|
CD-recensie
© Aart van der Wal, september 2005
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Caroline Stam (sopraan); Michael Chance (alt); Paul Agnew (tenor); Klaus Mertens (bas); The Amsterdam Baroque Orchestra & Choir o.l.v. Ton Koopman (orgel).
In de door Johann Friedrich Agricola en Carl Philipp Emanuel Bach samengestelde Nekrolog auf Johann Sebastian Bach (1754) zijn in totaal vijf cantatejaargangen voor de zon- en feestdagen opgenomen en daarvan blijken dan uiteindelijk alleen de eerste drie min of meer compleet te zijn overgeleverd. Van de laatste twee jaargangen resteert vrijwel niets en daaruit concludeert Wolff dat niet minder dan veertig procent van Bachs cantate-oeuvre verloren is gegaan. In de eerste cantatecyclus (1723-1724) grijpt Bach veelal nog terug op de in Weimar en Köthen gecomponeerde cantates, maar hij is zeker geen slaaf van zijn eerdere werk en van enige gemakzucht is geen sprake. Hij gebruikt grotendeels teksten van verder onbekend gebleven dichters, maar ook teksten van Franck, Lehms en Neumeister. Kenmerkend voor de eerste jaargang zijn naast de schaalvergroting en de volmaakte symbiose van vocale en instrumentale elementen de sterk toegenomen en hecht met de tekst verbonden muzikale expressie, waarbij Bachs fantasie op het gebied van de religieus-muzikale retorica grote afmetingen aanneemt en hij voor ieder conceptueel probleem een passende oplossing vindt. Het uiteindelijke resultaat van al die creatieve inspanningen vertaalt zich naar de luisteraar als hechte en verfijnde harmonie in gedifferentieerde lagen tussen muziek en tekst, die zich in de tweede jaargang (1724-1725) nog verder verdiept. Bach kon zich voor de selectie van geschikte teksten voor zijn cantates nu meer tijd veroorloven en daardoor een nog grotere samenhang tussen tekst en muziek bewerkstelligen, waarmee dan tevens de komst van de koraalcantate werd ingeluid. De openings- en slotverzen van het koraal kregen hun vaste plaats in de openings- en slotdelen van de cantate met daartussen dan de recitatieven, arioso's en aria's die waren gestoeld op door tekstdichters geschreven, zogenaamde vrije teksten. Aangezien Bach die vrije libretti zelf uitkoos, ligt het voor de hand dat dit ook bij de koralen het geval moet zijn geweest. Het ging hem er natuurlijk om een naadloze aansluiting te vinden bij de koraaltekst en de vrije tekst en dat lukte het beste in samenwerking met librettisten die ook in theologisch opzicht voldoende waren onderlegd. Voor zover bekend was het de librettist Andreas Stübel, de gepensioneerde conrector van de Thomasschool, waarmee Bach toen zeer intensief heeft samengewerkt. In ieder geval zo intensief dat na het overlijden van de dichter, op 27 januari 1725, Bach voor de rest van de tweede jaargang koortsachtig een andere oplossing moest zien te vinden. De zoektocht naar een geschikt alternatief brengt hem bij de dichteres Christiane Mariane von Ziegler (geboren Romanus). Haar samenwerking met Bach was kort maar vruchtbaar, zoals blijkt uit de teksten die de componist in door hem overigens aangepaste vorm in negen cantates (BWV 68, 74, 87, 103, 108, 128, 175, 176 en 183) gebruikte. Ze zouden later ook worden opgenomen in haar eerste gepubliceerde dichtbundel, "Versuch in Gebundener Schreib-Art". Bach werd door haar levendige en heldere poëzie zeker gegrepen en misschien speelde daarbij ook wel een rol dat Mariane niet onverdienstelijk klavecimbel, dwarsfluit en luit speelde, en het bij haar thuis in Leipzig een komen en gaan was van kunstenaars op vrijwel ieder vlak. Ondanks de tegenslag lag Bachs productie in de tweede jaargang op niet minder dan gemiddeld een cantate per week. Uitvoering
