|
CD-recensie ICON - muzikale 'iconen' van EMI
© Paul Korenhof, november 2008 / april 2010 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Voor uiterst schappelijke prijzen en in een smaakvolle presentatie startte EMI onlangs met een nieuwe reeks cd's waarin grote EMI-artiesten uit de 20ste eeuw in het zonnetje werden gezet. Daarbij natuurlijk ook diverse vocalisten, waarvan ik er meerderen de revue zal laten passeren. Ik hoop de lijst in de komende malen te kunnen aanvullen met steeds nieuwe uitgaven (afhankelijk van het tempo waarin EMI ermee doorgaat) en ik zal die steeds in de alfabetische volgorde opnemen. Ten dienste van regelmatig terugkerende bezoekers van deze site daarom hieronder de namen van de solisten die al aan de beurt zijn geweest. Gewoon even aanklikken dus: Victoria de los Angeles (EMI 2173082 - 7 cd's) Janet Baker (EMI 2080872 - 5 cd's) Jussi Björling (EMI 2173132 - 5 cd's) Montserrat Caballé (EMI 2648452 - 4 cd's) Franco Corelli (EMI 2648872 - 4 cd's) Kirsten Flagstad (EMI 4553462 - 5cd's) Mirella Freni (EMI 2062532 - 4 cd's) Nicolai Gedda (EMI 4560952 - 11 cd's) Walter Gieseking (EMI 2650812 - 8 cd's) Beniamino Gigli (EMI 4556932 - 7 cd's) Tito Gobbi ((EMI 4553782 - 5 cd's) Jascha Heifetz (EMI 2173122 - 6 cd's) Hans Hotter (EMI 2649012 - 6 cd's) Fritz Kreisler (EMI 2650422 - 10 cd's) Artur Schnabel (EMI 2650642 - 8 cd's) Andrés Segovia (EMI 2080772 - 3 cd's) Giuseppe di Stefano (EMI 2060752 - 3 cd's) Menuhin & Grappelli (EMI 6985302 - 4 cd's) Lucia Popp (EMI 6985152 - 7 cd's) Richard Tauber (EMI 6985422 - 5
cd's) Noot: ook elders op de site vindt u verscheidene Icon-uitgaven, van de pianisten Dinu Lipatti, Arthur Rubinstein en Solomon, de hoornist Dennis Brain, de violist Nathan Milstein en de dirigent Leopold Stokowski. Besproken uitgaven:
Victoria de los Angeles Toen Victoria de los Angeles Lopez Garcia, zoals zij voluit heette, op 15 januari 2005 op 82-jarige leeftijd overleed, had deze uit Barcelona afkomstige zangeres tijdens een carrière die bijna een halve eeuw omspande, een repertoire vastgelegd dat in breedheid en verscheidenheid uniek genoemd moet worden. Haar opnamen van de Spaanse muziek liepen van de renaissance tot ver in de twintigste eeuw, haar Italiaanse repertoire reikte van Mozart tot Mascagni, Leoncavallo en Puccini, inclusief twee complete opnamen van Rosina in Il barbiere di Siviglia, en in het Franse repertoire zong zij twee andere mezzorollen, Carmen en Charlotte in Werther, naast onder meer Marguerite, Manon en Mélisande. Opmerkelijk waren ook haar vertolkingen in het Duitse liedrepertoire, waarbij zij in haar grote tijd op één lijn stond met Elisabeth Schwarzkopf en Dietrich Fischer-Dieskau, en terecht werkten zij gedrieën mee aan het legendarische afscheid van de pianist Gerald Moore. Ik denk bovendien dat inmiddels menigeen haar 'pure' stijl in het Duitse lied zal prefereren boven zeer persoonlijke stijl van Schwarzkopf...). De enige belangrijke lacune in haar discografie betreft eigenlijk Elisabeth in Tannhäuser, de rol waarmee zij in 1961 Bayreuth aan haar voeten kreeg. Ook van La vida breve, Faust en Madama Butterfly maakte zij twee opnamen, maar helaas schijnen er geen geluidsbanden bewaard te zijn van haar enige operaoptreden in Nederland, als Salud in La vida breve tijdens het Holland Festival 1953. Uit het door haar opgenomen repertoire had EMI met gemak twee keer zoveel cd's kunnen samenstellen als de zeven die we nu in de ICON-serie vinden, maar eerlijk is eerlijk: haar repertoire is in de volle breedte vertegenwoordigd. De eerste drie cd's geven vooral een beeld van haar operarepertoire, zowel in losse aria's als in fragmenten uit complete opnamen, cd 4 en 6 bevatten een veelheid aan liederen alsmede aria's uit zarzuela's, cd 5 is geheel gewijd aan de Chants d'Auvergne van Canteloube, een opname uit de jaren zeventig die door de lichtheid en de natuurlijkheid in de zang van De los Angeles waarschijnlijk nooit meer overtroffen is, en de uitgave besluit met bijna tachtig minuten Spaanse liedkunst. Alles bij elkaar een groots eerbewijs aan een heel bijzondere zangeres.
