.a. Schwanengesang) en met liederen van Grieg, Schumann, Loewe, Brahms en Pfitzner. Brahms vinden we ook op de eerste cd met onder meer de Vier ernste Gesänge en een deel uit Ein deutsches Requiem, nadat die cd geopend is met Ich habe genug (BV82) van Bach in een opname uit 1950 en daarmee het oudste fragment in deze indrukwekkende verzameling.

 
  Fritz Kreisler (EMI 2650422 - 10 cd's)

Fritz Kreisler
Toen ik op de Haagse markt mijn eerste stapel 78t-platen kocht, bestond bijna een kwart daarvan uit platen van Fritz Kreisler (1875-1962) met 'Kreisleriana', korte vioolstukjes, al dan niet in een eigen bewerking van de violist, die me in gedachten terugvoerden naar de 'salonsfeer' bij de legendarische lunchroom Heck aan het Haagse Spui. Samen met zijn heel individuele vibrato blijven die 'Kreisleriana' het visitekaartje van de violist en enerzijds is dat terecht, maar anderzijds is het ook jammer. Te snel zijn we daardoor geneigd een van de grootste violisten van de 20ste eeuw af te doen als een salonvirtuoos, terwijl hij toch veel meer was. Tien volgepakte cd's geven daarvan een indrukwekkende staalkaart met centraal tien vioolsonates van Beethoven in opnamen uit 1935-36 met Felix Rupp aan de vleugel. Bijzonder interessant zijn de eerste twee cd's met twee keer het vioolconcert nr 4 van Mozart in een koppeling met het concert van Beethoven, in beide gevallen natuurlijk met Kreislers eigen cadensen, en twee keer de combinatie Mendelssohn-Brahms.. De eerste keren horen we opnamen uit 1924-27 met Landon Ronald en Leo Blech als dirigenten, daarna opnamen uit 1935-39 met onder meer Malcolm Sargent en John Barbirolli. In grote lijnen komt het erop neer dat de oudere uitvoeringen meer vuur laten horen maar ook iets 'romantischer' begeleid worden, terwijl de latere meer rust uitstralen en een betere balans tussen solist en orkest laten horen. Het cd-boekje roept de vraag op in hoeverre zijn platen een beeld geven van Kreislers persoonlijkheid, maar die vraag kan natuurlijk gesteld worden met betrekking tot iedere musicus die ons opnamen heeft nagelaten.

 
  Artur Schnabel (EMI 2650642 - 8 cd's)

Artur Schnabel
Een ander hoofdstuk apart (maar dat is in feite iedere grote musicus) vormt de pianist Artur Schnabel (1882-1951). De eerste indruk in muziek van Bach (BWV850, 903, 911, 912, 971 en 1061) is metalig. Dat werkt goed voor de helderheid, maar ik werd er niet echt door bekoord. Aan de ene kant is het spel van Schnabel in verschillende opzichten typisch voor een tijd die totaal niet 'authentiek' gericht was en juist grote vrijheid gaf aan de uitvoerenden, wat hier onder meet blijkt uit tempi en tempowisselingen die we nu niet zonder meer zouden toejuichen. Aan de andere kant overheerst een strakke ritmiek die soms zelfs naar het mechanische neigt. Daarbij demonstreert hij wel een enorme greep op ieder werk dat hij uitvoert en zelfs als hij zich fluctuaties in zijn tempi veroorlooft, weet hij toch steeds de indruk van grote eenheid en geslotenheid te wekken. Zijn spel dwingt bewondering af, maar sleept niet meteen mee, ook niet in de enkele naoorlogse opname waarin Walter Legge de hand had. Het merendeel van de opnamen uit deze ICON-box dateert echter uit de jaren dertig en trekt ook door de klank de onvoorbereide luisteraar niet meteen de muziek binnen.