Dat gevoel voor avontuur komt ook sterk in de uitvoeringen naar voren. Iedere cantate, ieder deel wordt hoorbaar fris en monter vanuit meerdere invalshoeken belicht. De diepgaande inzichten van Koopman in de stilistische problemen die de uitvoering van onder andere de Bachcantates met zich brengt, mogen als bekend worden verondersteld, maar het kan niet vaak genoeg worden gezegd dat het zonder spirituele spontaniteit en muzikale durf nooit meer kan worden dan een stoffig geheel dat de aandacht niet kan vasthouden. Té veel musicologie en té weinig muzikaliteit hebben menige opname definitief naar de kast doen verhuizen zonder er ooit nog uit te komen. De vertolkingen onder Koopman haal ik echter steeds opnieuw weer voor de dag en ook als er soms best enige detailkritiek mogelijk is, blijven ze van begin tot einde fascineren en voegen ze steeds weer iets toe. Het is een onmenselijke, zo niet onmogelijke opgave om in álle cantates op de toppen van het muzikale en technische kunnen te blijven, de uitvoering van een gigantisch oeuvre zonder enige inzinking. Het is evenwel een van de vele wonderen van deze cyclus dat Klaus Mertens, de bassolist vanaf het eerste uur, door de jaren heen blijft verbazen met zijn diep doorleefde sonoriteit en onvermoeibare zoektocht naar de kleinste nuance in zijn voordracht. Maar het belangrijkste is misschien toch wel de consistente opvatting waarvan deze uitvoeringen stuk voor stuk getuigen, met als grote winstpunt dat de samenhang verankerd is in een diep gewortelde kennis van de muziek- en uitvoeringspraktijk in de achttiende eeuw. Dat is de werkelijke kracht die in Koopmans visie op de muziek van Bach tot uitdrukking komt. Het is ook de kracht van de stilistisch volstrekt verantwoorde retorica die in deze cantates terecht de boventoon voert en de toehoorder cantate na cantate meesleept op een werkelijk avontuurlijke reis die geen einde lijkt te kennen. Het is en blijft mensenwerk, maar in deze tiende aflevering is de volmaaktheid naar mijn gevoel toch wel erg dichtbij. Fabuleuze vocalistiek en dictie in de solopartijen, het koor dat onverminderd de sterren van de hemel zingt en de orkestpartijen, van soli tot obbligati en tutti, die stuk voor stuk de schier onuitputtelijke instrumentale rijkdom in deze muziek alle recht doen. Dan die altijd weer de zorgvuldige opbouw, de logische tempokeuze, de alerte en springlevende ritmiek, het flitsende en verrukkelijke wisselspel en de fijnzinnige afwerking. Allengs maakt zich van de luisteraar de zekerheid meester dat het zó moet klinken niet anders. Dat is meer dan alleen maar suggestie! Kan het nog fraaier? Ik kan het werkelijk niet bedenken, het gaat van het ene naar het andere hoogtepunt. Wie toch eerst wil proeven verwijs ik graag naar het openingskoor van de bekende cantate "Schmücke dich, o liebe Seele" BWV 180, maar ook naar het duet tussen alt en tenor in de aria "O Menschenkind" (cantate "O Ewigkeit, du Donnerwort" BWV 20) en de sopraanaria "Es ist und bleibt der Christen Trost" (cantate "Sie werden euch in den Bann tun" BWV 44). De opname, gemaakt in de Waalse Kerk in Amsterdam, is weer een waar sieraad. Kernachtig, doorzichtig en met een heldere, maar soms bijna smeltende samenklank, met de solisten en het koor ook precies goed gepositioneerd, een waar kunstwerk uit de handen van opnametechnicus Adriaan Verstijnen, met wie Koopman en zijn echtgenote en producer Tini Mathot alweer vele jaren samenwerken. Een puntje van kritiek geldt het cd-boekje dat op pagina 9 bij BWV 134a de onjuiste timing vermeldt. Die cantate duurt geen 20, maar 36 minuten! Literatuurverwijzing Er is overstelpend veel literatuur over Bachs cantates verschenen, maar de onderstaande vijf boeken gaven mij zowel veel leesplezier als nader inzicht in deze toch wel tamelijk weerbarstige materie.
index | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||