Janet
Baker Gelukkig heeft ieder nadeel zijn voordeel en in dit geval betekent dat een monumentaal en bijzonder homogeen geheel, varend onder de vlag van zes grote namen, waarvan diverse onlosmakelijk met Dame Janet verbonden zijn: Mahler, Elgar, Berlioz, Chausson, Schubet, Schumann, Bach en Handel. Er is echter meer, want de eerste cd opent met vertolkingen van muziek van Brahms (Alt-Rhapsodie), Wagner (Wesendonk-Lieder) en Strauss (liederen) in vertolkingen die zonder meer monumentaal genoemd kunnen worden, en dat geldt zeker voor Brahms Alt-Rhapsodie, een opname onder Boult uit 1970 die voor mij toonaangevend is gebleven. Niet minder monumentaal zijn diverse opnamen van Baker met Sir John Barbirolli met zowel het Hallé Orchestra als het Philharmonia Orchestra, met als centraal moment natuurlijk de derde cd die geheel gewijd is aan Mahler: Kindertotenlieder (1967), Fünf Rückert-Lieder (1969), Lieder eines fahrenden Gesellen (1967) en een 'losse' opname van 'Ich bin der Welt abhanden gekommen' (1967), terwijl de cd besloten wordt met 'Uhrlicht' uit de Tweede Symfonie in een opname uit 1986 onder Rattle. Waar het grotere of cyclische werken betreft horen we verder onder meer de Sea Pictures van Elgar, Berlioz' Les Nuits d'été en Shéhérazade van Ravel onder Barbirolli (1965-1967) en het Poème de l'amour et de la mer van Chausson onder Previn (1977). De laatste twee cd's zijn gevuld met enkele aria's uit oratoria en een uitgebreide selectie liederen van Engelse (Purcell, Boyce, Monro, Arne) als Duitse (Schubert, Schumann, Mendelssohn, Liszt) liederen met daarin een opname die zij - vreemd genoeg verspreid over de jaren 1968-1975 - met Daniel Barenboim maakte van Schumanns Frauenliebe und -leben. Al met al een waardig eerbetoon aan een groot zangeres die afgelopen zomer 75 jaar is geworden.
Jussi Björling Een groot pluspunt voor de vijf cd's die EMI aan de Zweedse tenor wijdde, is het feit dat daarbij minder gebaande paden konden worden betreden dan men zou verwachten van een zanger die toch altijd zo duidelijk het 'grote repertoire' heeft gezongen. Zo kon een hele cd's worden gevuld met 'Zweedse' opnamen, zowel populaire operafragmenten in het Zweeds en origineel Zweeds liedrepertoire als vroege opnamen van fragmenten uit operettes. Ook de beide cd's met opnamen uit de jaren veertig en vijftig bieden een aangename melange, en hetzelfde geldt voor de vierde cd met liederen van componisten van diverse pluimage. In feite is alleen de cd met delen uit zijn complete opnamen van Pagliacci, La Bohème en Madama Butterfly enigszins voorstelbaar. Tegelijk is het jammer dat we geen delen horen uit de complete opnamen van bijvoorbeeld Il trovatore en Aida, twee legendarische uitgaven uit de jaren vijftig met Milanov, Barbieri en Warren als zijn partners, maar wellicht spelen hier labelbelangen een rol. In ieder geval is mij nooit helemaal duidelijk geworden hoe de belangen van EMI en RCA in de jaren vijftig precies verdeeld waren. Een punt blijft wel dat juist de opname van Madama Butterfly, een van zijn laatste vóór zijn dood, iets afstandelijker klinkt dan we gewend zijn en ook de superioriteit mist van bijvoorbeeld zijn Calaf uit dezelfde periode. Aan de andere kant: welke hedendaagse Pinkerton slaagt erin zo ver boven de noten uit te stijgen? Dat ik altijd een groot bewonderaar van Björling ben geweest, mag duidelijk zijn. Een van mijn