www.opusklassiek.nl

CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2006

 

Johann Sebastian Bach

Cantates door Ton Koopman

deel 12:

11 cantates van de Leipziger tweede jaargang (1724-1725)

 

Ton Koopman

"Liebster Gott, wenn werd ich sterben?" BWV 8 (*)  
"Jesu, der du meine Seele" BWV 78  
"Gelobet seist du, Jesu Christ" BWV 91  
"Was Gott tut, das ist wohlgetan" II BWV 99  
"Was willst du dich betrüben" BWV 107  
"Was mein Gott will, das g'scheh allzeit" BWV 111  
"Ach, lieben Christen, seid getrost" BWV 114  
"Du Friedefürst, Herr Jesu Christ" BWV 116  
"Christum wir sollen loben schon" BWV 121  
"Meinen Jesum laß ich nicht" BWV 124  
"Ach Herr, mich armen Sünder" BWV 135  
(*) + appendix  

Lisa Larsson en Sibylla Rubens (sopraan); Annette Markert (alt); Christoph Prégardien (tenor); Klaus Mertens (bas); The Amsterdam Baroque Orchestra & Choir o.l.v. Ton Koopman (orgel & klavecimbel).

Antoine Marchand/Challenge Classics CC72212 (3) · 63' + 57' + 74' ·

www.challenge.nl


Het twaalfde deel uit deze serie werd onlangs opnieuw uitgebracht. Daarmee zijn de al eerder bij Erato verschenen delen 1 t/m 12 nu onder Ton Koopmans eigen label Antoine Marchand Records (een sublabel van Challenge Classics) ondergebracht en op de markt verschenen. Ik heb de cantates uit o.a. de tweede jaargang in eerdere recensies al uitvoerig besproken en volsta daarom met een kort overzicht.

In de cantates van de tweede jaargang ruimde Bach meer plaats in voor de literaire aspecten en een consequente muzikale invulling daarvan. In tegenstelling tot de turbulente eerste jaargang, die vooral in het teken stond van een beperkte voorbereidingstijd, had hij nu meer gelegenheid om zich op de komende tweede jaargang te concentreren en was het moment aangebroken dat hij vanaf de eerste zondag na Pinksteren voor het eerst een werkelijk complete jaarcyclus kon gaan concipiëren. De koralen in de cantates zouden worden ingericht naar het tijdstip van het kerkelijk jaar, waarbij de eerste en laatste verzen werden gestoeld op de eerst en laatste strofen van de lutherse kerkliederen. Zij vormden aldus de openings- en slotdelen van de cantate en vandaar de benaming koraalcantate. De overige onderdelen van de cantate (recitatieven en aria's) waren niet aan specifieke richtlijnen gebonden en werden aldus in een vrije stijl gecomponeerd naar voorhanden zijnde poëzie. Daarmee was Bach tevens de grondlegger van die koraalcantate.

Het slotdeel van de koraalcantate was merendeels weliswaar niet meer dan een eenvoudige vierstemmige harmonisatie, maar ook dan had de componist voor zijn toehoorders menige verrassing in petto, waarbij pregnante dissonanten niet werden geschuwd. Ook als het om het uitzetten van een tamelijk conventioneel parcours ging, is Bachs componeertrant origineel en menigmaal zelfs gedurfd. Maar ook in breidde Bach de door hem al zo beproefde cantus-firmus techniek verder uit en nam de rijkdom ervan beduidend toe. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de koraalmelodie 'Tröste mir, Jesu, meine Gemüte' in BWV 135, die aan de tenor is voorbehouden. Het is karakteristiek voor Bachs componeren dat hij uit relatief eenvoudige basismiddelen een schitterend muzikaal boeket met grote diepgang wist te smeden.

