|
CD-recensie
© Aart van der Wal, november 2005
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
Sandrine Piau en Johannette Zomer (sopraan); Bogna Bartosz en Nathalie Stutzmann (alt); James Gilchrist en Christoph Prégardien (tenor); Klaus Mertens (bas); The Amsterdam Baroque Orchestra & Choir o.l.v. Ton Koopman (orgel).
Deze nieuwe cd-uitgave, deel 20 en daarmee bijna aan het einde van een lange reeks (er zijn nog twee delen te gaan), bevat cantates van de vierde jaargang in Leipzig (1728-1729) en van rond 1730. De meeste cantates van deze jaargang gingen helaas verloren, maar uit hetgeen ons resteert komt Christian Friedrich Henrici, beter bekend onder de naam Picander (1700-1764), als tekstdichter sterk naar voren. Picander zag het levenslicht in Stolpen, studeerde in Wittenberg en woonde vanaf 1720 in Leipzig, eerst als privéleraar, vervolgens als beheerder van een postkantoor en tenslotte als gemeentelijk manus ministra die belastingen inde en door de boeren in de omgeving geproduceerde wijn controleerde. Hij was muzikaal, bespeelde een instrument en was lid van een 'Musikkollegium' (wellicht dat van Bach). Aan het begin van zijn literaire loopbaan in Leipzig schreef Picander vooral satirische, polemische en zelfs tamelijk erotische teksten, wat her en der op zeker niet geringe weerstand stuitte. Kortom, hij ontpopte zich als een soort Karl Kraus, maar in tegenstelling tot deze Weense satiricus zocht Picander zijn heil vervolgens in religieus getint dichtwerk, zoals de in 1725 verschenen "Sammlung erbaulicher Gedancken, bey und über die gewöhnlichen Sonn- und Festtags-Evangelien", een combinatie van alexandrijn en strofegedicht met als basis een bekend kerklied. Volgens Dürr dateert het begin van de samenwerking tussen Bach en Picander uiterlijk van dat jaar. Bach had al eerder van teksten van Picander gebruik gemaakt, zoals in de wereldlijke cantates "Zerreiβet, zersprenget" BWV 205 en "Entfliehet, verschwindet" BWV 249a, maar ook in de kerkcantates "Bringet dem Herrn Ehre seines Namens" BWV 148 (september 1723 of later) en "Es erhub sich ein Streit" BWV 19 (september 1726). Picander-teksten komen we ook tegen in het Weihnachtsoratorium en de Matthäus-Passion.
Picander was weliswaar een middelmatig dichter maar wel een uitstekende librettist die in korte tijd als het ware op afroep het dichterlijk-religieuze maatwerk kon leveren dat Bach voor een nieuwe cantate verlangde. Maar Picander was ook de ware parodist par excellence die moeiteloos een nieuwe tekst uit zijn mouw schudde voor al eerder door Bach geschreven muziek. Die bedrevenheid ging zo ver dat nu nauwelijks nog valt uit te maken welke tekst origineel dan wel parodie is. Er hoeft niet aan te worden getwijfeld dat Bach ook in de vierde jaargang in Leipzig een veel groter aantal cantates heeft gecomponeerd en uitgevoerd dan is bewaard gebleven (BWV 145, 149, 156, 159, 171, 174, 188, 197a). Dat Picander als tekstdichter een essentiële rol heeft gespeeld lijkt ook vast te staan. In het voorwoord van "Cantaten auf die Sonn- und Fest-Tage durch das gantze Jahr" schrijft Picander op 24 juni 1728: "Ich habe solches Vorhaben desto lieber übernommen, weil ich mich schmeicheln darf, daβ vielleicht der Mangel der poetischen Anmuth durch die Lieblichkeit des unvergleichlichen Herrn Capell-Meisters, Bachs, dürfte ersetzet, und diese Lieder in den Haupt-Kirchen [Picander doelt op St. Thomas en St. Nikolai] des andächtigen Leipzigs angestimmt werden." De datering komt overeen met het begin van Bachs vierde jaargang, op de eerste zondag na Trinitatis.