eerste platen was zelfs een ep'tje waarop hij vier aria's van Puccini zong. Kort daarna ontdekte ik twee singletjes, de eerste met duetten met de onlangs overleden sopraan Hjördis Schymberg (Rigoletto en La Bohème), de tweede met aria's uit Faust en Roméo et Juliette van Gounod. Die vier fragmenten zijn gelukkig in deze box terug te vinden, samen met enkele andere onvergetelijke momenten (o.a. de aria uit La belle Hélène en Der Bettelstudent in het Zweeds), maar ook hier ontbreken helaas enkele RCA-opnamen, in het bijzonder de reeks duetten die hij in het begin van de jaren vijftig opnam met Robert Merrill, waaronder wellicht de populairste versie van het duet uit 'De Parelvissers', ooit de hit van 'Moeders wil is wet' en 'Arbeidsvitaminen'.
Montserrat Caballé
Franco Corelli
Voor de meeste operaliefhebbers geldt Kirsten Flagstad (1895-1962) als de zangeres met de 'grootste stem' van de twintigste eeuw. Die mening deelt de grote Duitse zangspecialist Jürgen Kesting. In zijn vierdelige Die grossen Sänger wijdt hij maar liefst tien volle pagina's aan de Noorse sopraan, waarbij hij zijn oordeel onderbouwt met talloze getuigenissen. Dat moet ook wel, want er zijn niet veel mensen meer die haar stem nog in het theater gehoord hebben en dat levert in dit geval zeker een probleem op. Muzikaliteit, techniek, persoonlijkheid en interpretatievermogen van Flagstad kunnen nog worden opgemaakt aan de hand van haar opnamen, maar de verhalen over haar fenomenale vocale volume zijn niet meer controleerbaar. Op het hoogtepunt van haar carrière moet Flagstad moeiteloos de grootste orkestrale climaxen de baas zijn geweest, en met 'moeiteloos' bedoel ik ook letterlijk 'moeiteloos', zonder haar stem ook maar enigszins onder druk te zetten. Het gevolg daarvan was - en dat is wel in haar opnamen te horen - dat zij na ieder fortissimo op basis van 'ontspannen' zingen een subtiel en kleurrijk piano kon realiseren, en dat is precies waar bijna iedere andere dramatische sopraan het laat afweten. Kesting analyseert één voorbeeld: de frase 'Er sah mir in die Augen' in de eerste akte van Tristan und Isolde, en constateert dat geen enkele zangeres uit later jaren erin geslaagd is de 'e' van 'Augen' na een dalende octaafsprong met een vol, goed geïntoneerd en fraai afgerond piano te zingen. Flagstad lukte dat wel, waarmee zij - aldus Kesting - gestalte gaf aan de uitspraak van Karajan: 'Zij zingt een piano als was het een fortissimo!' Het blijft een wonder dat die unieke stem pas tot ontplooiing kwam toen Flagstad na circa twaalfhonderd voorstellingen van zeventig verschillende rollen pas in 1932 haar eerste Isolde zong. Daarna zou het nog duren tot 2 februari 1935, eer zij bij haar Met-debuut als Sieglinde in Die Walküre de volledige omvang van die stem liet horen. Daarvoor geeft Kesting de verklaring dat het voordien eenvoudig niet nodig was geweest en zelf zou ik eraan willen toevoegen: het was zelfs beter dat zij zich al die tijd heeft ingehouden. In het gemiddelde Europese theater van die tijd, inclusief Bayreuth met zijn bijzondere akoestiek, en zeker bij de toen gebruikelijke omvang van de operaorkesten zou een 'uitzingende' Flagstad de balans van een normale voorstelling juist verstoord hebben, maar in de oude Met, die plaats bood aan 4660 toeschouwers, lagen de verhoudingen anders. Die zaal vroeg om 'grote stemmen' en de eerste optredens van Flagstad, eerst