Vanzelfsprekend hadden ook de op vrije poëzie gestoelde cantateteksten een theologische achtergrond, waarbij Bach sterk hechtte aan een consistente benadering die uitging van de symbiose tussen koraaltekst en vrije tekst. De cantates waren immers bestemd voor kerkelijk gebruik en er kon geen sprake van zijn dat reguliere en seculiere elementen met elkaar werden verbonden. Voor dit doel werkte Bach in Leipzig samen met Andreas Stübel, de theologisch goed geschoolde, inmiddels gepensioneerde conrector van de Thomasschool, die tevens bekend stond als cantatedichter. Hoe hecht die samenwerking is geweest moge blijken uit de abrupte beëindiging van de cyclus van koraalcantates na het onverwachte overlijden van Stübel in januari 1725.

Stübels dood dwong Bach om voor de rest van het kerkelijk jaar naar een passende oplossing te zoeken. Voor de eerste paasdag van 1725 nam hij zijn toevlucht tot een voor die gelegenheid geschikte, oude cantate ('Christ lag in Todes Banden' BWV 4) en vond vervolgens voor de tot Pinksteren geplande cantates althans enige aansluiting bij gedichten van Christiane Marianne von Ziegler, dochter van de vroegere burgemeester, Franz Conrad Romanus. Echt enthousiast zal hij over haar werk niet zijn geweest, want hij wijzigde haar teksten ingrijpend en zou er later zelfs in het geheel geen gebruik meer van maken.

Ondanks deze gevoelige tegenslag behoort de periode tussen juni 1724 en april 1725 tot Bachs meest productieve 'cantatejaar', met gemiddeld niet minder dan wekelijks een cantate. Dat zijn productie eigenlijk aanmerkelijk hoger uitkwam kwam voort uit de extra cantates die Bach componeerde voor de vele kerkelijke feestdagen in het jaar. De noodzaak om aan passende teksten te komen was minder groot dan het mogelijk lijkt, aangezien de voor de kerkelijke zon- en feestdagen bestemde teksten vanaf de zondag na Pinksteren tot en met Maria-Boodschap al geschreven waren en gebruikt konden worden. Sommige daarvan konden zelfs buiten beschouwing blijven omdat er in 1725 geen sprake was van een vierde zondag na Driekoningen en een zevenentwintigste zondag na Pinksteren.

De musicoloog en Bach-kenner Christoph Wolff achtte het desalniettemin onwaarschijnlijk dat Bach de cantatecyclus van de tweede jaargang heeft voltooid. De Thomascantor vulde de cyclus in de zomer van 1725 eerst aan met BWV 137 en vervolgens in het daaropvolgende jaar met BWV 129, beide van het zogenaamde per omnes versus type (bestaande uit uitsluitend ongewijzigde koraalverzen), later nog gevolgd door - in die volgorde - BWV 112, 177 en 14. De niet-koraal gebonden cantates die Bach als een noodoplossing had uitgevoerd in het lopende kerkelijk jaar en die feitelijk bij de koraalcantates uit de toon vielen nam de componist op in de derde jaargang (1725-1726).

Uitvoering

De cantates van deel 12 werden zonder uitzondering reeds in maart 2000 in de Waalse Kerk te Amsterdam opgenomen, in een niet te droge, maar ook niet te ruime akoestiek, waardoor stemmen en instrumentarium onder de vakkundige ogen en met de gespitste oren van opnametechnicus Adriaan Verstijnen en producer Tini Mathot (echtgenote van Ton Koopman) een prachtig reliëf hebben. Dit is een van mooiste opnamen van de Bach-cantates überhaupt.