Over een vijfde jaargang in Leipzig bestaat geen eenduidigheid. Bach-kenner Alfred Dürr sluit niet uit dat Bach in 1729-1730 zich hoofdzakelijk met andere muziekvormen wilde bezighouden en dat hij zich dit ook kon veroorloven aangezien hij inmiddels over meer dan voldoende gecomponeerde cantates beschikte die voor 'hergebruik' geschikt waren. De cantates die nog tussen 1730 en 1737 ontstonden waren bedoeld om nog bestaande lacunes in voorgaande jaargangen op te vullen. Voor de tweede jaargang waren dat de cantates BWV 9, 14, 112, 129, 137, 140, 177; voor de derde jaargang BWV 30 en 51. Dan is er nog een aantal parodiecantates bewaard gebleven naar aanleiding van bijzondere gelegenheden zoals huwelijk, overlijden, doop, raadswisseling, jubelfeesten, inwijding van het orgel enz. (BWV 29, 30(a), 34(a), 36(c), 69, 119, 120(a), 157, 190, 191, 193, 194, 195, 197). Om het fragmentarische beeld dan af te ronden zijn er nog de koraalcantates BWV 97, 100 en 192, en voor de tweede jaargang BWV 112 en 177. Historiserend musiceren In de bespreking van andere delen van deze cantateserie heb ik al het een en ander over de uitvoeringspraktijk in de achttiende eeuw opgemerkt en wie het overzicht nog eens wil bekijken, verwijs ik graag naar mijn artikel De kerkcantates van Johann Sebastian Bach en de historiserende uitvoeringspraktijk. De vraag is vanzelfsprekend hoe authentiek Ton Koopman in de uitvoering van de Bach-cantates te werk gaat. Ik citeer uit een artikel van Christiaan Weijts naar aanleiding van Koopmans gastdocentschap aan de Belgische faculteit der Kunsten:
Los van de vraag of het voor de hedendaagse beleving van Bachs cantates wel zo noodzakelijk is om de uitvoering in het keurslijf van meer dan tweehonderdvijftig jaar geleden te persen (een gedachtewisseling hierover zou al snel uitmonden in polemische uiteenzettingen), is het natuurlijk wel zo dat het streven naar historisering zijn beperkingen kent, waarbij de ene dirigent annex musicoloog de grenzen verder legt dan de andere. Koopman is, wat het historisch perspectief betreft, rekkelijk want hij zet voor de cantates een gemengd koor en dito solisten in, en dus geen jongensstemmen. We zien hier dus het bekende verschijnsel van een wel authentiek instrumentarium (of althans kopieën daarvan) en een zo effectief mogelijke toepassing van uit allerhande historische bronnen bekende muzikale retoriek, waarbij dan wat betreft het vocale aandeel een 'moderne' koers wordt gevaren. Bach zette 'bruikbare knapen' in, Koopman niet. Zo eenvoudig is het dus feitelijk. Ik heb al meer betoogd dat een dergelijke keuze van minder belang is dan een verantwoorde retoriek die teruggrijpt op Bachs eigen uitvoeringspraktijk. Ik denk dat zo langzamerhand op dit punt het maximale is bereikt in die zin dat de kennis hierover zowel een wetenschappelijke basis heeft als muzikaal wordt toegepast. Daarbij staat Koopman al jaren in de voorste linies en wordt hij alom geprezen om zijn onvermoeibare inzet voor Bachtreue in de beste (maar niet per se enig juiste) betekenis. Uitvoering
De heren excelleren eveneens op hoog niveau. De tenor James Gilchrist heeft evenals zijn collega Christoph Prégardien het ideale stemtype voor deze cantates, maar hij maakt er ook puur muzikaal werkelijk het beste van. Beide tenoren onderscheiden zich door een fantasierijke, maar stevig in de barokke retorica verankerde benadering van deze partituren. De bas Klaus Mertens kennen we inmiddels als de ware rots in de branding, hij heeft zich in de loop der jaren met grote souplesse Bachs idioom geheel eigen gemaakt en daarvan legt hij consistent inspirerend getuigenis af. Hier geen vocale echt zwakke punten dus? Nathalie Stutzmann is en blijft voor mij een lastig te verklaren keus. Zij is ditmaal alleen van de partij in "Herr Gott, Beherrscher aller Dinge" BWV 120a, in het duet met James Gilchrist, 'Herr, fange an und sprich den Segen', een aria van ruim zeven minuten, en dat is op het geheel beschouwd zeker wel overzienbaar, maar toch... Zij beschikt niet alleen over een échte altstem (geen mezzo), maar die is bovendien van het 'manlijke' type, log en zwaar in dit repertoire. Ze zou zó in Mahlers Urlicht of O Mensch! Gib Acht passen. Stutzmann is in mijn beleving werkelijk de laatste die ik graag met Bachs cantates zou willen associëren, terwijl Bach zelf nota bene alleen - ik herhaal het nog maar eens - 'bruikbare knapen' inzette. Het verschil is wel érg groot. Koopman staat in zijn keuze overigens niet alleen want ook zijn collega John Eliot Gardiner heeft Stutzmann in zijn cantateserie in zijn 'solistenpakket'. Welke overwegingen tot de betrokkenheid van Stutzmann hebben geleid weet ik dus niet, maar dat hoeven niet per se uitsluitend muzikale zijn geweest. Down to earth kan het bijvoorbeeld een puur logistieke of contractuele kwestie zijn geweest, maar