als Sieglinde en enkele dagen later als Isolde, moeten voor de aanwezigen een sensatie van de eerste orde zijn geweest. Van beide voorstellingen zijn geluidsbanden bewaard gebleven en het effect is inderdaad elektriserend! De vijf cd's in de ICON-box bevatten natuurlijk uitsluitend EMI-opnamen, maar die vormen al een rijkdom op zich. De laatste helft van deze selectie bestaat uit Wagner-opnamen met op de laatste cd bijna tachtig minuten uit haar monumentale Furtwängler-opname van Tristan und Isolde uit 1952. Soms klinkt zij daar zelfs iets te monumentaal, maar deze studio-opname is wel de meest bevredigende die zij van deze muziek heeft nagelaten. Mijn eigen voorkeur gaat uit naat twee andere EMI-opnamen: de slotscène uit Götterdämmerung in een opname onder Furtwängler uit 1948 en een ontroerend breekbare Dido van Purcell in een opname van de sterfscène onder Braithwaite uit datzelfde jaar. De fluwelen intensiteit waarmee Flagstad daar het recitatief 'Thy hand, Belina' inzet, is voor mij door geen andere zangeres geëvenaard. De grootste Wagner-zangeres van de eeuw als het ultieme voorbeeld van eenvoud en menselijkheid! De overige opnamen vormen een mengeling van voor- en naoorlogse opnamen met muziewerken van Bach, Händel en Gounod in imponerende maar soms ook louter curieuze vertolkingen, en met een groot aantal Scandinavische liederen. Wat mij betreft had EMI er rustig een cd aan mogen toevoegen met live-opnamen, bijvoorbeeld met delen uit de Tristan und Isolde uit 1937 onder Beecham die dat label eveneens op de plank heeft liggen. Nu doet dit portret denken aan de Venus van Milo: onvergelijkelijk maar onaf. O ja, en wie die Tristan onder Furtwängler nog niet kende, moet ook even naar Ludwig Suthaus luisteren. Flagstad was niet de enige grootheid in die jaren!
Mirella
Freni De opnamen die Freni voor EMI maakte, omspannen enkele decennia en laten haar horen in uiteenlopende rollen, van Mimì en Zerlina (in 1966 met haar latere echtgenoot Nicolai Ghiaurov als Don Giovanni) tot Aida en de Forza-Leonora, maar gelukkig maakte zij die laatste twee opnamen onder respectievelijk Karajan en Muti, en die legden met het orkest voldoende kracht in de partituur om eventuele vlakheden in de vertolking van Freni te kunnen compenseren. En eerlijk is eerlijk: ook als het misschien beter is de vier cd's niet achter elkaar te draaien, vocaal is het allemaal schitterend! Doordat haar vroege opnamen (vaak haar mooiste!) over verschillende labels verspreid zijn, ontbreken hier helaas enkele van haar belangrijkste rollen uit die periode: Susanna in Le nozze di Figaro en Nannetta in Falstaff. Wel horen we een aantal vroege opnamen van losse aria's, gedirigeerd door haar eerste echtgenoot Leone Magiera, en enkele los opgenomen duetten uit die periode met Nicoali Gedda. Meer dan alleen haar twee solo's uit La Bohème, de opera waarin zij al in de jaren vijftig Amsterdam veroverde, en die decennia lang haar visitekaartje zou blijven, was echter welkom geweest. Dit gebrek is een van de schoonheidsfoutjes die wijzen op weinig deskundigheid bij de samensteller van deze uitgave. Dat blijkt ook uit enkele lelijk abrupt afgebroken fragmenten (o.a. het tweede duet uit L'elisir d'amore) en helemaal uit het ontbreken van de helft van het 'kersenduet' uit L'amico Fritz in de opname met Luciano Pavarotti - en dat laatste is echt een misser van de eerste orde!