Hoe staat het met de uitvoering? De beoordeling geldt primair de door Koopman cum suis gekozen uitgangspunten voor het historiserend of zo u wilt authentiek musiceren, met naar mijn mening toch de klemtoon op de juiste toepassing van de retorica als zeer wezenlijk stijlelement voor de muziek uit de barokperiode. Hoe mooi er ook wordt gespeeld en gezongen, als het niet klopt is toch veel vergald. Het historisch besef is alleen een waardevolle component in de vertolking als het meer op kennis van zaken en minder op speculatieve aspecten is gestoeld. Niemand zal kunnen ontkennen dat Koopman veel werk heeft gemaakt van de uitvoeringspraktijk in Bachs tijd en dat hij de vruchten daarvan in zijn cantateserie heeft toegepast. Daar komt dan nog een buitengewoon doorzichtige musiceertrant bij, alert en levendig, met waarlijk grandioze soli in alle orkestgeledingen. De koorpartijen zijn eveneens zonder uitzondering homogeen bezet, met een mooie samenklank en zuivere intonatie. Zo bezien had Bach het zich toch niet beter kunnen wensen. Uitvoeringen zoals deze maken weer eens goed duidelijk dat Bach in Leipzig over excellente instrumentalisten en vocalisten moet hebben beschikt, want de schittering die van deze cantates afstraalt verzandt in een dof en groezelig geheel als de ensembleklank niet klopt en de soli in de grondverf blijven steken. Hier zindert en gonst het dat het een lieve lust is en is Koopmans spirituele directie er goed hoorbaar op gericht om de religieuze teksten met instrumentale panache te omringen. Bevlogen musiceren dus, met de dirigent zelf - als ware hij Bach zelf - al even zwierig en herscheppend aan orgel en klavecimbel.

Het solistenteam is in alle mij bekende cantateseries het zwakke punt. Het kan zogezegd vriezen of dooien, zoals het ook met de beurskoersen gaat. Voor alle duidelijkheid: dat geldt ook voor Suzuki (BIS) en Gardiner (Archiv en Soli Deo Gloria), al moet worden gezegd dat Gardiners solistenteam aan kracht heeft gewonnen en zijn dirigeerstijl gelijkmatiger is geworden. Suzuki heeft vooral in de beginperiode te kampen gehad met een ronduit zwak solistenteam en stond het ook niet consistent recht onder elkaar. We hoeven geen overdreven chauvinisme uit te stralen, maar wat van verre wordt gehaald is zeker niet altijd lekkerder (beter). We mogen op Koopman best trots zijn, middelmatigheid is niet zijn stiel en zijn visie op de uitvoering van Bachs cantates komt ver boven het maaiveld uit.

Klaus Mertens is hier de enige echte rots in de branding, men kan zich op zijn tekstbehandeling en vocalistiek verlaten en het leidt geen twijfel dat Christoph Prégardien in zijn recitatieven en aria's eigenlijk niet te overtreffen valt, al stoort incidenteel zijn neiging tot overmatig vibreren (BWV 135).

Ik hoorde Lisa Larsson vorig jaar in de Thomaskerk in Leipzig in de Hohe Messe onder Herbert Blomstedt en was diep onder de indruk van haar vocale en interpretatieve kwaliteiten, maar dat niveau haalt ze in de cantates niet: in hoge ligging wankelt hier soms de basis, is er een dunne klank met scherpe contouren. Annette Markert zingt met geprononceerde borsttonen en dat leidt onvermijdelijk tot overaccentuering, hoewel zij zeker een alt van formaat is die ook begrijpt wat ze zingt en daaraan overtuigend expressief gestalte geeft.

Desalniettemin is dit een zeer respectabel geheel dat iedere andere mij bekende uitgave vooralsnog overtreft. Wie in deel 12 investeert zal er zeker geen spijt van krijgen, is mijn verwachting. De opname is volstrekt superieur en een feest op zich.

Literatuurverwijzing

Er is overstelpend veel literatuur over Bachs cantates verschenen, maar de onderstaande vijf boeken gaven mij zowel veel leesplezier als nader inzicht in deze toch wel tamelijk weerbarstige materie.

Alfred Dürr: Johann Sebastian Bach - Die Kantaten (Bärenreiter, 2000)
Hans Conrad Fischer: Johann Sebastian Bach (Boekencentrum, 2000)
Nikolaus Harnoncourt: Der musikalische Dialog (Residenz Verlag, 1984)
Nikolaus Harnoncourt: Musik als Klangrede (Residenz Verlag, 1982)
Christoph Wolff, Ton Koopman e.a.: De wereld van de Bach-cantates (3 delen) (Uniepers, 2003)
Christoph Wolff: Johann Sebastian Bach (Bijleveld, 2000)

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links