hoe het ook zij, ik zou voor haar niet hebben gekozen, hoezeer ik ook bewondering heb voor haar vocale kwaliteiten, in geheel ánder repertoire. Koopman is gepokt en gemazeld in de historiserende uitvoeringspraktijk en bovendien een in hoog aanzien staande musicoloog. Sommigen zullen misschien een visie met nog meer diepgang voorstaan, maar samenvattend is dit echt musiceren op hoog niveau, van instrumentale jubelzangen tot grootse momenten van inkeer, met het koor in grote vorm. Van de blazers noem ik Alfredo Bernardini (oboe d'amore, BWV 9), Andrew Clark (hoorn, BWV 14), Wouter Verschuuren (fagot, BWV 149), Wilbert Hazelzet (dwarsfluit, BWV 9) en natuurlijk de kwinkelerende organist Ton Koopman in BWV 29 en 120a. Sommigen zullen misschien van Koopmans visie op de cantates van Bach wat meer diepgang verlangen, maar dat er geïnspireerd wordt gemusiceerd staat vast. In deze hosanna-stemming moet u wel bedenken dat in een dergelijk enorm en over vele jaren verdeeld project niet voortdurend de Parnassus wordt bereikt en dat er vanzelfsprekend incidentele inzinkingen te melden zijn. Hier musiceren mensen van vlees en bloed, met hun goede en minder goede dagen, maar die wèl binnen een strak opnamenchema moeten presteren, 'weer of geen weer'. Tijdens de vele repetities moet de motor steeds weer worden opgeladen en dat is geen vanzelfsprekendheid, zoals zo veel mensen denken. Zo presteert Sandrine Piau in deze uitgave zeer goed, maar soms is er dat moment dat haar stem in het lage bereik minder kernachtig is, even wat présence mist en aan glans inboet, maar dergelijke kortstondige momenten hebben slechts een marginale invloed op haar vertolking. Klaus Mertens maakt met zijn beheerste voordracht daardoor juist des te meer indruk en dat hij dan incidenteel minder trefzeker is, legt bij al dit fraais geen gewicht in de schaal. De opname was weer in de goede handen van Adriaan Verstijnen en dat is goed te horen: transparant, met een goede definitie en in de juiste balans wanen we ons dichtbij, in de Amsterdamse Waalse Kerk. Samenvattend: producer Tini Mathot, Tons echtgenote, heeft weer het zoveelste wonderwerk afgeleverd, jaar in, jaar uit. Toch wel iets om even bij stil te staan. Alles mit Gott... BWV 1127 John Eliot Gardiner had de primeur van de eerste uitvoering op cd (zie de recensie). Het uit twaalf strofen bestaande gedicht van de ambtenaar Johann Anthon Mylio uit het zo'n vijfentwintig kilometer ten noorden van Weimar gelegen Buttstadt was bestemd voor de 52ste verjaardag van diens broodheer, de hertog. Op zich leek dit geen bijzondere vondst te zijn, maar dat werd anders toen de laatste twee bladzijden - die door de auteur oorspronkelijk blanco waren gelaten! - een weliswaar in eerste aanleg onbekend ogend handschrift van een strofenaria werd aangetroffen, maar aan de hand van onder andere de zwierige vioolsleutel al snel het handschrift van Johann Sebastian Bach werd herkend. Men kan zich voorstellen dat de verbijsterde Maul de adem in de keel stokte. Na enigszins van de schok bekomen te zijn, sloeg de twijfel toe, maar zijn conclusie werd op 6 juni bevestigd door de Bach-specialist Peter Wollny, een handschriftdeskundige bij uitstek, die er geen enkele twijfel over liet bestaan: "Een echte voltreffer, de belangrijkste vondst sinds vele decennia." Nog diezelfde avond knalden de champagnekurken en werd na overleg met de directeur van het Bach-Archiv, professor Christoph Wolff, om de volgende dag de gedane ontdekking in een persconferentie bekend te maken. Daarna stond de telefoon niet meer stil en regende het e-mails en faxen, want de muziekwereld wilde toch wel het naadje van de kous weten. We zijn inmiddels dus een BWV-nummer rijker: 1127! Precies zeven weken na de officiële openbaarmaking van de vondst bevonden John Eliot Gardiner cum suis zich al in een Londense opnamentudio om het werk voor zijn eigen label, Soli Deo Gloria (het motto van Bach, Alleen Ter Ere van God) vast te leggen. De aanleiding voor Bach om de ode te componeren mag dan feestelijk zijn geweest, duidelijk is wel dat hij het stuk voor een kleine bezetting heeft geschreven en dat hier geen sprake kon zijn van 'Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten'. Inmiddels weten we ook dat Bach de leeftijd van de hertog met 52 basnoten symboliseerde: dat is althans welgeteld het aantal in het aan de eigenlijke aria voorafgaande (instrumentale) voorspel. Van de twaalf strofen nam Gardiner er drie op en Koopman vier, hier uitstekend gezongen door de sopraan Lisa Larsson in een fris klinkend instrumentaal kader.. Literatuurverwijzing Er is overstelpend veel literatuur over Bachs cantates verschenen, maar de onderstaande vijf boeken gaven mij zowel veel leesplezier als nader inzicht in deze toch wel tamelijk weerbarstige materie.
index |
|||||||||||||||||||||||||||||||