Een uitzonderlijk muzikale polyglot die zich thuis voelde in iedere taal, in iedere stijl en in ieder tenoraal stemvak behalve dat van de echte 'heldentenor'. Die handschoen past Nicolai Gedda (*1925), een Zweedse zoon van een Russische vader en in het begin van de jaren vijftig ontdekt door Walter Legge, die hem in eerste instantie inzette voor Back, Mozart en Pinkerton in Madama Butterfly. Snel daarna volgden het Franse repertoire, van Rameau tot Massenet, het Russische repertoire, de Duitse romantische opera (Lohengrin!), de Duitse operette, de 19de-eeuwse Italiaanse opera van Rossini's Barbiere tot Rodolfo in La Bohème, de Duitse, Franse, Russische en Scandinavische liedkunst en wat zich verder maar aanbood. Bij dat alles was de stem van Gedda uit duizenden te herkennen door een egaal, fluwelig timbre, een perfecte techniek en een vlekkeloze articulatie. Al die kwaliteiten bleven bovendien tot op hoge leeftijd behouden, zoals iedereen kan bevestigen die hem de afgelopen jaren nog in het theater of de orkestzaal gehoord heeft. Aan alle hierboven geschetste kwaliteiten kleeft echter ook een nadeel. Gedda is de volmaakte muzikale kameleon, maar bij al mijn bewondering heb ik toch vaak het gevoel dat zijn kleuren niet helemaal 'echt' over. Hij blijft altijd Nicolai Gedda in een volmaakte vertolking, maar echt overtuiging doet hij mij eigenlijk alleen in Russische muziek, het lyrische Franse repertoire (inclusief Benvenuto Cellini) en - heel opmerkelijk - de Duitse operette. Dat EMI hem een doos met maar liefst elf cd's gunde, is begrijpelijk. Afgezien van enkele uitstapjes - onder meer naar DG (Palestrina), RCA (Vanessa) en Scandinavische labels (vooral liederen) is hij dat label door de decennia heen trouw gebleven en uit de overdaad aan opnamen die hij maakte, horen we hier een genereuze selectie. Toch zal het al met al moeilijk kiezen zijn geweest en onvermijdelijk ontbreekt er dus het een en ander. Zo had ik dolgraag dat legendarische Franse recital uit 1953, waaruit nu slechts een enkele aria is opgenomen, compleet gehoord, en zo zal iedereen wel zijn wensen hebben. Laat ik daarom niet ondankbaar zijn: we horen hier ruim twaalf uur lang de stem van wellicht de muzikaalste en veelzijdigste tenor van de twintigste eeuw, aan het slot gevolgd door open en soms hilarisch interview uit 1995 met diverse muzikale illustraties. Daarin horen we details over het verloop van zijn carrière, anekdotes (onder meer over de Carmen onder Beecham), overpeinzingen over zowel zangtechniek als het moderne muziektheater, maar ook enkele opmerkelijke feiten. Zo vertelt Gedda onder meer dat Karajan en Legge hem in 1954 kort achter elkaar Ferrando in Così fan tutte als Bacchus in Ariadne auf Naxos hadden willen laten zingen. Een vreemde keuze die de stem van de jonge Zweedse tenor onherstelbaar had kunnen beschadigen. Al met al een heel bijzondere uitgave!
Walter Gieseking
Beniamino
Gigli
Tito Gobbi
Jascha
Heifetz In zijn toelichting bij het doosje met de zes cd's die EMI in de ICON-serie aan Heifetz wijdt, begint Julian Haylock met een analyse van de techniek van dit vioolfenomeen, waarbij hij vooral wijst of de sterke fysieke afstand tussen vingers en snaren en een stokvoering die 'meer in de diepte dan in de breedte' gaat: relatief korte streken in combinatie met een grote intensiteit. Op basis daarvan ontwikkelde hij een fenomenale techniek die uitmuntte door precisie. Ik draaide deze cd's kort nadat ik geluisterd had naar de recente Tsjaikovski-cd van Janine Jansen en met alle waardering voor onze landgenote: als zij in sommige oren 'romantischer' klinkt, kan dat wellicht als 'weker' vertaald worden (ik bedoel dat niet negatief, maar helaas heeft het woord 'week' in onze taal tegenwoordig een bijklank die niet mijn bedoeling is). Nog opvallender was echter