 
  Andrés Segovia (EMI 2080772 - 3 cd's)

Andrés Segovia
Op de een of andere manier is de naam Andrés Segovia voor mij nooit een realiteit geworden. Sommige van zijn platen kende ik al vroeg, later voegden zich daar nog diverse opnamen aan toe, maar de man erachter bleef een vage naam. Wellicht had dat te maken met het feit dat de enige goede foto die ik van hem had, meer van zijn schedel dan van zijn gezicht liet zien. Hij zat daar op een lp-hoes in die typische gitaristenhouding, gebogen over zijn gitaar met zijn blik meer op de snaren gericht dan op de wereld om hem heen. Zo is het altijd gebleven, behalve dan dat zijn platen, grijsgedraaide mono-lp's die in klank nauwelijks verschilden van de 78-toerenplaten die ik ook nog op zolder had staan - op een gegeven moment mijn kast nauwelijks meer uit kwamen.

De verschijning van een doosje met drie cd's in de ICON-serie met een zeer leesbare biografie werd daarmee een verrassende ervaring. Het belangrijkste was echter dat de frisheid en de kracht van Segovia's spel na al die jaren nog onverminderd aanwezig waren, met aanmerkelijk meer diepte in de klank dan ik me herinnerde. Aan de andere kant laten de cd-dubbings geen twijfel bestaan over het feit dat het hier zonder uitzondering 78t-opnamen betreft, afkomstig uit de jaren 1827-1839 (cd 1 en 2) en 1949 (cd 3). Dat de derde cd iets minder achtergrond heeft dan de beide andere, is logisch (het betreft hier trouwens dubbings die werden gemaakt door Testament), maar het valt te prijzen dat de technici die voor deze heruitgave verantwoordelijk zijn, niet gepoogd hebben meer groefruis uit de oudere opnamen te verwijderen. Het zou zonder twijfel de gitaarklank hebben aangetast en daarmee deze uitgave van een deel van zijn waarde hebben beroofd.

In de toelichting wordt niet alleen de loopbaan van Segovia uit de doeken gedaan, maar ook het feit dat het toenmalige HMV in de Abbey Road Studio voor de opnamen uit de jaren 1927-1939 een bandmicrofoon inzette. De toelichting zegt daarover: 'many consider the resulting mellow sound the most natural and realistic ever achieved; it is certainly suited to the subtle colours of the guitar.' Beide mededelingen neem ik graag voor waarheid aan. De rijkdom waarmee de opening van de eerste cd, een bewerking door Segovia van de gavotte uit Bach's derde vioolsonate, uit de luidsprekers komt, is zonder meer exceptioneel, ook voor een opname die niet in 1927 ontstaan zou zijn! Vreemd genoeg klinkt de volgende track, een bewerking door Ponce van de prelude uit de eerste cellosuite, iets dunner en meer gedateerd, ondanks het feit dat die opname acht jaar later ontstaan is, maar daarmee zijn wel meteen de klanktechnisch uitersten van deze vooroorlogse opnamen bepaald. En verder? Drie uur gitaarfeest! (Voor het repertoire verwijs ik naar de EMI-site - zie de link hierboven - waar de complete track-indeling te vinden is.)

 
  Giuseppe di Stefano (EMI 2060752 - 3 cd's)

Giuseppe di Stefano
Als u mij vraagt naar de mooiste tenorstem van de 20ste eeuw, zal ik even aarzelen tussen Fritz Wunderlich en de jonge Giuseppe di Stefano, maar uiteindelijk zal mijn keuze toch vallen op de laatste. Wunderlich was muzikaler, Björling was een beter zanger, Bergonzi overtrof iedereen als stilist, Gigli was een groter allround-zanger, Schipa blonk uit in muzikaliteit en voordracht, Tagliavini had het mooiste mezza voce, Pavarotti was uniek door zijn legato en zijn expressiviteit en Caruso was zonder meer de grootste artiest van allemaal, maar aan de stem en het timbre van de jonge Giuseppe di Stefano heeft waarschijnlijk niemand kunnen tippen - of het zou de heel jonge José Carreras geweest moeten zijn.

