|
CD-recensie
© Aart van der Wal, januari 2012
|
Krenek: Symfonie nr. 4 op. 113 (1947) - Volker Worlitzsch (viool), Dimitar Penkov (altviool), Nikolai Schneider (cello) (op. 25), CPO 777 210-2 · 58' · Opname: Grosser Sendesaal van de NDR, Landesfunkhaus, Niedersachsen (D), 02/03-2006
Mooi dat de componist Ernst Krenek (1900-1991) bij sommige platenmaatschappijen in de belangstelling staat (zie de besprekingen elders op onze site). En dat ondanks de 'crisis'! Maar ik neem gelijk weer wat gas terug want Krenek schreef maar liefst zo'n 240 werken, waarvan het merendeel nooit de platenstudio, laat staan de concertzaal, heeft bereikt. Te modern voor onze eigentijdse smaken, of juist te ouderwets? De Vierde symfonie schreef Krenek in 1947, twee jaar nadat hij Amerikaans staatsburger was geworden. Het werk neemt ongeveer een halfuur in beslag en verwijst naar vorm en inhoud duidelijk naar de klassieken: de opzet is driedelig, met in de beide hoekdelen duidelijk herkenbare 'restanten' van de sonate- en rondovorm. Krenek zei er later zelf over dat de symfonische vorm tot en met Gustav Mahler zijn tijd al lang en breed had gehad en dat pogingen van zijn eigentijdse collegae hem in die opvatting eerder hadden gesterkt. Dat schreef de componist die een kwarteeuw eerder, in 1922, zijn Tweede symfonie nog had geschreven in de typisch laatromantische Mahler-Strauss-traditie. De stap in de jaren veertig naar de twaalftoonstechniek paste uitstekend in Kreneks kameleontische wendbaarheid als componist, zij het dat hij die niet klakkeloos toepaste maar in verbinding bracht met de polyfonie van de Nederlandse vijftiende- en zestiende-eeuwse meesters op dit vlak zoals Jacob Obrecht, Johannes Ockeghem en Josquin des Prez. Dat die Vierde symfonie in 2006 door CPO kon worden vastgelegd mag best een meevaller worden genoemd. Het manuscript was 'ergens' uit het zicht verdwenen en niemand die nog kon bevroeden dat het op een goede dag alsnog zou opduiken. Maar zo'n vijf jaar geleden gebeurde dat toch: CPO ontving het bericht van het Krenek-Instituut dat de aan de door dirigent en componist Dimitri Mitropolous bij Krenek bestelde en aan hem opgedragen partituur (Mitropoulos dirigeerde de wereldpremière in New York, in 1947) in Amerika was teruggevonden en dat daarmee de voltooiing van het project, dat na de Derde symfonie was gestrand, alsnog in zicht kwam. Het Concerto grosso op. 25 ontstond in 1924, vrij kort na de reeds genoemde Tweede symfonie. Daarmee zitten we midden in het neoclassicisme. Geen wonder dus dat hij zich in die zin verbonden voelde met Igor Stravinsky en dan in het bijzonder diens Pulcinella, waarvan hij de door de componist zelf samengestelde suite voor het eerst hoorde in Winterthur, op 19 december 1923. Hij schreef er later over dat hij op dat tijdstip klaar was voor een heroriëntatie, zoals die zich ook bij collega's als Paul Hindemith aankondigde. De solistische bijdragen zijn geraffineerd uitgewerkt, met een fraaie contrastwerking tussen ripieno en het concertino (viool, altviool en cello), al wordt er veelvuldig leentjebuur gespeeld bij Bachs Brandenburgse concerten: het openingsritornello lijk zo van het Eerste Brandenburgs concert te zijn weggelopen. We mogen CPO gelukkig prijzen met deze Krenek-serie (de symfonieën 1, 2, 3 en 5 waren reeds verkrijgbaar). Als de uitvoering daarvan even goed is als bij deze Vierde en het Concerto grosso het geval is, is er geen enkele reden tot klagen; en zeker niet in dit klankgewaad, met dank aan de opnametechnici die deze best wel lastige materie uitstekend hebben vastgelegd: met name het Concerto grosso vereist veel zorg voor de juiste balans tussen concertino en ripieno. index |