het verschil in articulatie, want op dat punt blijft Heifetz toch de absolute grootmeester. Iedere noot lijkt bij hem een individuele waarde te krijgen zonder dat daarbij overigens sprake is van een gebrek aan legato. Een jaar of vijftien geleden bracht RCA in een tientallen cd's omvattende reeks alle opnamen van Heifeitz voor dat label op de markt (gelukkig maar, want zo'n project zou nu niet meer kunnen) en dus dringt de vraag zich op of deze EMI-doos wel zin heeft. Het antwoord is een volmondig 'ja' en niet alleen omdat voor menigeen die RCA-uitgave te omvangrijk en daarmee te prijzig is geweest. Wie toen wel de RCA-compilatie heeft aangeschaft, moet deze ICON-doos er namelijk meteen naast zetten - en wie nog weinig van Heifetz heeft, mag helemaal geen moment aarzelen. Hier vinden we enkele uitvoeringen die geen bewonderaar van deze violist mag missen, en dan denk ik op de eerste plaats aan de opnamen die Heifetz in de jaren dertig en veertig maakte met Barbirolli en Beecham. Vooral de sessies met Barbirolli (Tsjaikovski, Glazoenov, Mozart, Wienawski, Vieuxtemps) bleken uitzonderlijk door de chemie tussen beide musici. Natuurlijk, het zijn opnamen op leeftijd, maar ik heb genoten! Daarnaast biedt deze uitgave alles bij elkaar twee cd's met 'korte stukken', waarbij Heifetz begeleid wordt door diverse pianisten onder wie Benno Moiseiwitsch (Beethoven, Kreutzer-sonate) en Arthur Rubinstein (Franck, Vioolsonate in A). Opnamen met gouden randjes en alle respect voor de dubbings, maar dat geldt voor de hele uitgave!
Hans Hotter In de ICON-reeks mocht Hotter natuurlijk niet ontbreken en EMI eerde hem met zes cd's met opnamen uit de jaren vijftig, toen de zanger vocaal nog op zijn hoogtepunt stond. Daarbij moest men zich natuurlijk beperken tot het repertoire uit de eigen catalogus. Aan de andere kant is dat maar gelukkig, want het betekent in ieder geval dat we een paar van Hotters beste en belangrijkste opnamen hier integraal horen. Om te beginnen een Winterreise die hij in mei 1954 in London opnam met Gerald Moore aan de vleugel. Om de een of andere reden is die opname mij altijd ontgaan, maar de verrassing was des te groter. Niet 'mooi' (Hotter, met zijn kruidige, soms ook ietwat astmatische bas-bariton zong niet 'mooi'), niet gelikt, niet gepolijst, maar wel heel direct, van een ontstellende eerlijkheid en aangrijpend in ieder woord, iedere noot en iedere kleurnuance. De verstilling waarmee hij in Der Leiermann Schuberts cyclus besluit, komt zelfs na de 23 voorgaande liederen nog over als een mokerslag. Een niet minder indrukwekkende voltreffer is de laatste,
geheel aan de opera gewijde cd. Na een fragment uit
Der Mond van Orff en twee monologen uit Die Meistersinger
von Nürnberg vinden we daarop de twee grote Wagner-scènes
die Hotter in 1957 onder Leopold Ludwig opnam met
een relatief jonge Birgit Nilsson als zijn partner.
Het duet uit Der fliegende Holländer en de bijna
veertig minuten durende slotscène uit Die Walküre
(vanaf 'War es so schmählich') behoren voor mij
tot het beste wat Hotter ons heeft nagelaten, maar
ook tot de indrukwekkendste opnamen die ooit van deze
muziek gemaakt zijn. Mede dankzij Leopold Ludwig,
het Philharmonia Orchestra en natuurlijk de onvergelijkelijke
producer Walter Legge! Een derde reden om deze box aan te schaffen is de vijfde cd met liederen van Wolf, wederom met Moore aan de vleugel, terwijl twee andere cd's met liederen gevuld zijn met andere composities van Schubert (o.a. Schwanengesang) en met liederen van Grieg, Schumann, Loewe, Brahms en Pfitzner. Brahms vinden we ook op de eerste cd met onder meer de Vier ernste Gesänge en een deel uit Ein deutsches Requiem, nadat die cd geopend is met Ich habe genug (BV82) van Bach in een opname uit 1950 en daarmee het oudste fragment in deze indrukwekkende verzameling.