In de ICON-reeks heeft EMI nu een doosje uitgebracht met drie cd's waarop we een aantal van Di Stefano's beste opnamen voor dit label horen, waaronder een reeks opnamen uit de periode 1947-1957 - en laat ik er meteen aan toevoegen: in een van de beste digitaliseringen die ik tot nu toe van die opnamen uit die periode gehoord heb. Ze deden mij meteen denken aan de dubbings van Testament en waar het de losse aria's en liederen betreft, zijn het die ook! Het enige nadeel is dat dit procédé ook het verschil in opnamekwaliteit tussen de diverse fragmenten onderling beter hoorbaar maakt, maar dat 'nadeel' neem ik graag op de koop toe.

Op drie cd's vinden we aria's en duetten uit diverse opera's die Di Stefano in de loop van de jaren vijftig voor EMI opnam, maar ook aria's uit de Londense sessies met Alberto Erede (1947) en een paar Italiaanse liederen en Siciliaanse volksliedjes. Het belangrijkste onderdeel van deze verzameling wordt echter gevormd door de vijf duetten (Iris, Otello, Carmen, Parelvissers en Faust - alle in het Italiaans) die de Sicilaanse tenor in 1957 opnam met de door de platenindustrie zwaar ondergewaardeerde Rosanna Carteri. Voor andere labels heeft Di Stefano in die periode weinig opgenomen, dus het overzicht is redelijk compleet, al valt er nog minstens een hele cd samen te stellen met fragmenten uit L'elisir d'amore en Mefistofele (Decca) en met de onvergetelijke hoogtepunten uit La Bohème die hij nog in het 78t-tijdperk voor RCA vastlegde met onder meer Licia Albanese en Leonard Warren. Ik ken die laatste opnamen ook inderdaad alleen van 78t-platen en van uitgaven in het 'grijze circuit', dus hier is absoluut sprake van een lacune! Dat neemt niet weg dat EMI ons hier trakteert op drie cd's vol vocaal goud van de eerste orde - en met alle waardering voor de tenoren van dit moment: als je dit hoort, blijft het toch eigenlijk toch maar behelpen!

 
  Menuhin & Grappelli (EMI 6985302 - 4 cds)

Menuhin & Grappelli
Vakmanschap is meesterschap. Wat kun je anders zeggen als giganten van het niveau van Yehudi Menuhin en Stéphane Grappelli ruim vijf uur lang in de meest uiteenlopende populaire melodieën van Gershwin, Kern, Porter, Rodgers, Prévert en anderen de sterren van de hemel spelen? Zo´n uitgave is een must voor de liefhebber, maar wie daar niet toe behoort, krijgt na verloop van tijd wel het gevoel dat het al met al wel erg vele van hetzelfde is. Dat Grappelli afwisselend op de viool en op de (soms elektrische) piano speelt, dat Laurie Holloway, Nelson Riddle, Ronnie Verrell, het Woodwind and Reed Ensemble en diverse andere grootheden uit het lichtere genre regelmatig acte de présence geven, doet daar weinig van af. Dat hier met enorm veel plezier gemusiceerd wordt, blijkt echter al na vier maten en die indruk blijft cd's lang track na track bestaan. De opnamen uit de periode 1973-1985 klinken helder en modern, maar verraden iets te veel de toen even heersende voorkeur voor het ruimtelijke effect. Juist werkjes die neigen naar salonmuziek hebben vaak behoefte aan iets meer intimiteit, of zo men wil: de suggestie van een gecapitonneerde chambre séparée.

