|
CD-recensie
© Aart van der Wal, december 2011
|
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 7 in C, op. 60 (Leningrad) Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons RCO Live 06002 · 75' · (sacd) Live-opname, Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam., 19 en 22 januari 2006
We kennen de foto van Dmitri Sjostakovitsj als brandweerman op een dak in Leningrad (Sint-Petersburg) in september 1941 (zijn bijziendheid maakte hem ongeschikt voor het leger). Hij had zich aangesloten bij de vrijwillige brandweer van het plaatselijke conservatorium en was in die hoedanigheid best wel bereid om voor de fotograaf te poseren (er is zelfs een geluidsfragment van september 1941 met de stem van Sjostakovitsj uit het Russische omroeparchief bewaard gebleven: klik hier*)
Er zijn ook veel hartverscheurende foto's in de stad gemaakt nadat in de herfst van dat jaar de eerste Duitse bommen waren gevallen:
De Russische schrijfster Lidija Ginzburg (1902-1990) schreef 'Omsingeld', een fascinerend boek over het beleg van Leningrad door de Duitse oostfronttroepen dat bijna tweeënhalf jaar duurde: van 8 september 1941 tot 27 januari 1944. De inname van de stad maakte deel uit van het Duitse aanvalsplan dat onder de naam Operatie Noorderlicht bekend is geworden, maar ondanks bloedige gevechten en uithongering van de bevolking (er waren vormen van kannibalisme), lukte het de artillerie van de nazi's niet om de stad in handen te krijgen. De eerste drie delen van de Zevende symfonie ontstonden nog in Leningrad. Sjostakovitsj voltooide het werk in Kuibishev, waar de familie naar was uitgeweken. Volgens Volkov heeft de componist verklaard dat de symfonie het door Stalin vernietigde Leningrad als onderwerp heeft en dat Hitler de stad nog slechts de genadeklap hoefde uit te delen. Waar of niet waar, een feit is dat de Sovjetpropaganda het een afspiegeling vond van het lijden en het verzet van de bevolking van Leningrad tegen de Duitsers. In die zin maakte de symfonie evengoed deel uit van de goed geöliede propagandamachine als zoveel andere Sovjetkunst. En de Russische machthebbers hadden natuurlijk een sterk punt: al in het openingsallegretto dat al bijna een halfuur in beslag neemt, krijgen we in de onverbiddelijk voortschrijdende mars de heuse pastiche voorgeschoteld van 'Da geh' ich zu Maxim' uit Franz Léhars operette Die lustige Witwe, naast een duidelijke verwijzing naar Deutschland über alles. Ik heb het altijd lastig gevonden om los te komen van de uitvoering onder Jevgeni Mravinski (een nogal gebrekkige mono-opname van februari 1953, opgenomen in het 'hol van de leeuw', Leningrad), maar ik geef gelijk grif toe dat dit tevens te maken heeft met het typisch scherpe Russische koper uit die tijd. Wat deze symfonie vooral nodig heeft is een uitgesproken brutale alles-of-niets benadering die afrekent met het idee dat welluidendheid toch vooral een pre is. Dat is niet Jansons dirigeerstijl, die consequent dicht in de buurt van de esthetica blijft. Jansons trekt liever handschoenen aan dan dat hij vuile handen wil maken, wat een beeld oplevert dat mij niet op alle fronten heeft overtuigd. Zijn tot in de kleinste details uitgewerkte aanpak levert maximale controle op, maar daaraan wordt wel de 'schwung' opgeofferd die wel degelijk in deze muziek huist. Hoezeer hij de mars ook bijna uit het niets laat ontstaan (niemand verbetert hem dit), het is toch jammer dat het raffinement het onder zijn handen herhaaldelijk wint van het banale . De balans in de opname heeft me niet op alle punten overtuigd: zo miste ik soms de kruidige trekjes van de houtblazers en heeft iemand besloten om de bij de strijkers opgestelde microfoons wat verder dan nodig open te zetten (of die bij de houtblazers terug te nemen: het is maar hoe je het bekijkt). Maar hoe het ook zij, heldere houtblazers en overheersende violen gaan nu eenmaal niet samen (dat geldt ook voor de tutti!). ______________
** Testimony, the Memoirs of Dmitri Shostakovich, as related to and edited by Solomon Volkov, 1979 index |