Fritz Kreisler
Artur Schnabel
Andrés
Segovia De verschijning van een doosje met drie cd's in de ICON-serie met een zeer leesbare biografie werd daarmee een verrassende ervaring. Het belangrijkste was echter dat de frisheid en de kracht van Segovia's spel na al die jaren nog onverminderd aanwezig waren, met aanmerkelijk meer diepte in de klank dan ik me herinnerde. Aan de andere kant laten de cd-dubbings geen twijfel bestaan over het feit dat het hier zonder uitzondering 78t-opnamen betreft, afkomstig uit de jaren 1827-1839 (cd 1 en 2) en 1949 (cd 3). Dat de derde cd iets minder achtergrond heeft dan de beide andere, is logisch (het betreft hier trouwens dubbings die werden gemaakt door Testament), maar het valt te prijzen dat de technici die voor deze heruitgave verantwoordelijk zijn, niet gepoogd hebben meer groefruis uit de oudere opnamen te verwijderen. Het zou zonder twijfel de gitaarklank hebben aangetast en daarmee deze uitgave van een deel van zijn waarde hebben beroofd. In de toelichting wordt niet alleen de loopbaan van Segovia uit de doeken gedaan, maar ook het feit dat het toenmalige HMV in de Abbey Road Studio voor de opnamen uit de jaren 1927-1939 een bandmicrofoon inzette. De toelichting zegt daarover: 'many consider the resulting mellow sound the most natural and realistic ever achieved; it is certainly suited to the subtle colours of the guitar.' Beide mededelingen neem ik graag voor waarheid aan. De rijkdom waarmee de opening van de eerste cd, een bewerking door Segovia van de gavotte uit Bach's derde vioolsonate, uit de luidsprekers komt, is zonder meer exceptioneel, ook voor een opname die niet in 1927 ontstaan zou zijn! Vreemd genoeg klinkt de volgende track, een bewerking door Ponce van de prelude uit de eerste cellosuite, iets dunner en meer gedateerd, ondanks het feit dat die opname acht jaar later ontstaan is, maar daarmee zijn wel meteen de klanktechnisch uitersten van deze vooroorlogse opnamen bepaald. En verder? Drie uur gitaarfeest! (Voor het repertoire verwijs ik naar de EMI-site - zie de link hierboven - waar de complete track-indeling te vinden is.)
Giuseppe di Stefano In de ICON-reeks heeft EMI nu een doosje uitgebracht met drie cd's waarop we een aantal van Di Stefano's beste opnamen voor dit label horen, waaronder een reeks opnamen uit de periode 1947-1957 - en laat ik er meteen aan toevoegen: in een van de beste digitaliseringen die ik tot nu toe van die opnamen uit die periode gehoord heb. Ze deden mij meteen denken aan de dubbings van Testament en waar het de losse aria's en liederen betreft, zijn het die ook! Het enige nadeel is dat dit procédé ook het verschil in opnamekwaliteit tussen de diverse fragmenten onderling beter hoorbaar maakt, maar dat 'nadeel' neem ik graag op de koop toe. Op drie cd's vinden we aria's en duetten uit diverse opera's die Di Stefano in de loop van de jaren vijftig voor EMI opnam, maar ook aria's uit de Londense sessies met Alberto Erede (1947) en een paar Italiaanse liederen en Siciliaanse volksliedjes. Het belangrijkste onderdeel van deze verzameling wordt echter gevormd door de vijf duetten (Iris, Otello, Carmen, Parelvissers en Faust - alle in het Italiaans) die de Sicilaanse tenor in 1957 opnam met de door de platenindustrie zwaar ondergewaardeerde Rosanna Carteri. Voor andere labels heeft Di Stefano in die periode weinig opgenomen, dus het overzicht is redelijk compleet, al valt er nog minstens een hele cd samen te stellen met fragmenten uit L'elisir d'amore en Mefistofele (Decca) en met de onvergetelijke hoogtepunten uit La Bohème die hij nog in het 78t-tijdperk voor RCA vastlegde met onder meer Licia Albanese en Leonard Warren. Ik ken die laatste opnamen ook inderdaad alleen van 78t-platen en van uitgaven in het 'grijze circuit', dus hier is absoluut sprake van een lacune! Dat neemt niet weg dat EMI ons hier trakteert op drie cd's vol vocaal goud van de eerste orde - en met alle waardering voor de tenoren van dit moment: als je dit hoort, blijft het toch eigenlijk toch maar behelpen!
Menuhin &
Grappelli
Lucia Popp
Richard Tauber index | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||