 
  Lucia Popp (EMI 6985152 - 7 cd's)

Lucia Popp
De dood van Lucia Popp in november 1993 trof de internationale muziekwereld met eenschok die alleen maar kan worden vergeleken met de klap die het overlijden van Fritz Wunderlich in 1966 teweegbracht. Toegegeven, toen Popp overleed was zij 'al' 54, achttien jaar ouder dus, maar daarvan was niemand zich bewust. Zelfs onder vakgenoten waren er maar weinigen die zich herinnerden dat zij bijna dertig jaar eerder een opzienbarend plaatdebuut had gemaakt als de Koningin van de Nacht in Die Zauberflöte onder Otto Klemperer. Dat was mede te danken aan haar eigen instelling. Na die spectaculaire eerste opname had zij probleemloos kunnen beginnen aan een carrière als ' internationale operaster', maar niet alleen waren de tijden toen anders, ook het karakter van de Slovaakse zangeres zat zo niet in elkaar. De geleidelijke ontwikkeling van lyrische soubrette tot volwassen lyrische sopraan paste beter bij haar en als gevolg daarvan heeft zij in de drie decennia die haar carrière omspande, een repertoire opgebouwd dat op meerdere punten uitzonderlijk is. Zij evenaarde de discografie van Schwarzkopf in de combinatie van Mozart, Strauss en liedkunst, maar zong daarnaast ook Wagner (Eva, Elsa), Bizet, Massenet, Leoncavallo, Janácek, Sinopoli (Lou Salome) en anderen, zij ontwikkelde zich van Zdenka tot Arabella, van Despina tot Fiordiligi en van Sophie tot Marschallin (om maar een paar voorbeelden te noemen) en de verzamelaar bezit daarnaast ook enkele onvergetelijke live-opnamen, zoals een tv-registratie uit de Scala van een onvergetelijke La Bohème onder Carlos Kleiber (voor mij misschien wel de mooiste Bohème die ik ooit gehoord heb), waarin zij Musetta zong tegenover Ileana Cotrubas en Luciano Pavarotti. Veel van haar opnamen maakte zij gelukkig voor EMI, waardoor we nu een ICON-cassette hebben met zeven cd's vol opera- en operettearia's, liederen en andere vocale muziek met voor mij - heel persoonlijk - als hoogtepunt de tweede cd, waarop zij te horen is in de slotscène uit Daphne van Richard Strauss onder Bernard Haitink (1983) en de Vier letzte Lieder onder Klaus Tennstedt (1982). En als ik de vorige zin overlees, weet ik dat ik daar eigenlijk nog heel veel aan had willen toevoegen...

 
  Richard Tauber (EMI 6985422 - 5 cd's)

Richard Tauber
De tenor Richard Tauber (1891-1948) was uniek en onnavolgbaar, daarover valt niet te twisten. Als zanger stond hij op eenzame hoogte, als muzikale charmeur kende hij zijn weerga niet, zijn repertoire - van Mozart via Schubert tot Lehár en Korngold - laat ware juweeltjes van interpretatiekunst horen en zelfs toen hij nog maar één long had, leverde hij technische meesterstukjes af. De manier waarop hij bijvoorbeeld van een betoverend mezza voce kon overgaan in een ragfijn pianissimo, is nog door niemand geëvenaard en het ziet er niet naar uit dat ooit een zanger hem in zijn eigen repertoire naar de kroon zal steken. Al luisterend naar deze vijf cd's met opnamen uit de periode 1919-1946 viel mij steeds meer op dat sommige opnamen sterk gedateerd beginnen te klinken. Daar lijkt ook een lijn in te zitten. Het meest was ik nog altijd gecharmeerd van de Richard Tauber uit de tijd dat hij vooral operavertolker was en vanuit die hoedanigheid begon aan zijn legendarische samenwerking met Franz Lehár. Fragmenten uit opera's van Puccini, Verdi, Smetana, Tsjaikovski, Thomas en anderen klinken allemaal fantastisch en de twee opnamen die hij in 1924 met Lotte Lehmann en George Szell maakte van muziek uit Die tote Stadt van Korngold, behoren misschien zelfs tot de grootste opnamen uit de twintigste eeuw. Menige opname uit de jaren dertig, toen hij nog vooral populaire muziek vastlegde, haalt dat niveau misschien zangtechnisch, maar komt in frasering en kleuring achterhaald over. Aan de andere kant: ook die opname maken deel uit van de nalatenschap van een van de grootste zangers uit de vorige eeuw.

index

Home  -  Introductie  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links